Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.8.3.1
7.3.8.3.1 Definities, omschrijvingen en analyse
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940425:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Althans, dat zou a contrario afgeleid kunnen worden uit de vereiste (derde) gradatie die geldt voor het leveren van tegenbewijs bij het ontzenuwen van vermoedens. Zie daarover nader paragraaf 7.3.8.3.2 hierna.
Niessen-Cobben 1995, p. 171.
Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 104. Zie voor een fraai voorbeeld de zaak die heeft geleid tot HR 17 juni 2022, V-N 2022/30.14 (zie met name r.o. 4.14 e.v. van de Hofuitspraak). Daarin komt naar voren dat het voor aannemelijk maken niet nodig is om sluitende berekeningen te maken en dat de belastingschuld ook door middel van een benadering van de werkelijkheid aannemelijk kan worden gemaakt.
Vgl. echter Hof Arnhem 3 mei 2011, V-N 2011/36.23.9.
Niessen-Cobben 1995, p. 171.
Happé e.a. 2010, p. 394.
Feteris 2007, p. 302, Pechler 2009, p. 152. Zie ook Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekeningen bij Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, V-N 2017/24.6 en bij Hof Den Haag 13 december 2022, V-N 2023/14.21, alsmede Rb Gelderland 7 december 2018, V-N 2019/14.21 en de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws daarbij.
Koopman 1996, par. 3.7, Pechler 2009, p. 152. Zie bijvoorbeeld de onmiddellijk aan HR 6 augustus 2021, V-N 2021/37.13 voorafgaande uitspraak van Hof Amsterdam van 27 oktober 2020, V-N Vandaag 2020/2722, r.o. 6.2.1-6.2.4.
Zoals ik in paragraaf 7.3.8.1 heb opgemerkt, bestaat er geen verschil (meer) tussen de gradaties ‘(doen) blijken’ en ‘overtuigend aantonen’. Ik kies in deze opsomming voor de laatstgenoemde term.
HR 16 november 1977, BNB 1978/17.
Aldus ook Koopman 1996, par. 4.2, onder verwijzing naar HR 16 november 1977, BNB 1978/17, waarin de andersluidende opvatting van het Hof (blijken = onomstotelijk vaststaan) echter niet als zodanig werd gecorrigeerd.
HR 5 september 1979, BNB 1979/265.
Koopman 1996, par. 4.2. Uit het gebruik van de term ‘redelijkerwijs’ blijkt al dat er op voorhand geen precieze afbakening kan worden gemaakt. Wel is duidelijk dat de toets objectief van aard is.
Verschillende hier genoemde termen zijn ontleend aan het door zowel Koopman als Pechler genoemde artikel van Van der Ouderaa (WFR 1994/6104, p. 751), zie Koopman 1996, p. 112 (noot 4) en Pechler 2009, p. 152 (noot 136)).
Feteris 2007, p. 304.
Zie de onmiddellijk aan HR 6 augustus 2021, V-N 2021/37.13 voorafgaande uitspraak van Hof Amsterdam van 27 oktober 2020, V-N Vandaag 2020/2722, r.o. 6.2.1.
Niessen-Cobben 1995, p. 171.
Koopman 1996, par. 4.2. Zie over deze notie binnen het strafrecht voorts paragraaf 4.2.8.
HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2. Het ging in dit arrest om de bewijsgradatie die is vereist voor het bewijs van het begaan van een beboetbaar feit. De Hoge Raad gebruikte de vertaling ‘buiten redelijke twijfel’. Zie hierover nader paragraaf 13.3.4.
Uit de rechtspraak en de literatuur kunnen de volgende omschrijvingen worden afgeleid. Ik merk alvast op dat er de nodige overlap bestaat tussen de verschillende omschrijvingen van de beide gradaties.
