De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/446:446 Afsluitende opmerkingen
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/446
446 Afsluitende opmerkingen
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370237:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De ferme uitspraak in Rogers v. Hill over de bezoldiging van bestuurders deed het ondernemingsrechtelijke landschap in de Verenigde Staten op zijn grondvesten trillen. Aandeelhouders grepen deze uitspraak aan om de door de crisis bekend geworden aanzienlijke beloningen van bestuurders ter beoordeling voor te leggen aan de rechter. De hooggespannen verwachtingen vervlogen echter niet snel daarna. Naarmate de rechters steeds dichterbij het vraagstuk van de bezoldiging van bestuurders komen, is een duidelijke terugtrekkende beweging zichtbaar van de rechterlijke macht om in te grijpen. Rechtbanken hebben van oudsher een aversie tegen het beoordelen van ondernemingsbeslissingen. Daarnaast twijfelen rechters aan hun eigen capaciteit om vast te stellen wat gekwalificeerd dient te worden als een ‘redelijke bezoldiging’ en ontbreekt het rechters aan een hanteerbare maatstaf waarmee zij in staat worden gesteld een dergelijke redelijke bezoldiging vast te stellen.1 Het domein van de rechter heeft te maken met de vraag of gehandeld is binnen de (bevoegdheids)grenzen van het recht. Een beoordeling van de redelijkheid van de bezoldiging valt daar in beginsel buiten.2
Naast deze ‘interne’ redenen zorgen externe veranderingen er tevens voor dat rechtbanken zich minder genoodzaakt voelen om in te grijpen. De oprichting van de Securities and Exchange Commission en de invoering van de Securties Act zorgen voor openbaarmakingsverplichtingen, waardoor de bezoldiging van bestuurders minder gemakkelijk van de radar zou kunnen verdwijnen. Daarnaast is het einde van de crisis in zicht en klimmen de Verenigde Staten langzaam uit het dal. Hierdoor neemt het vertrouwen in de grote ondernemingen weer toe en de behoefte om de beslissingen van bestuurders onder de loep te nemen, af.
De ontwikkeling binnen de rechtspraak in de Verenigde Staten in de jaren ’30 is exemplarisch voor de positie van de rechter bij het beoordelen van bezoldigingsvraagstukken binnen het vennootschapsrecht. Het ontbreekt veelal niet aan de wil om in te grijpen, maar aan een juiste juridische maatstaf. Een excessieve bezoldiging is wellicht onwenselijk, maar daarmee nog niet onrechtmatig. Daar komt bij dat ook de maatstaf ‘redelijkheid’ bij bezoldigingsvraagstukken veelal onbruikbaar is. De verschillende functies van bezoldiging zorgen voor een scala aan rechtvaardigingsgronden die kunnen worden ingezet om te bepleiten dat de bezoldiging redelijk is. Hierdoor kan een bezoldiging weliswaar onredelijk zijn vanuit het ene gezichtspunt, maar is deze redelijk vanuit het andere. Partijen hebben de vrijheid zelf te bepalen welk gezichtspunt leidend is bij het vaststellen van de bezoldiging. Het is niet aan de rechter daar achteraf anders over te oordelen.
De ruimte voor de rechter bij het beoordelen van de bezoldiging van bestuurders is in beginsel dan ook beperkt tot de totstandkoming ervan. Is de bezoldiging te goeder trouw en conform de bevoegdheidsregels vastgesteld, dan zal de overeenkomst in beginsel moeten worden nagekomen. Voor aanpassing achteraf is weinig ruimte. Hierdoor is de corrigerende rol van de rechterlijke macht binnen het bezoldigingsvraagstuk marginaal.