Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.5.2
3.5.2 De dagvaardingsprocedure; art. 2 Rv
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS437962:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 27 (MvT).
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 18 (MvT).
Vzngr. Rb. Utrecht 1 april 2004, NJF 2004, 372.
Rb. Haarlem 28 april 2004, /V/PR 2004, 348. Vergelijkbare slordigheden zijn te vinden in Rb. Arnhem 24 september 2003, NIPR 2004, 367; Rb. 's-Gravenhage 7 september 2005, NIPR 2006, 57; L. Lennarts, 'Multinationals en asbestclaims: over forum non conveniens, zorgplichten, 'double standards' en 'soft law', in: E. Gepken-Jager & H. Schutte-Veenstra (red.), LT (Timmerman-bundel), Kluwer: Deventer 2003, p. 179, noot 8.
Zie bijv. Rb. Arnhem 1 december 2004, NIPR 2005, 161; Rb. Rotterdam 5 april 2006, NIPR 2006, 152; Rb. Rotterdam 10 mei 2006, LJN AX2190.
Vgl. voor art. 6 sub 1 EEX-Verdrag: HvJ EG 27 september 1988, zaak 189/87, Jur. 1988, p. 5565, NJ 1990, 425 (ICS), Kalfélis/Schrikler.
Zie bijv. Vzngr. Rb. Utrecht 1 april 2004, NJF 2004, 372.
D. Kokkini-Iatridou & K. Boele-Woelki, NIPR 1993, p. 332.
Art. 9 sub b Rv is van toepassing zowel in dagvaardings- als verzoekschriftzaken.
Zie uitgebreid hoofdstuk 5 (i.h.b. par. 5.6. e.v.).
R.W. Bax, 'Forum non conveniens in het Engelse en het Nederlandse recht', in: Bijzonder nummer: Anglo-Amerikaans recht, AA 1998, p. 112.
HvJ EG 1 maart 2005, C-281/02, Jur. 2005, p. 1-1383, Owusu/Jack,son. Zie hoofdstuk 7.
Art. 2 Rv geeft de hoofdregel voor de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter in zaken die met een dagvaarding moeten worden ingeleid. Deze hoofdregel is alleen van toepassing op dagvaardingszaken in de zin van Titel 2Boek 1 Rv.1 Volgens art. 2 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft (forum rei). Onder 'oud' procesrecht was dezelfde rechtsmachtgrond via de regel 'distributie bepaalt attributie' te vinden in art. 126 lid 1 Rv oud. Het in Rv gehanteerde begrip gedaagde omvat volgens de Memorie van Toelichting in beginsel tevens diens gemachtigde of procureur.2 Dit geldt mijns inziens echter niet voor art. 2 Rv, zodat het stellen van een procureur in Nederland door een in het buitenland wonende gedaagde nog geen rechtsmacht schept voor de Nederlandse rechter.
Het forum rei is een algemeen aanvaarde bevoegdheidsgrond die als hoofdregel ook voorkomt in art. 2 EEX-Vo. Indien de gedaagde in een burgerlijke en handelszaak woonplaats heeft in Nederland, komt de Nederlandse rechter reeds rechtsmacht toe op grond van art. 2 EEX-Vo. Het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht speelt dan verder geen rol meer. Art. 2 Rv is slechts van belang als het geschil buiten het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening en eventueel andere toepasselijke internationale instrumenten valt. Een zeer merkwaardige bevoegdheidsgrondslag is te vinden in Rb. ' s-Gravenhage 30 oktober 2002, NIPR 2003, 32. Volgens de rechtbank heeft de Nederlandse rechter in het voorliggende geval rechtsmacht op grond van art. 2 EEX-Verdrag in samenhang met art. 3 en 4 EEX-Vo in samenhang met art. 2 Rv! De waarschuwing van art. 1 Rv is de rechtbank kennelijk ontgaan. Dit geldt ook voor Rb. Amsterdam 4 februari 2004, bekrachtigd door Hof Amsterdam 17 februari 2005, NIPR 2005, 261 en Rb. ' s-Gravenhage 2 juli 2003, NIPR 2004, 27, waarin de rechtsmacht op art. 2 Rv in plaats van art. 2 EEX-Vo wordt gebaseerd. Ook is onjuist om de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te baseren op 'artikel 2 Rv en artikel 2 EVEX',3 of 'art. 2 van de EEX-verordening juncto art. 2 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv)' .4
Indien de Nederlandse rechter in een dagvaardingsprocedure rechtsmacht heeft op grond van art. 2 Rv, kan hij niet van de uitoefening van zijn bevoegdheid afzien op de grond dat de zaak onvoldoende binding met Nederland heeft dan wel de zaak beter behandeld kan worden door een buitenlands gerecht. De toepassing van forum non conveniens is uitgesloten. Dat geldt ook als de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in een dagvaardingsprocedure volgt uit art. 6 of 7 Rv. Art. 7 lid 1 Rv bepaalt dat indien de Nederlandse rechter in een dagvaardingsprocedure bevoegd is ten aanzien van een der gedaagden, hij tevens rechtsmacht heeft over de andere in hetzelfde geding betrokken gedaagden.5 Als voorwaarde geldt dat tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen (vgl. art. 6 sub 1 EEX-Vo).6 Volgens art. 7 lid 2 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht met betrekking tot een vordering in reconventie, een vordering tot vrijwaring, voeging of tussenkomst, mits tussen deze vorderingen en de oorspronkelijke vordering een voldoende samenhang bestaat (vgl. art. 6 sub 2 EEX-Vo).7 Nu het forum non conveniens in dagvaardingszaken niet voor toepassing in aanmerking komt, is het verwarrend om de in art. 7 leden 1 en 2 Rv gestelde eis van samenhang te kwalificeren als een speciale forum non conveniens-regel.8
