Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/7.2.3
7.2.3 Enquêtesubjecten
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85862:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vide voetnoot 312 supra.
Hof Amsterdam (OK) 26 maart 2003, ARO 2003/60 (Callas).
Hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens (Landis).
Hof Amsterdam (OK) 3 mei 2007, JOR 2007/143, m.nt. M.P. Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2007/103, m.nt. M.J. van Ginneken (ABN AMRO) en hof Amsterdam (OK) 17 april 2008, JOR 2008/ 157, m.nt. A. Doorman (ABN AMRO).
Hof Amsterdam (OK) 10 februari 2011, ARO 2011/33 (MEI).
Hof Amsterdam (OK) 1 juni 2012, ARO 2012/82 (Callas).
Hof Amsterdam (OK) 7 juli 2015, ARO 2015/171 (Phanos Reit). In het hoofd van deze beschikking, evenals in dat van hof Amsterdam (OK) 3 december 2014, ARO 2015/29 (Phanos Reit), welke buiten mijn selectie is gevallen, worden als verweersters genoemd Phanos Reit N.V., Phanos Fund I N.V. en Phanos Fund II N.V., terwijl blijkens het dictum van de eerstbedoelde beschikking laatstgenoemden bv’s zijn. Voorts wordt in het in r.o. 2.20 geciteerde gesproken van drie nv’s, terwijl in r.o. 2.13 aangaande de aandeelhoudersstructuur per 24 mei 2012 er wordt gesproken van twee nv’s en één bv.
Hof Amsterdam (OK) 8 juli 2015, JOR 2015/260, m.nt. C.D.J. Bulten, Ondernemingsrecht 2015/92, m.nt. P.M. Storm, AA 2015/9, m.nt. B.F. Assink (SNS).
Hof Amsterdam (OK) 11 september 2015, ARO 2015/191 (RTC).
Vide hof Amsterdam (OK) 26 maart 2003, ARO 2003/60 (Callas); hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens (Landis); hof Amsterdam (OK) 10 februari 2011, ARO 2011/33 (MEI); hof Amsterdam (OK) 7 juli 2015, ARO 2015/171 (Phanos Reit); hof Amsterdam (OK) 11 september 2015, ARO 2015/191 (RTC).
Vide hof Amsterdam (OK) 27 december 2007, ARO 2008/8 (Pool); hof Amsterdam (OK) 5 maart 2008, ARO 2008/53 (Kalf-Valk); hof Amsterdam (OK) 10 februari 2011, ARO 2011/33 (MEI); hof Amsterdam (OK) 31 juli 2013, ARO 2013/127 (Jimm); hof Amsterdam (OK) 28 september 2017,ARO 2018/5 (Readen Retail); hof Amsterdam (OK) 19 december 2018, ARO 2019/64 (Steelframe).
Vide hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, rekestnr. 175/2000, JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000/23, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bot Bouw); hof Amsterdam (OK) 23 januari 2001, JOR 2001/56 (Tactron); hof Amsterdam (OK) 20 juli 2005, ARO 2005/119 (BKV); hof Amstedam (OK) 11 mei 2011, ARO 2011/82 (Proxy); hof Amsterdam (OK) 17 januari 2013, ARO 2013/26 (Thermen); hof Amsterdam (OK) 22 januari 2015, ARO 2015/70 (DPS); hof Amsterdam (OK) 18 mei 2017, ARO 2017/128 (Roessen & Roessen). In de tweedegenoemde beschikking beval de Ondernemingskamer een onderzoek bij Tactron Holding B.V. en bij de dochtervennootschappen in wier geplaatste kapitaal zij alle aandelen hield. Ik ga er veronderstellenderwijs van uit dat de Ondernemingskamer doelde op de in r.o. 2.1 genoemde vennootschappen met uitzondering van Rocap Uitzendbureau B.V., nu de vennootschap haar aandelen in het geplaatste kapitaal van de die vennootschap had overgedragen aan een derde (Vide r.o. 2.3).
