Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/4.4
4.4 Inlichtingen
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685320:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie De Kok 2003; Scheltema & Scheltema 2013, p. 410-417 en Rb. ’s-Gravenhage 2 juli 2003, JB 2003/278, rov. 3.6: “Het geven van (overheids)voorlichting betreft een feitelijk optreden. Het verrichten van publiekrechtelijke rechtshandelingen respectievelijk de vraag of het bestuursorgaan tot het verrichten daarvan rechtens bevoegd is, is daarbij niet aan de orde.” Schlössels & Zijlstra 2017a, p. 210 spreken van ‘louter informatieve mededelingen’ die niet zijn gericht op rechtsgevolg. Zie ook Pront-van Bommel 2006, onder 1.
Par. 2.4.4.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2014, p. 318 en Damen e.a. 2013, p. 426-427. Barendrecht e.a. 2002, p. 31 en 36 schrijven over individuele inlichtingen en algemene voorlichting. Roozendaal 2008 beschouwt inlichtingen als het verstrekken van informatie voor de overdracht van kennis, terwijl er bij toezeggingen vooral sprake is van actieve prestaties van de overheid. De Vries 1998 heeft het op p. 147 over ‘een uitgesproken intentie van de overheid, vervat in algemene bewoordingen en gericht tot een groot publiek’.
Scheltema & Scheltema 2013, p. 410.
Pront-van Bommel 2006, onder 2. Zie ook ABRvS 18 januari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AU9806, rov. 2.5.1: informatieverstrekking is in zijn algemeenheid afhankelijk van en geschiedt naar aanleiding van hetgeen een belanghebbende zelf heeft aangegeven.
Dit onderscheid wordt vooral in de literatuur gemaakt, zie bijv. Barendrecht e.a. 2002, par. 3.2.
Ik zal betogen dat de bestuursrechter dezelfde vraag moet stellen, hoofdstuk 11.
Par. 3.5 en hoofdstuk 9. Uit hoofdstuk 7 volgt dat die aanpak tevens afwijkt van het fiscale recht
Par. 2.4.4.
Par. 6.2 en hoofdstuk 11.
Menu 1994, p. 13. Hij verwijst naar M. Scheltema 1975 die schrijft dat de overheid pas een toezegging doet nadat zij alle voor- en nadelen van haar toekomstig handelen tegen elkaar heeft afgewogen. Hij merkt op dat het sterke onderscheid tussen toezeggingen en inlichtingen vooral in de fiscale rechtspraak wordt gemaakt, en minder in de overige bestuursrechtspraak. Het verschil tussen de uitlatingen wordt vaak geplaatst in een wetenschapsverklaring (inlichting) versus een wilsverklaring (toezegging). Zie ook de conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:896, onder 3.5 die schrijft dat een burger ‘geen voorlichting, maar rechtszekerheid’ wil. Schueler 1987 zoekt het verschil in het beogen van rechtsgevolg: met een toezegging is dat rechtsgevolg beoogd, terwijl dat voor een mededeling niet geldt.
Kobussen 1991, p. 261-262.
ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1946, AB 2017/425.
ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1946, AB 2017/425, rov. 6.3.
Zie bijv. tevens Rb. Midden-Nederland 25 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1579, waarin aan belanghebbende is ‘meegedeeld dat de antenne-installatie vergunningsvrij zou zijn als deze niet hoger dan 5 meter is’. Dit wordt vervolgens in rov. 13 aangeduid als een toezegging.
Informatieverstrekking, het overdragen van kennis door het verschaffen van inlichtingen, betreft feitelijk handelen van de overheid dat niet is gericht op enig rechtsgevolg.1 Inlichtingen zijn noch in de bestuursrechtelijke noch in de civiele rechtspraak gedefinieerd, maar wel in de literatuur beschreven. Dit onderzoek ziet niet op inlichtingen die zijn verstrekt in een (pre)contractuele context of voortvloeien uit wettelijke of verdragsrechtelijke verplichtingen, maar op de bijzondere verplichtingen die kunnen gelden voor een overheid indien zij in haar positie van overheid – meer in het bijzonder uit haar informatieve en dienstverlenende functie – een burger inlicht over het geldend recht. Zoals eerder opgemerkt, is dit niet een service of gunst van de overheid, maar een rechtsstatelijke verplichting.2 Die verplichting is weliswaar niet afdwingbaar, maar kan wel in een concreet geval leiden tot overheidsaansprakelijkheid.
Inlichtingen kunnen de vorm aannemen van algemene inlichtingen (ook wel ‘voorlichting’) als wel meer individuele inlichtingen, bedoeld voor een kleinere groep betrokkenen.3
Een individuele inlichting kan worden gekarakteriseerd als gerichte informatie. Gerichte informatie is specifieke informatie – eventueel naar aanleiding van een concreet verzoek – en is bedoeld voor bepaalde (groepen van) individuele burgers.4 Denk aan informatie die een burger verkrijgt naar aanleiding van een gesprek met een ambtenaar over de mogelijkheden tot bebouwing op zijn perceel of een mededeling van de overheid aan een duidelijk omlijnde groep, bijvoorbeeld aanvragers van een specifieke subsidie.
Algemene inlichtingen, ook wel voorlichting, kunnen worden aangemerkt als ongerichte informatie. Bij ongerichte informatie is geen duidelijk afgebakende doelgroep van ontvangers: sprake is van informatieverstrekking ten behoeve van iedere burger of van een grote groep. Die informatie is meestal dusdanig algemeen, dat een burger op grond daarvan niet volledig zijn rechtspositie kan inschatten en daar dus niet, noch in het bestuursrecht noch in het civiele recht, snel gerechtvaardigd op kan vertrouwen in die zin dat hij zijn handelen daarop kan afstemmen.5
Het voornaamste verschil tussen gerichte en ongerichte informatie6 is dat gerichte informatie van de overheid aan burgers gewoonlijk informatie betreft die wordt gebruikt in aan de overheid kenbare specifieke situaties. Bij ongerichte informatie bezit de overheid – gezien de grote doelgroep en de mogelijke diversiteit binnen de doelgroep – die kennis in principe niet.
