Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.3
4.3 Toerekening van de overnemingswaarde van de onderneming aan de afzonderlijke activa
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345540:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 december 1968, nr. 16 035, BNB 1969/ 23.
Resolutie van den secretaris-generaal van het departement van Financiën d.d. 29 augustus 1941, no. 178, blz. 34-35.
GI.K. Meussen, Het begrip bedrijfswaarde: naar het Rijk der Fabelen?, Weekblad 1990/ 5938, 15 november 1990, blz. 1657.
J.C.M. van Sonderen, Afschrijven of waarderen op lagere bedrijfswaarde, Weekblad 1985/5692, 22 augustus 1985, blz. 981.
A.H.M. Daniëls, De waardering van bedrijfsmiddelen op bedrijfswaarde, FED 1986/225, blz. 4343.
De bedrijfswaarde is de waarde welke een verkrijger bij overneming van de gehele onderneming zou toekennen aan het afzonderlijke activum, indien hij zou uitgaan van de overnemingswaarde van het geheel en voornemens zou zijn de uitoefening van de onderneming voort te zetten. Zie in dit verband onder meer HR 7 december 1994, nr. 29 334 met conclusie A-G Van Soest, BNB 1995/88 met noot van G. Slot, FED 1995/68 met noot van Th.S. IJsselmuiden.
Sinds 1968 (om precies te zijn 18 december 19681) is duidelijk dat de Hoge Raad bij de toerekening van de overnemingswaarde (van de gehele onderneming) aan de afzonderlijke activa ervan uitgaat dat er géén restpost aan goodwill overblijft. Dit standpunt wijkt af van hetgeen in de Leidraad bij het Besluit op de Inkomstenbelasting 19412 dienaangaande is verwoord.
Ook doet zich het probleem voor hoe deze toerekening aan individuele activa moet plaatsvinden. Reeds in 1990 ben ik in een artikel in het Weekblad voor Fiscaal Recht3 op deze problematiek ingegaan en heb toen een en ander in een schema weergegeven. Na verwerking van (recente) ontwikkelingen in de jurisprudentie ziet er nu als volgt uit:
AFWAARDEREN OP LAGERE BEDRIJFSWAARDE
20 Zie tevens HR 24 april 1996, nr. 31 143 met conclusie plv. P-G Van Soest, BNB 1996/279 met noot van G. Slot. In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat de bedrijfswaarde van renteloze premieobligaties die in pakketten zullen worden verkocht, op balansdatum enigszins beneden de beurswaarde ligt.
21 Dat de DCF-methode langzamerhand ook zijn intrede doet in de Nederlandse fiscaliteit bewijst een recent door de Hoge Raad gewezen arrest. Ons hoogste rechtscollege stelde in een arrest van 3 april 1996, nr. 31 150, BNB 1996/181 aangaande de toepassing van art. 21, eerste lid succesiewet dat hij de waardering van de certificaten zowel de DCF-methode als ook de beurskoers van betekenis is. De DCF-methode is als waarderingsgrondslag eveneens opgenomen in de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.
Situaties van extra-afschrijving zijn niet in het schema opgenomen omdat in dergelijke gevallen sprake is van een fysiek gebrek in een materieel actief, hetgeen niets met de afwaardering van een activum op lagere bedrijfswaarde te maken heeft.
In feite kan de problematiek van de waardetoerekening van de gehele onderneming aan individuele activa gecomprimeerd worden tot de activa die complementair met elkaar verbonden zijn. Het toerekeningsprobleem valt in een aantal deelvragen uiteen:
Bestaat er een soort 'rating' wat betreft het belang van de diverse bedrijfsmiddelen voor de onderneming?
Zo ja, waarom is het ene bedrijfsmiddel belangrijker voor de onderneming dan het andere?
Dient de overnemingswaarde van de onderneming naar rato van de boekwaarden te worden verdeeld over de complementair verbonden activa of heeft elk actief een specifieke, individuele deelwaarde die desondanks afgeleid is van de overnemingswaarde van de gehele onderneming?
Hoe moet (in dit laatste geval) de specifieke, individuele deelwaarde worden bepaald?
Allereerst dient te worden opgemerkt dat deze vragen in de leer van de bedrijfshuishoudkunde (bedrijfseconomie) non-items zijn. De bedrijfseconomie ontkent dat het mogelijk is om bij complementair verbonden activa op individuele basis de bedrijfswaarde van een actief te bepalen. Zij kent alleen de waarde van het complex als geheel en activeert vervolgens uitsluitend de complementair met elkaar verbonden activa in één bedrag. Dit maakt de bedrijfswaardeproblematiek er niet makkelijker op.
Vele fiscalisten hebben zich in het recente verleden over het toerekeningsprobleem gebogen en zijn daarbij tot verschillende conclusies gekomen. Zo stelt Van Sonderen4: 'De toerekening van het totale resultaat aan de verschillende productiefactoren kan slechts met behulp van arbitrair gekozen verdeelsleutels plaatsvinden.'
Daniëls5 daarentegen wijst een pro rata verdeling van de overnemingswaarde van de onderneming af en neemt als uitgangspunt de 'waardering van het individuele activum, zich daarbij echter rekenschap gevend van de plaats van het activum binnen het totale ondernemingsvermogen'.
In feite proberen allen een antwoord te vinden op de alles overheersende vraag: Dient bij de vaststelling van de bedrijfswaarde de overnemingswaarde van de gehele onderneming tot uitgangspunt te worden gekozen of behoort meteen de (bedrijfs)waarde van een individueel actief te worden bepaald waarbij voormelde overnemingswaarde geheel terzijde wordt gesteld?
Indien deze laatste vraag positief beantwoord zou worden zou het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt inzake de overnemingswaarde van de onderneming6 geheel en al worden verlaten. Dit lijkt in strijd met de visie van ons hoogste rechtscollege aangaande het begrip bedrijfswaarde. Aan de andere kant: noch de Hoge Raad noch enig ander rechterlijk college heeft ooit antwoord gegeven op de vraag hoe de bedrijfswaarde van een afzonderlijk activum in concreto berekend zou moeten worden. Aan het beginsel dat de overnemingswaarde van de onderneming het uitgangspunt is bij een berekening van de bedrijfswaarde van een individueel activum heeft de Hoge Raad overigens zelf al afbreuk gedaan gezien de hierna onder paragraaf 4.17 e.v. opgenomen jurisprudentie. Volgens ons hoogste rechtscollege kan onder zeer specifieke omstandigheden de bedrijfswaarde gelijkgesteld worden met de directe opbrengstwaarde.
Overwogen zou kunnen worden om (nadat de waarde van vorderingen, voorraden, overlopende activa, financiële activa en passiva is bepaald en op de overnemingswaarde van de gehele onderneming in mindering is gebracht) de resterende bedrijfswaarde pro rata naar de boekwaarde over de diverse bedrijfsmiddelen te verdelen. Deze wijze van toerekening heeft niet de pretentie de realiteit te benaderen doch is puur ingegeven uit pragmatische overwegingen. Gevolg hiervan is wel dat de vaststelling van de bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel in sterke mate afhankelijk wordt van het te dien aanzien in het verleden gevoerde regime van normale dan wel willekeurige afschrijving. Impliciet wordt daarmee aangegeven dat er tussen de bedrijfsmiddelen onderling geen rangorde bestaat en elk bedrijfsmiddel een even grote bijdrage aan het resultaat van de onderneming levert. Een dergelijke benadering dient derhalve te worden afgewezen.