Vide hof Amsterdam (OK) 28 februari 2005, ARO 2005/34 (Dodo); hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2006, ARO 2006/172 (Hartevelt). In de laatstgenoemde beschikking beval de Ondernemingskamer een onderzoek bij Hartevelt Holding B.V. en de met haar verbonden vennootschappen. Ik ga er veronderstellenderwijs van uit dat zij daarmee doelde op de (klein)dochtervennootschappen als genoemd in r.o. 2.1.
Vide hof Amsterdam (OK) 31 december 2002, ARO 2003/8 (Easy World Airline); hof Amsterdam (OK) 8 januari 2013, ARO 2013/24 (BHC); hof Amsterdam (OK) 17 maart 2014, ARO 2014/61 (Fuhler). In de laatstgenoemde beschikking beval de Ondernemingskamer een onderzoek bij tien vennootschappen, maar die waren verdeeld over twee staken. Een daarvan bestond uit drie vennootschappen en de andere, hier van belang zijnde, bestond uit zeven vennootschappen.
Hof Amsterdam (OK) 30 juli 2002, JOR 2002/192, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Janson); hof Amsterdam (OK) 25 maart 2005, ARO 2005/59 (Euroyal). Let wel: in het dictum hiervan staan elf vennootschappen vermeld, maar dat komt omdat een aandeelhouder bij wijze van zelfstandig verzoek de Ondernemingskamer had verzocht een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van – louter – de elfde vennootschap, C.A.E. Nederland B.V., die onderscheiden moet worden van de Euroyal-vennootschappen. Wat de tien andere gerekestreerde vennootschappen betreft, hangen er onder twee gerekestreerde vennootschappen, Euroyal Properties B.V. en Foresight and Order B.V., geen (medegerekestreerde) vennootschappen; enkel Euroyal B.V. heeft onderliggende (medegerekestreerde) vennootschappen, en wel zeven stuks. Nu ik mij niet richt op enkelvoudige vennootschappen maar op meerlagige concernstructuren, heb ik alleen deze, in totaal acht, vennootschappen meegenomen.
Vide HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 3.3.5 (Landis).
Vide hof Amsterdam (OK) 20 juli 2000, rekestnr. 592/2000, r.o. 2.1 (Nedco); hof Amsterdam (OK) 30 juli 2002, JOR 2002/192, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 2.1-2.2 (Janson); hof Amsterdam (OK) 7 april 2006, ARO 2006/72, r.o. 1.4 (Punching); hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2006, ARO 2006/172, r.o. 2.1 (Hartevelt); hof Amsterdam (OK) 17 maart 2014, ARO 2014/61, r.o. 2.1 (Fuhler); hof Amsterdam (OK) 31 maart 2014, ARO 2014/64, r.o. 2.4 (Plat Edam); hof Amsterdam (OK) 16 juni 2015, ARO 2015/165, r.o. 2.1 (Clifden); hof Amsterdam (OK) 6 april 2017, ARO 2017/104, r.o. 2.15 (New Company Investments); hof Amsterdam (OK) 19 december 2019, ARO 2019/64 (Steelframe); hof Amsterdam (OK) 19 februari 2019, ARO 2019/84 (Lap). Hierover maak ik de volgende opmerkingen. In al deze beschikkingen werd – op drie niveaus – een onderzoek bevolen, behalve in de beschikking inzake Punching. Wel werden daarin onmiddellijke voorzieningen getroffen, zulks eveneens op drie niveaus. Ten tweede was in de Fuhler-beschikking sprake van twee staken van vennootschappen met ieder drie niveaus. Ten derde wijs ik erop dat