Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.2.3:4.2.3 Art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017)
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.2.3
4.2.3 Art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017)
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496611:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Tuk 1979, p. 256 en 357.
Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, p. 37-38 (MvT).
Btw wordt immers geheven over de vergoeding, en niet over de aanneemsom of prijs. De gekozen bewoordingen sloten daarmee beter aan bij de techniek van de btw-heffing.
Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 6, p. 63 (MvA).
Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 5, p. 51 (VV).
Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 6, p. 67 (MvA).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Wet OB 1968, die ervoor moest zorgen dat de btw voortaan op een neutrale wijze zou worden geheven, bracht geen verandering aan de inmiddels verworven plaats van de teruggaafregeling in hoofdstuk VI (diverse bepalingen) van de wet.1 Wel vond met de invoering van de Wet OB 1968 een aanpassing plaats qua techniek. Met ingang van 1 januari 1969 kwam de teruggaafregeling, opgenomen in art. 29 Wet OB 1968, als volgt te luiden:
Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van leveringen en diensten, voor zover de vergoeding:
niet is en niet zal worden ontvangen;
wordt terugbetaald omdat een vermindering van de vergoeding is verleend of omdat de goederen in ongebruikte staat zijn teruggenomen.
(...)
(...)”
Art. 29 lid 1 Wet OB 1968 beoogde zowel art. 28 als 28a Wet OB 1954 te ondervangen. De reden waarom het in rekening gebrachte bedrag niet of niet geheel werd ontvangen c.q. geheel of gedeeltelijk werd terugbetaald, kon zowel zijn gelegen in het feit dat de ondernemer op de vergoeding alsnog een vermindering verleende, als in de omstandigheid dat het bedrag in verband met de financiële toestand van de afnemer niet of niet geheel kon worden geïnd.2 Zodoende – zo kan worden betoogd – vormde art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 een afspiegeling van art. 28a Wet OB 1954 en vormde art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 een vertaling van art. 28 lid 1 Wet OB 1954. Daarbij werd niet langer gesproken over een vermindering verkoopprijs of aanneemsom, maar werd volstaan met de terugbetaling van de vergoeding omdat een vermindering van de vergoeding werd verleend.3 Voorts werd door de wetgever benadrukt dat wat de kortingen betreft, de bepaling als uitgangspunt enkel betrekking had op andere kortingen dan kortingen wegens contante betaling, zoals rabatten, bonussen en dergelijke. Een bonus die bijvoorbeeld aan het einde van een periode werd toegekend, moest worden beschouwd als een teruggaaf op de vergoeding, zodat die bonus op grond van art. 29 Wet OB 1968 niet zou bijdragen aan de heffingsgrondslag.4 Met kortingen wegens contante betaling zou bij het bepalen van de maatstaf van heffing terstond rekening moeten worden gehouden (op de voet van art. 8 Wet OB 1968), aldus ook de strekking van art. 29 lid 3 Wet OB 1968. Tot slot vroegen enkele Kamerleden zich af of met het voorgestelde art. 29 Wet OB 1968 de positie van de leverancier bij het faillissement van de afnemer ongunstiger zou worden en hoe moest worden omgegaan met de situatie waarin de vergoeding wel zou worden ontvangen, maar de btw niet.5 Benadrukt werd dat art. 29 Wet OB 1968 voor de leverancier bij faillissement van de afnemer juist in zoverre een voordeel zou opleveren, omdat hij voor de reeds voldane btw niet zou zijn aangewezen op een uitkering uit de boedel, maar rechtstreeks een aanspraak op teruggaaf had op de Belastingdienst. Het geval dat de vergoeding zou worden ontvangen, maar het btw-bedrag niet, zou zich niet kunnen voordoen, omdat de vergoeding tezamen met de btw één vordering vormt.6