Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.3.2.2:2.3.2.2 Beslissen in onzekerheid
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.3.2.2
2.3.2.2 Beslissen in onzekerheid
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel het strafproces zich voor wat betreft het reconstrueren van de feitelijke toedracht tot doel stelt juiste uitspraken over de werkelijkheid te doen, kan zekerheid niet worden verkregen. Net als in andere ervaringsafhankelijke domeinen van kennisverwerving kan de conclusie omtrent de feitelijke toedracht niet logisch-dwingend uit de onderzoeksresultaten worden afgeleid. De rechter (of jury) trekt aan de hand van een grote hoeveelheid uiteenlopende gegevens een conclusie omtrent de juistheid van de voorliggende hypothese(n), maar deze conclusie is in de kern gebaseerd op een inductieve redeneerwijze en kan alleen al daarom geen zekerheid opleveren.1 Het inductieve karakter is gelegen in het redeneren van individuele bevindingen naar een conclusie. De conclusie behelst in de kern een waarschijnlijkheidsoordeel. Als een verdachte in zijn auto wordt aangehouden met een grote hoeveelheid geld en bolletjes met cocaïne en heroïne op zak, in zijn telefoon allerlei telefoonnummers worden aangetroffen van personen die bij de politie als gebruiker bekend zijn en nadien uit nader onderzoek naar de telefoonnummers blijkt dat de verdachte door een aantal personen is herkend als zijnde de persoon bij wie zij drugs kopen, rechtvaardigt dat in beginsel de conclusie dat de verdachte handelt in drugs. Op basis van specifieke waarnemingen kan een beredeneerde gevolgtrekking worden gemaakt omtrent de hypothese dat de verdachte schuldig is aan de handel in drugs. Daarbij spelen generalisaties een belangrijke rol. Zij vormen de ‘lijm’ voor de bewijsconstructie.2 Zo wordt geredeneerd dat drugsdealers vaker grote hoeveelheden contant geld bij zich hebben en dat drugs die in grote hoeveelheden bij iemand worden aangetroffen, niet bestemd zijn voor eigen gebruik. Ook deze generalisaties zijn gebaseerd op inductie en hebben derhalve een onzeker karakter.
Inductieve redeneringen als de voorgaande zijn niet logisch-dwingend, maar probabilistisch van aard. Dat wil zeggen dat het gaat om waarschijnlijkheidsredeneringen. Het aantreffen van drugs onder voornoemde omstandigheden maakt het zeer waarschijnlijk dat de verdachte handelt in drugs en rechtvaardigt om die reden de conclusie dat de betrokken persoon in drugs handelt. Absolute zekerheid is niet te verkrijgen. Er zal altijd een sprong moeten worden gemaakt, een sprong van bekende feiten (verdachte heeft een grote hoeveelheid drugs en contant geld op zak, etc.) naar nieuwe, onbekende feiten of hypothesen (verdachte handelt in drugs).3 Dit type redeneren wordt ook wel aangeduid als inferential reasoning. De conclusie behelst altijd een zekere mate van onzekerheid en is in die zin te kenmerken als een waarschijnlijkheidsoordeel. Wellicht had de verdachte in het genoemde voorbeeld de drugs bij zich voor iemand anders, was het niet zijn telefoon en hebben de getuigen zich vergist toen zij - aan de hand van een getoonde foto - de verdachte identificeerden als hun dealer. Die mogelijkheden bestaan, maar zullen zonder nadere onderbouwing door menig rechter of jury als onwaarschijnlijk terzijde worden geschoven. Dat het in de kern gaat om redeneringen van probabilistische aard waarbij uiteindelijk een categorische beslissing moet worden genomen, betekent dat fouten onvermijdelijk en rechterlijke oordelen feilbaar zijn.
Niet alleen het inductieve karakter van de redeneringen en gebruikte generalisaties maken dat het proces van bewijzen met onzekerheid gepaard gaat. Er is een aantal factoren dat hieraan bijdraagt. Allereerst moet worden beslist op basis van een incomplete verzameling van gegevens: men heeft niet het overzicht en de beschikking over alle relevante informatie. Daar komt bij dat bewijsmateriaal zelden eenduidig is en dwingt tot een bepaalde conclusie. Zo kan een bewijsstuk soms op meerdere wijze worden geïnterpreteerd of zijn er op het niveau van de constructie alternatieve verklaringen mogelijk die niet allemaal door bewijsmateriaal kunnen worden afgedekt. Bovendien is er ook het probleem van de waarheidsgetrouwheid van het bewijsmateriaal dat aan de beslissing ten grondslag wordt gelegd: wordt de werkelijkheid wel op de accurate wijze weergegeven?4 Deze problemen doen zich ook in het recht voor. Het gaat ook in het recht om het beslissen op incomplete en meerduidige informatie waarvan de juistheid niet vaststaat en waarbij niet al het bewijsmateriaal in dezelfde richting wijst. Indien in voornoemd voorbeeld aan de kwaliteit van de herkenningen kan worden getwijfeld en er vervolgens twijfels ontstaan over waar de telefoon is aangetroffen (bijvoorbeeld op de achterbank, terwijl zich ook andere personen in de auto bevonden) dan wordt daarmee de onzekerheid vergroot en ontstaat de situatie dat getwijfeld kan worden of het nog wel gerechtvaardigd is om tot een positieve bewijsbeslissing te komen.