in de Janson-beschikking een vierde niveau kan worden aangewezen (Vide r.o. 2.3), maar het verzoek op dat niveau niet voor toewijzing vatbaar was (Vide r.o. 3.9). Vide ook hof Amsterdam (OK) 14 juni 2012, ARO 2012/98 (RVDD); hof Amsterdam (OK) 7 juli 2015, ARO 2015/181 (Eshuis). In deze twee zaken werd, al dan niet bij wijze van zelfstandig verzoek, verzocht om een onderzoek bij een aantal vennootschappen dat (eveneens) tezamen een three-tiered concernstructuur vormde (Vide r.o. 1.3 en 2.1 respectievelijk r.o. 1.2, 1.5 en 2.1). Deze verzoeken kwamen evenwel, voor zover zij zagen op de onderliggende vennootschappen (2e en 3e tier), niet voor honorering in aanmerking; deze sneuvelden op de ontvankelijkheid. Vide buitendien hof Amsterdam (OK) 8 juli 2015, JOR 2015/ 260, m.nt. C.D.J. Bulten, Ondernemingsrecht 2015/92, m.nt. P.M. Storm, AA 2015/9, m.nt. B.F. Assink (SNS). Daarin werd verzocht om een onderzoek bij SNS Reaal N.V., SNS Bank N.V. en bij Propertize B.V., welke vennootschappen tezamen drie lagen vormden (Vide r.o. 2.4.-2.5). Voor zover het verzoek gericht was op Propertize B.V., verklaarde de Ondernemingskamer de verzoekers daarin echter niet- ontvankelijk. Saillant detail is dat (ruim) vóór de indiening van het enquêteverzoek, SNS Bank N.V. de aandelen in het geplaatste kapitaal van voornoemde al had overgedragen aan een derde (Vide r.o. 1.2 en 2.5). Vide tevens hof Amsterdam (OK) 4 juli 2013, ARO 2013/120 (Slotervaartziekenhuis), waarin drie verzoekers de Ondernemingskamer verzochten om, inter alia, het gelasten van een onderzoek naar, voor zover hier van belang, het beleid en de gang van zaken van Jeemer B.V., Meromi Holding B.V., Parkrand B.V. en Slotervaartziekenhuis B.V., welke verweersters (aanvankelijk) tezamen een three- tiered structuur vormden; Vide het in Assinks noot (p. 733) opgenomen (verhelderende) schema bij HR 11 april 2014, NJ 2014/296, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/259, m.nt. P.D. Olden, Ondernemingsrecht 2014/124, m.nt. C.D.J. Bulten, AA 2014/10, m.nt. B.F. Assink, JIN 2014/109, m.nt. P. Haas (Slotervaartziekenhuis), alsmede zij verwezen naar r.o. 1.2, 2.4, 2.6 en 2.11 van de OK-beschikking. De Ondernemingskamer verklaarde (i) de verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek voor zover dat ertoe strekte een onderzoek te gelasten bij Slotervaartziekenhuis B.V. en Parkrand B.V. en (ii) twee (van de drie) verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek voor zover dat ertoe strekte een onderzoek te gelasten bij A2 Antwoordservice B.V. en Meromi Holding B.V.
Vide hof Amsterdam (OK) 13 mei 2016, ARO 2016/139, r.o. 2.1 en 3.3 (Meijbon). Het verzoek werd evenwel afgewezen.
Hof Amsterdam (OK) 28 november 2018, ARO 2019/32 (RAB).
In deze paragraaf zal ik – aan de hand van de (vooraf) door mij geselecteerde beschikkingen –1inventariseren bij welke soorten vennootschappen de verzoekers enquêtes hebben uitgelokt, het aantal vennootschappen dat per beschikking wordt geënquêteerd, en uit hoeveel lagen (tiers) de concernstructuren bestaan.
