Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/3.5
3.5 Vertrouwen op de juistheid en volledigheid van informatie
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685322:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik merk op dat de scheidslijn tussen een rechtshandeling en feitelijke handeling niet altijd eenvoudig is te duiden, Spierings 2016, p. 11-13. Gelet op de toepasselijke rechtsregels is dit onderscheid wel zeer van belang.
Par. 1.3.
Zie bijv. HR 2 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7898, NJ 1993/635, AB 1990/223 (Staat/Bolsius). Zie over dat arrest uitgebreid hoofdstuk 5.
Vgl. Van de Sande 2019a, p. 43.
Schutgens 2015, p. 96 schrijft dat in dit geval aan een (variant van het) vertrouwensbeginsel wordt getoetst ‘die moeilijk van zijn bestuursrechtelijke tegenhanger is te onderscheiden’. Mijns inziens is – gelet op de invulling van het vertrouwensbeginsel door de bestuursrechter ten aanzien van inlichtingen zoals in hoofdstuk 6 behandeld – wel degelijk sprake van een van het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel afwijkende invulling. Ik stel in hoofdstuk 11 voor deze toetsingsmaatstaven dichter tot elkaar te brengen.
Het derde civielrechtelijke juridische kader voor de beoordeling van een vertrouwensschending dat ik beschrijf is dat van door de overheid verstrekte inlichtingen die onjuist of onvolledig blijken.1 Inlichtingen kunnen zowel naar aanleiding van concrete vragen als door de overheid uit zichzelf worden verstrekt. Dit onderzoek ziet niet op inlichtingen die zijn verstrekt in een (pre)contractuele context of voortvloeien uit wettelijke verplichtingen, maar op de bijzondere verplichtingen die kunnen gelden voor de overheid indien zij in haar positie van overheid – meer in het bijzonder uit haar informatieve en dienstverlenende functie – een burger inlicht over het geldend recht.2
Informatieverstrekking kent voor zover relevant voor dit onderzoek twee varianten. Ten eerste kan de overheid informatie verstrekken los van enige besluitvorming, zoals in het arrest ’s-Hertogenbosch/Van Zoggel het geval was. Informatie kan ook samenhangen met publiekrechtelijke besluitvorming.3 Bij de tweede variant zijn leerstukken als de formele rechtskracht en de rechtsmachtverdeling van de civiele rechter en de bestuursrechter van belang. Die leerstukken behandel ik in hoofdstuk 4 en 5.
Op de overheid rust geen algemene plicht om burgers correct en volledig in te lichten.4 Indien een burger echter vragen stelt of de overheid uit zichzelf besluit informatie te verstrekken, kan in het concrete geval een (rechts)verhouding tussen de overheid en burger ontstaan waarbinnen op de overheid wél een plicht tot correcte en volledige informatieverstrekking rust. Schending van die plicht kan leiden tot overheidsaansprakelijkheid op grond van een schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm.5 In paragraaf 2.4.4 heb ik opgemerkt dat de taak van de overheid om informatie te verstrekken onder andere voortvloeit uit de rechtsstatelijke gedachte dat gelet op de voor burgers onduidelijke en complexe wet- en regelgeving, de overheid de leemte in rechtszekerheid moet opvullen door daarover inlichtingen te geven. Die achtergrond geldt evenzeer voor inlichtingen die uiteindelijk onderwerp zijn van een civiele procedure. Indien sprake is van overheidsaansprakelijkheid, geeft dit tevens aan dat de overheid in een concreet geval niet aan haar rechtsstatelijke verplichtingen heeft voldaan.
3.5.1 Onjuiste informatie en onrechtmatige informatie3.5.2 Onrechtmatige informatie wegens een schending van een waarheidsplicht