Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.4:7.4 “daartoe”- de congruentie-eis
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.4
7.4 “daartoe”- de congruentie-eis
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692096:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nuninga 2018. In zijn proefschrift noemt hij het de overeenstemmingseis, Nuninga 2022, p. 50 e.v.
HR 27 april 1962, ECLI:NL:HR:1962:121, NJ 1962/254, m.nt. J.H. Beekhuis (Holst/Philips).
HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5238, NJ 2006/55, m.nt. Ch. Gielen.
Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/21 en 35. Hier is ook wel anders over gedacht. Ik verwijs naar de discussie die door Boonekamp is weergegeven. Zie ook Nuninga 2018, p. 159 en Nuninga 2022, p. 42.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
365. Art. 3:296 BW bepaalt dat hij die jegens een ander gehouden is iets te geven, te doen of na te laten ‘daartoe’ wordt veroordeeld door de rechter. Het woord ‘daartoe’ brengt tot uitdrukking dat er een verband moet bestaan tussen het bevel of verbod en de onderliggende rechtsplicht. Nuninga spreekt in dit verband van de congruentie-eis.1
366. De tekst van art. 3:296 en deze congruentie-eis brengt mee dat rechtmatig gedrag niet kan worden verboden en dat alleen een bevel kan worden gegeven dat aansluit bij een rechtsplicht. Als er, met andere woorden, niet een rechtsplicht bestaat om iets te doen, kan een partij ook niet worden bevolen om dat wel te doen. En als bepaald gedrag niet onrechtmatig is, kan een partij niet worden verboden dat gedrag te vertonen.2 Uit het woord ‘daartoe’ volgt dan ook dat het rechterlijk bevel of verbod geen nieuwe verplichtingen in het leven kan roepen. Een rechterlijk bevel of verbod bevestigt slechts waartoe een partij gehouden is of wat hij niet mag doen.
367. Deze congruentie-eis geldt ook in kort geding, ook als moet worden aangenomen dat art. 3:296 BW in kort geding niet van toepassing is.3 De voorzieningenrechter heeft weliswaar grote vrijheid om belangen van partijen af te wegen, maar een veroordeling die louter is gebaseerd op een belangenafweging, is niet toegestaan.4 Een andere conclusie zou betekenen dat een voorzieningenrechter partijen tot iets kan veroordelen waartoe zij rechtens niet gehouden zijn. Dat past niet in een rechtstaat waarin mensen hun gedrag door rechtsregels laten beïnvloeden.
368. Ik ga bij de bespreking van de rol van de rechter in paragrafen 10.3.5 en 10.4.4 nader in op de betekenis van de congruentie-eis en ook op de vrijheid die de rechter heeft om op te treden in gevallen waarin bepaald gedrag pas door een zekere stelselmatigheid onrechtmatig wordt.