De bulk van die beschikkingen – het zal, me dunkt, geen verbazing wekken – bestaat uit enquêteverzoeken die gericht zijn op besloten vennootschappen. In de beschikkingen inzake Callas,2Landis,3ABN AMRO,4MEI,5Callas,6Phanos Reit,7SNS8 en in RTC9 ging het daarentegen (mede) op een of meer naamloze vennootschappen gerichte enquêteverzoeken. Onderzoeken zijn echter slechts bevolen in de eerst-, tweede-, vierde-, zesde- en in de achtstbedoelde beschikking.10
In het gros van de (geselecteerde) beschikkingen heeft de Ondernemingskamer een onderzoek gelast bij twee of drie vennootschappen (bv’s en/of nv’s). Daarnaast zijn er beschikkingen waarin het om een groter aantal te enquêteren vennootschappen gaat. Zo heeft de Ondernemingskamer in haar beschikkingen inzake Pool, Kalf-Valk, MEI, Jimm, Readen Retail en Steelframe onderzoeken bevolen bij een viertal vennootschappen.11 Bovendien heeft zij in haar beschikkingen inzake Bot Bouw, Tactron, BKV, Proxy, Thermen, DPS en Roessen & Roessen onderzoeken bevolen bij een vijftal vennootschappen.12 Voorts heeft zij in haar beschikkingen inzake Dodo en Hartevelt onderzoeken bevolen bij een zestal vennootschappen.13
Daarnaast heeft zij in haar beschikkingen inzake Easy World Airline, BHC en Fuhler onderzoeken bevolen bij een zevental vennootschappen.14 Tevens heeft zij in haar beschikkingen inzake Janson en Euroyal onderzoeken bevolen bij een achttal vennootschappen.15
Alle geselecteerde beschikkingen hebben (mede) met elkaar gemeen dat er ten aanzien van (een deel van) de te enquêteren vennootschappen sprake was van een multi-tiered concernstructuur. Hoofdzakelijk ging het om two-tiered concernstructuren. Zulks sluit aan bij ’s Hogen Raads Landis-beschikking, waarin hij, voor zover hier van belang, overwoog dat de Ondernemingskamer met juistheid had overwogen dat bepaalde aandeelhouders van Landis ook enquêtebevoegd waren ter zake van haar drie 100%-dochtermaatschappijen (eveneens tweelagig, dus).16 Niettemin heeft de Ondernemingskamer zowel ervoor als erna óók enkele – toewijzende – beschikkingen gegeven waarin sprake was van three-tiered concernstructuren.17 In haar Meijbon-beschikking verklaarde zij de verzoekster zelfs ontvankelijk in haar verzoek om een onderzoek bij vijf vennootschappen die tezamen een four-tiered concernstructuur vormden.18
Een beschikking waarin een verzoeker niet in zijn verzoek om een onderzoek bij een groep vennootschappen met een multi-tiered structuur, voor zover dat (mede) gericht was op de vennootschap(pen) die (tezamen) de onderste tier(s) vormde(n), kon worden ontvangen om de rechtstreeks hiermee verband houdende reden dat er te veel (vennootschappelijke) tiers zaten tussen de bovenste tier, bestaande uit de te enquêteren vennootschap in wier geplaatste kapitaal de verzoeker (certificaten van) aandelen houdt, en de onderste tier, bestaande uit een of meer onderliggende te enquêteren vennootschappen in wier geplaatste kapitaal de verzoeker geen (certificaten van) aandelen houdt, ben ik niet tegengekomen. Waar de Ondernemingskamer de grens trekt qua het maximum aantal tiers van vennootschappen ten aanzien waarvan de verzoeker een enquête kan uitlokken zonder dat zijn verzoek in het licht van art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW ten dele op de ontvankelijkheid sneuvelt, valt dan ook niet te zeggen. Een op vier tiers gericht verzoek heeft zij in ieder geval gesanctioneerd (Vide supra).
Overigens is vermeldenswaardig de RAB-beschikking.19 Daarin werd namelijk verzocht om een onderzoek bij de bovenliggende vennootschap (RAB) en haar – indirecte – 50%-deelneming Cheops. Het bijzondere aan (het verzoek in) deze beschikking is hierin gelegen dat gewoonlijk ook een eventuele tussenliggende vennootschap in de enquête wordt betrokken. Het vorendoelde verzoek liep vast op de ontvankelijkheid.