In de praktijk komt het nog wel eens voor dat de gedaagde zich in een dagvaardingsprocedure voor de Nederlandse rechter beroept op forum non conveniens. Dat is bijvoorbeeld het geval in Rb. Arnhem 20 augustus 2003, NIPR 2003, 290. In deze zaak vordert de curator de gedaagde onder andere te veroordelen tot afgifte aan hem van alle goederen waarop hij aanspraak heeft gemaakt dan wel kan maken ter zake van de nalatenschap van zijn overleden moeder. De gedaagde — de zoon van de overleden vrouw — stelt zich op het standpunt dat de rechtbank onbevoegd is van het geschil kennis te nemen, daartoe aanvoerende dat 'naar Oostenrijks recht en ook naar IPR het recht van de erflater het toepasselijke recht beheerst in de procedure tot verkrijging van een gerechtelijke voorziening met betrekking tot een in Oostenrijk opengevallen nalatenschap.' Verder stelt hij dat 'de aard van de verzochte voorzieningen, behalve dat [hij] in Nederland woont, geen rechtsrelatie tot Nederland heeft.' Ten slotte meent hij dat `[E]en eventueel in Nederland verkregen vonnis met betrekking tot die nalatenschap (...) niet in Oostenrijk ten uitvoer [kan] worden gelegd.' Gezien de Nederlandse woonplaats van de gedaagde verklaart de rechtbank zich bevoegd op grond van art. 2 Rv, en slaat zij terecht geen acht op het forum non conveniens-verweer.
In dagvaardingszaken wordt een forum non conveniens-correctie niet nodig geacht, omdat de gronden voor de commune rechtsmacht in de regel een voldoende band tussen het geschil en de Nederlandse rechtssfeer verzekeren. De binding met Nederland bestaat dan bijvoorbeeld in de woonplaats of de gewone verblijfplaats van de gedaagde (art. 2 Rv), de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis (art. 6 sub a, art. 6a Rv) of de plaats van het schadebrengende feit (art. 6 sub e Rv). Niet alle bevoegdheidsregels uit het Nederlandse commune recht staan echter in voor een voldoende band met Nederland. Neem bijvoorbeeld de werkelijke verblijfplaats van de gedaagde.
Heeft een natuurlijke persoon nergens ter wereld woonstede, dan is de enkele aanwezigheid van de gedaagde in Nederland op grond van art. 2 Rv competentiescheppend. Een ander voorbeeld is het forum necessitatis van art. 9 sub b Rv.9 Op grond van deze bepaling verklaart de Nederlandse rechter zich als een noodforum bevoegd, indien een gerechtelijke procedure in het buitenland onmogelijk blijkt. Er wordt geen enkele binding tussen de zaak en de Nederlandse rechtssfeer vereist.10 Desondanks is de uitoefening van rechtsmacht in deze uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd: in het eerste geval ligt de rechtvaardiging in het gegeven dat de gedaagde nergens anders ter wereld woonstede heeft, en in het tweede geval in de onmogelijkheid voor de eiser om in het buitenland te procederen. Een forum non conveniens-correctie wordt voor deze gevallen dan ook niet gemist.
In de literatuur is wel eens opgemerkt dat het systeem zonder een forum non conveniens-discretie 'star' en `onflexiber iS.11 Deze opvatting gaat er echter aan voorbij dat de Nederlandse, en meer in het algemeen de Europees continentale rechtstraditie er een is waarin aan de rechter bij het afbakenen van zijn rechtsmacht — met name in vermogensrechtelijke zaken — geen of slechts een geringe beoordelingsvrijheid wordt gelaten. Een ruime discretie in de vorm van een forum non conveniens-toets past hierin niet. Het HvJ EG heeft zulks onlangs voor het EEX-Verdrag bevestigd.12 Het Hof benadrukt dat het het beginsel van rechtszekerheid hoog in het vaandel heeft staan, en dat zelfs maar de geringste aantasting niet wordt geduld. Naar mijn mening mag dit arrest geen uitstralingseffect worden onthouden op het Nederlandse commune recht met betrekking tot vermogensrechtelijke zaken, te meer nu bepaalde bevoegdheidsgronden uit het commune recht zijn ontleend aan het EEX-Verdrag en de EEXVerordening. Het beginsel van rechtszekerheid brengt met zich mee dat de formeel bevoegde Nederlandse rechter zijn rechtsmacht ook daadwerkelijk uitoefent.