Aannemelijk maken
aannemelijk maken is sterker dan het slechts ‘redelijkerwijs moeten betwijfelen’ van een alternatieve gang van zaken;1
bij aannemelijk maken moet een ‘aanzet’ worden gegeven tot bewijs (volledig bewijs is niet nodig);2
voor aannemelijk maken is voldoende dat de stelling redelijkerwijze voor juist mag worden gehouden;3
een aannemelijk gemaakte stelling kan in redelijkheid aan gerede twijfel onderhevig zijn;4
voor aannemelijk maken moet er een ‘redelijke mate van zekerheid5 of waarschijnlijkheid’6 zijn dat het gestelde juist is;
voor aannemelijk maken is het voldoende als de uitleg de ‘meest voor de hand liggende’ of ‘de meest waarschijnlijke’7 is;
een aannemelijk gemaakte stelling sluit niet uit dat er in werkelijkheid feiten en omstandigheden zijn voorgevallen, die in strijd zijn met die stelling.8
Doen blijken (overtuigend aantonen)
om iets overtuigend aan te tonen, zal de juistheid ervan moeten blijken (en vice versa);9
ook bij overtuigend aantonen wordt niet het onmogelijke gevraagd: voor bewijs van het negatieve (iets dat er niet is of iets dat niet is gebeurd) kan een enkele ontkennende verklaring voldoende grondslag opleveren;10
overtuigend aantonen is zwakker dan ‘onomstotelijk vaststaan’;11
voor overtuigend aantonen is dus niet vereist dat de aangevoerde bewijsmiddelen leiden tot een ‘onweerlegbaar juiste’ conclusie;12
voor overtuigend aantonen is wel vereist dat de juistheid redelijkerwijs niet in twijfel kan worden getrokken.13
een overtuigend aangetoonde stelling betekent dus niet dat er geen andere mogelijkheden denkbaar zouden zijn, maar slechts dat die uiterst onwaarschijnlijk zijn;14
om overtuigend aan te tonen moet elke redelijke twijfel zijn uitgesloten;15
om overtuigend aan te tonen moet het ‘(nagenoeg) zeker’ zijn;16
bij overtuigend aantonen moet ‘volledig bewijs’ worden geleverd (waaronder ik versta: het bewijs moet qua overtuigingskracht rond zijn; bewijs met open eindjes is niet voldoende).17
Aan bovenstaande opsomming vallen drie zaken op. In de eerste plaats blijft er sprake van een woordenspel: een duidelijke, objectief toetsbare grens is niet te trekken. Er bestaan geen harde meetcriteria om de gradaties te kunnen onderscheiden.
In de tweede plaats wordt de ondergrens van ‘aannemelijk maken’ niet duidelijk: wanneer houdt een bepaalde uitleg precies op om slechts theoretisch denkbaar te zijn en begint die ‘aannemelijk’ te worden? Wat is nog juist voldoende om de drempel te halen? Er is in de literatuur geen overeenstemming over deze ondergrens: een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ voelt in ieder geval lichter aan dan de ‘meest waarschijnlijke’. Mijn inschatting is dat de laatstgenoemde omschrijving beter is, althans in de praktijk beter toepasbaar is. Op zichzelf kan ook een minder voor de hand liggende gang van zaken heel wel aannemelijk zijn, mits daarvoor in de bewijsmiddelen voldoende aanknopingspunten zijn. Als een andere gang van zaken meer waarschijnlijk is, voelt het echter vreemd aan om die andere gang van zaken te negeren. De vraag naar de bewijsgradatie is uiteindelijk geen andere dan de vraag naar de overtuigingskracht of geloofwaardigheid van het aanwezige bewijs.
In de derde plaats lijken de definitiepogingen voor wat betreft de zware gradatie van ‘doen blijken’ niet geheel consistent: wanneer iets redelijkerwijs niet in twijfel kan worden getrokken, betekent dat dan ook dat elke redelijke twijfel is uitgesloten? Koopman noemde in 1996 in dit verband de uit het Amerikaanse strafrecht bekende formule ‘beyond reasonable doubt’.18 In 2022 heeft de Hoge Raad bevestigd dat de zware gradatie overeenkomt met deze formule.19 In gewone termen: los van belachelijke, denkbeeldige, zeer onwaarschijnlijke of fantasierijke scenario’s moeten er in beginsel geen andere verklaringen of lezingen mogelijk zijn.