Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/4.2
4.2 Bevoegdhedenovereenkomsten
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685435:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bevoegdhedenovereenkomsten zien niet per definitie op appellabele besluiten. Gelet op de in par. 1.3 genoemde redenen, beperk ik mij tot bevoegdhedenovereenkomsten waarvan het daaropvolgende besluit in de bestuursrechtelijke kolom moet worden beoordeeld.
Zie bijv. ABRvS 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9573, AB 2012/287, waarin de Afdeling overweegt dat een bevoegdhedenovereenkomst niet een rechtens afdwingbare resultaatsverplichting kan inhouden. Inspanningsverplichtingen kunnen wel leiden tot aansprakelijkheid, zie o.a. Huisman 2013 en De Snoo 2015.
M.W. Scheltema 2006, p. 132 wijst erop dat het voor een overheid voordelig kan zijn een vordering tot nakoming te kunnen instellen.
Van Ommeren & Huisman 2019, par. 12.9.3. Op grond van afd. 6.4 Wro kan kostenverhaal zowel publiek- als privaatrechtelijk plaatsvinden. De overeenkomst daartoe kan worden opgesteld vóór het exploitatieplan (een anterieure overeenkomst, art. 6.24 lid 1 Wro) en na het exploitatieplan (posterieure overeenkomst). Het nadeel van die laatste overeenkomst is dat minder contractsvrijheid bestaat omdat die overeenkomst niet mag afwijken van het exploitatieplan.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 12 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:10974, BR 2018/42. Wel beoordelen rechters streng in hoeverre het bestuursorgaan zich voldoende heeft ingespannen. Zie bijv. Rb. Gelderland 27 februari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:1256, BR 2014/83 (welke zaak overigens niet over planologie gaat) en Hof Arnhem 27 december 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AY5418.
Jurgens 2011a. Naast het oordeel dat sprake is van een doorkruising van publiekrechtelijke bevoegdheden zoals geformuleerd in het Windmill-arrest, kan de civiele rechter ook oordelen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW) of een schending van geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht bij de uitoefening van privaatrechtelijke bevoegdheden (art. 3:14 BW).
Zie over de term ‘beslissingsruimte’ het Jaarverslag 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, p. 61.
In tegenstelling tot de fiscale bevoegdhedenovereenkomst waarbij geen derdebelangen spelen en het bestuur relatief snel gebonden is in de uitoefening van zijn bevoegdheden.
Anders: Scheltema & Scheltema 2013 die de bevoegdhedenovereenkomst als een meerzijdige publiekrechtelijke overeenkomst kwalificeren, zie bijv. p. 219.
Zie het betoog van Van Ommeren 2019: de publiekrechtelijke rechtspersonen zouden vanwege hun taken en structuur onder de Awb moeten vallen.
HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:483, NJ 2017/156, AB 2017/339 (Bouwers met visie/Bladel).
HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:483, NJ 2017/156, AB 2017/339, rov. 3.5.2. Kritisch hierover Van Ommeren 2018, onder par. 3.
HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:483, NJ 2017/156, AB 2017/339, rov. 3.5.2. Zie over de contractspartij van de zijde van de overheid Huisman & Van Ommeren 2019, p. 630-632.
Zie bijv. Scheltema & Scheltema 2013, p. 219.
HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AN5655, NJ 1998/588, AB 1998/241 (Alkemade/Hornkamp) en HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2848, NJ 2003/485, AB 2003/354 (Nunspeet/Mulder). Voor het bestuursrecht zie bijv. ABRvS 8 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ9924, AB 2004/458 (Geluidsscherm Princeville) en ABRvS 20 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4511. Zie ook Asser/Sieburgh 6-III 2018/346.
HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3057, NJ 2011/463, AB 2011/298 (Etam/Zoetermeer) waarin de Hoge Raad het gemengde karakter van een bevoegdhedenovereenkomst en de daarbij behorende bevoegdheidsverdeling uitgebreid behandelt. De Hoge Raad overweegt dat de overeenkomst zelf civielrechtelijk van aard is en voor vorderingen op grond van de overeenkomst moet de burger dan ook bij de civiele rechter zijn. Scheltema & Scheltema 2013, p. 209 e.v. plaatsen de bevoegdhedenovereenkomst volledig in een publiekrechtelijk kader. Anders: De Groot in BR 2011/190: “Bevoegdhedenovereenkomsten worden in beginsel beheerst door het privaatrecht en dit recht wijkt louter (voor het bestuursrecht) indien en voor zover het besluitkarakter van een appellabel besluit aan onverkorte werking van het privaatrecht in de weg staat.” In de rechtsliteratuur is veel geschreven over de vraag of en hoe de bevoegdhedenovereenkomst een neerslag moet vinden in de Awb, zie bijv. Van Ommeren 2011; Huisman 2012, hoofdstuk 19 en Commissie Europeanisering algemeen bestuursrecht 2021, hoofdstuk 5.
Van Ommeren & Huisman 2019, p. 628.
