Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.2.2.4
9.3.2.2.4 De arresten Passet en Västberga Taxi
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940315:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 30 maart 1999 (Passet), nr. 38434/97, BNB 2002/25.
In paragraaf 16.6.3 ga ik nader in op hetgeen in dit verband uit het arrest kan worden afgeleid over de omkering van de bewijslast en de gevolgen daarvan voor de beboeting.
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8.
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 42.
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 111-116.
Zie ook EHRM 11 januari 2007 (Mamidakis), nr. 35533/04, FED 2007/63, par. 31-33, waarin het EHRM (net als in het arrest Salabiaku) concludeerde dat art. 6 EVRM niet was geschonden, omdat de administratieve procedure op tegenspraak ruimte bood voor tegenargumenten, waarop ook gemotiveerd was gereageerd.
In de EHRM-arresten Passet en Västberga Taxi kwamen schuldneutrale delicten opnieuw aan de orde. Anders dan in het arrest Salabiaku ging het in deze zaken om fiscaal-bestuursrechtelijke sancties, zodat de vergelijking met de Nederlandse fiscale bestuurlijke boete eenvoudiger, en een voorspelling van de mogelijke visie van het EHRM daarop betrouwbaarder wordt.
In de zaak Passet1 stonden enkele verhogingen van ambtshalve geschatte aanslagen ter discussie, die waren opgelegd naar aanleiding van een verzuim om gevraagde informatie te verstrekken aan de Franse belastingautoriteiten. Ook de bewijslast met betrekking tot de verhogingen rustte volgens de Franse wetgeving op de belastingplichtige.2 Het EHRM merkte eerst nadrukkelijk op, dat de nationale wetgever de werking van de onschuldpresumptie niet effectief buiten werking mag stellen, door de boetebepalingen bijvoorbeeld zodanig te formuleren dat de rechter geen zelfstandige toetsingsmogelijkheid meer heeft. Het EHRM bekeek vervolgens aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden of het proces als geheel voldoende fair was geweest. Daarbij achtte het EHRM relevant dat de boeteling tijdens een contradictoir proces volop de gelegenheid had gekregen om ten overstaan van de rechter (tegen)bewijs te leveren. Ook achtte het EHRM van belang dat de verschillende rechters hun recht om het bewijs zelfstandig te beoordelen hadden uitgeoefend met inachtneming van de rechten van de verdediging: zij hadden de stellingen van de boeteling onderzocht en daarop gemotiveerd geantwoord. Aldus was er volgens het EHRM geen strijd met de onschuldpresumptie.
In feite is deze lijn verder doorgetrokken in het arrest Västberga Taxi.3 Ditmaal ging het om Zweedse verhogingen vanwege het doen van onjuiste aangiften. De verhogingen konden worden opgelegd louter vanwege het begaan van het kale beboetbare feit; de Zweedse Belastingdienst hoefde geen bewijs van enige verwijtbaarheid te leveren. Als bijzonderheid gold in deze zaak dat de disculpatiegronden van de boeteling wettelijk waren opgesomd.4 De wettelijke regeling nam weliswaar als uitgangspunt dat er geen redenen waren om de boete te verminderen, maar de belastingautoriteiten en de rechter waren wel verplicht om de disculpatiegronden bij hun beoordeling te betrekken, ook als de boeteling daarop geen beroep had gedaan. Het EHRM concludeerde dat het Zweedse stelsel met een wettelijk vermoeden van schuld werkte. Ondanks dat dit vermoeden lastig te weerleggen was, stond de boeteling echter niet met lege handen. Het EHRM achtte daarbij van belang dat de boeteling in kwestie geen beroep had gedaan op één van de disculpatiegronden, terwijl daartoe wel ruimschoots de gelegenheid was geweest. Ook had de rechter – overeenkomstig de wettelijke verplichting daartoe – ambtshalve getoetst of hij aanleiding zag voor disculpatie op grond van het dossier. Concluderend overwoog het EHRM vervolgens dat het wettelijk (schuld)vermoeden binnen redelijke grenzen bleef.5 Uit de kernoverwegingen kunnen naar mijn mening de volgende regels voor schuldneutrale fiscale delicten worden gedestilleerd:
De vraag of een wettelijk schuldvermoeden op zichzelf redelijk is in de zin van het arrest Salabiaku, moet in fiscalibus worden beoordeeld op grond van:
het belang van de overheid bij een adequate, efficiënte belastingheffing, en
de vraag of de verdedigingsrechten van de boeteling geëerbiedigd zijn;
Die verdedigingsrechten moeten gebaseerd zijn op subjectieve aspecten (omstandigheden de boeteling zelf betreffende);
De rechter heeft een bijzondere verantwoordelijkheid om te beoordelen of er gronden zijn om de boete vernietigen of te verminderen: hij moet daarbij genuanceerd en niet te restrictief te werk gaan.
Opnieuw zie ik in de formuleringen van het EHRM in de eerste plaats een antwoord op de (voor)vraag of een schuldneutrale delictsomschrijving überhaupt houdbaar is in het licht van art. 6 EVRM. Het antwoord daarop luidt in beginsel, ook in fiscalibus, steeds bevestigend: gezien de gerechtvaardigde staatsbelangen (de schatkist) is dat redelijk, mits de verdedigingsrechten maar niet en passant vleugellam worden gemaakt. In de tweede plaats kijkt het EHRM naar de toepassing in het concrete geval: daarbij heeft vooral de nationale rechter een bijzondere taak om de waarborgen van art. 6 EVRM daadwerkelijk te garanderen. Het EHRM bekijkt steevast of de rechter voldoende reële gelegenheid tot het voeren van verweer heeft geboden, en – wanneer de boeteling daarvan gebruik heeft gemaakt – of de rechter vervolgens ook serieus om gaat met dat verweer.6 Het initiatief mag dus in zekere mate bij de boeteling worden gelegd: een wettelijk vermoeden van schuld is niet in strijd met de onschuldpresumptie als de boeteling de gelegenheid heeft om zich te verweren door zich bijvoorbeeld op een disculpatiegrond te beroepen. De vraag die overblijft is hoe deze zaken zouden zijn afgelopen als de boeteling (anders dan in het arrest Passet) geen expliciet verweer had gevoerd, terwijl de rechter (anders dan in het arrest Västberga Taxi) ook ambtshalve geen aandacht had besteed aan de schuldvraag.