De bevoegdhedenovereenkomsten die ik analyseer, zien voornamelijk op bepalingen in overeenkomsten waarin een overheidslichaam belooft zich via het aanwenden van publiekrechtelijke discretionaire bevoegdheden in te spannen om appellabele (planologische) besluiten te nemen.1 De gebruikelijke afspraak in een bevoegdhedenovereenkomst betreft dus een inspanningsverplichting, en niet een resultaatsverplichting.2 Aan een dergelijke overeenkomst – meer specifiek de daarin vastgelegde belofte tot inspanning bepaalde besluitvorming tot stand te brengen om bijvoorbeeld een project mogelijk te maken – kan in dat geval geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend ten aanzien van een bepaald eindresultaat.
De reden om een dergelijke overeenkomst aan te gaan, kan voor een private partij bestaan uit de zekerheid vooraf dat de contracterende overheid (vaak: een gemeente) zich zal inspannen om tot het gewenste planologische resultaat te komen. Voor die partij bestaat dan zekerheid over de publiekrechtelijke samenwerking. Ook voor overheden kan contracteren wenselijk zijn: zij kunnen een tegenprestatie bedingen.3 Zo kan een overheid bepalingen toevoegen waardoor zij meer grip kan houden op het verloop van de ontwikkelingen, zoals een tijdspad, al dan niet voorzien van contractuele boetes. Gemeenten willen bij grote ontwikkelingsprojecten bijvoorbeeld de grondexploitatiekosten (zoals het aanleggen van straten) verhalen. Als een gemeente eigenaar is van de uit te geven grond, kan zij die kosten verdisconteren in de uitgifteprijs. Indien een gemeente geen eigenaar is, moet kostenverhaal plaatsvinden via overeenkomsten.4
In een bevoegdhedenovereenkomst staat meestal dat de gemaakte afspraken niet afdoen aan de ‘publiekrechtelijke verantwoordelijkheid’ van (meestal) de gemeente.5 Concreet betekent dit dat een gemeente (althans: haar bestuursorganen) altijd het algemeen belang – bijvoorbeeld een goede ruimtelijke ordening – in ogenschouw moet nemen en te zijner tijd de wettelijke besluitvormingsprocedures correct moet doorlopen. De overeenkomst mag niet in strijd zijn met het recht (artikel 3:40 BW), bestuursorganen kunnen alleen afspraken maken over hun eigen bevoegdheden en er mag geen doorkruising van het publiekrecht plaatsvinden.6
Bij de uitvoering van bevoegdhedenovereenkomsten is vaak sprake van uitoefening van bevoegdheden waarbij een bestuursorgaan (veelal de gemeenteraad of het college van B&W) beslissingsruimte7 heeft.8 De uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden in de vorm van planologische besluitvorming vindt dan plaats enige tijd na het sluiten van de overeenkomst.
Bij de uitvoering van een bevoegdhedenovereenkomst is een overheidslichaam onderworpen aan zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke regels. Via artikel 3:1 lid 2 Awb en artikel 3:14 BW gelden bij privaatrechtelijke (rechts)handelingen van de overheid tevens publiekrechtelijke normen.9 In het bijzonder valt te denken aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
In de praktijk is het zo dat de gemeente als rechtspersoon een overeenkomst sluit met een projectontwikkelaar, waarin wordt vastgelegd dat ‘de gemeente’ zich zal inspannen om het door partijen gewenste besluit te (doen) vaststellen. Het is de rechtspersoon die contractspartij is, maar het bestuursorgaan dat de voornaamste uitvoeringsmaatregelen (namelijk: het nemen van publiekrechtelijke besluiten) zal moeten treffen.10
In de literatuur bestaan verschillende opvattingen over wie bij een bevoegdhedenovereenkomst het rechtssubject is van de zijde van de overheid. Het ene kamp vindt dat dit de overheid als rechtspersoon is en het andere kamp stelt dat ook bestuursorganen contractspartij kunnen zijn. In zijn arrest van 24 maart 201711 past de Hoge Raad een soepele benadering toe en overweegt hij dat bij een bevoegdhedenovereenkomst ‘een bestuursorgaan, of het overheidslichaam waartoe dat orgaan behoort, zich bindt met betrekking tot de uitoefening van hem toekomende publiekrechtelijke bevoegdheden’12 en dat een dergelijke overeenkomst ‘door een bestuursorgaan of een overheidslichaam’ kan worden aangegaan.13
De meningen zijn ook verdeeld over de kwestie of een bevoegdhedenovereenkomst voornamelijk een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke rechtshandeling behelst.14 De burgerlijke rechter behandelt bevoegdhedenovereenkomsten als gewone overeenkomsten en kwalificeert de overeenkomst als een privaatrechtelijke rechtshandeling15 met een privaatrechtelijk en bestuursrechtelijk karakter.16 De overeenkomst zelf is privaatrechtelijk van aard, terwijl de uitvoering in de vorm van appellabele besluiten publiekrechtelijk is en bij de bestuursrechter aan de orde moet worden gesteld.17 Zowel de bestuursrechter als de civiele rechter heeft dan ook een rol bij de beslechting van geschillen over bevoegdhedenovereenkomsten.