De termen gerichte en ongerichte informatie zijn mijns inziens slechts (niet doorslaggevende) indicaties om eventuele onrechtmatigheid vast te stellen. De kernvraag van overheidsaansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking is of sprake is van een op de overheid rustende waarheidsplicht als gevolg waarvan een burger gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de aan hem verstrekte informatie.7 Bij ongerichte oftewel algemene informatie is daarvan niet snel sprake. Omdat de literatuur dit onderscheid veelvuldig maakt, en de rechtspraak ook regelmatig aan dit onderscheid refereert, zijn deze kwalificaties van de aard van de informatie wel relevant om te noemen in een onderzoek naar overheidsaansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking. Het zijn namelijk in algemene zin wel ondersteunende termen om de ‘gerechtvaardigdheid’ van vertrouwen in te kleuren.
Het bestuursrecht heeft – mijns inziens ten onrechte – een ongemakkelijke verhouding tot inlichtingen, in die zin dat onjuiste inlichtingen zelden leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel en geen duidelijk toetsingskader voor specifiek inlichtingen is ontwikkeld. Dit strookt niet met de aanpak van de civiele rechter, waar een systematisch kader is ontwikkeld voor de beantwoording van de vraag in welke situaties onjuiste inlichtingen leiden tot een schadevergoedingsplicht van de overheid.8 Dit heeft een onwenselijke discrepantie tussen de civiele rechter en de bestuursrechter tot gevolg, zeker nu informatieverstrekking in beide rechtsgebieden op dezelfde wijze plaatsvindt en zich afspeelt tegen de achtergrond van het rechtsstatelijk belang dat is gelegen in informatieverstrekking door de overheid.9 Vanuit het burgerperspectief, waarbij een burger niet weet of hij informatie ontvangt die uiteindelijk in de bestuursrechtelijke of civielrechtelijke kolom aan de orde moet worden gesteld, is dit onwenselijk.10
De in paragraaf 4.3 opgenomen uitleg van een toezegging roept de vraag op hoe een toezegging zich verhoudt tot een inlichting. Het onderscheid tussen toezeggingen en inlichtingen wordt vaak gezocht in de voorafgaande belangenafweging die een overheid bij toezeggingen maakt, maar die ontbreekt bij inlichtingen.11 Inlichtingen zien niet noodzakelijkerwijs op een bepaalde aanwending van (bestuursrechtelijke) bevoegdheden, maar zijn louter gericht op kennisoverdracht aan een burger, een burger ‘rechtszeker’ maken.12
Ter illustratie van dit onderscheid wijs ik op de Afdelingsuitspraak van de Overbetuwse paardenbak13 waarin het college van B&W van Overbetuwe een last onder dwangsom heeft opgelegd tot (onder andere) verwijdering van een paardenbak vanwege het ontbreken van de benodigde omgevingsvergunning. Appellant bracht naar voren dat het college niet in redelijkheid gebruik kon maken van zijn handhavingsbevoegdheid omdat hem was toegezegd dat niet handhavend zou worden opgetreden tegen het ontbreken van de omgevingsvergunning voor (de realisering van) de paardenbak. De toezegging staat in een brief van het college, met daarin een gespreksverslag van 30 september 1998 tussen twee ambtenaren en appellant. Op 11 september 1998 had het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op het gemeentehuis, vlak nadat appellant zijn paardenbak had aangelegd. In de uitnodigingsbrief merkt het college op dat de paardenbak in strijd is met het bestemmingsplan. Hoewel het college handhavend kan optreden, wil het eerst proberen ‘in overleg samen tot een oplossing [te] komen’. In het gespreksverslag van 30 september 1998 is vervolgens te lezen dat ‘[h]et hebben van een (paardrij)bak niet vergunningsplichtig [is]’. De Afdeling overweegt dat de door de ambtenaren gedane mededeling over de vergunningsplichtigheid van de paardrijbak een toezegging is.14
Het is voor mij niet direct duidelijk hoe op grond van de rechtspraak en literatuur bovenstaande overheidsuitlating dient te worden gekwalificeerd. De uitlating over de vergunningsplicht kan mijns inziens namelijk deels als toezegging en deels als inlichting worden aangemerkt. Dat het hebben van een paardrijbak (in algemene zin, dus niet per se ziend op deze paardenbak) niet vergunningsplichtig is, kan worden gezien als het verstrekken van informatie. De toezegging die daar dan bij komt kijken, is dat het college als gevolg van het ontbreken van een vergunningsplicht, niet handhavend zal optreden bij aanwezigheid van een paardenbak. De toezegging/inlichting ziet louter op zijn situatie, is alleen aan hem gericht, is duidelijk en ongeclausuleerd en heeft een begunstigend karakter. De juridische kwalificatie van een overheidsuitlating kan dan ook wat willekeurig schijnen.15
Zoals ik met verwijzing naar het belastingrecht en het civiele recht zal betogen is dit onderscheid echter wel van belang gelet op de verschillende vormen van vertrouwensschending die voortvloeien uit een onjuiste inlichting tegenover het niet-nakomen van een toezegging. Indien de bestuursrechter dit onderscheid erkent, zal het mogelijk zijn voor burgers om zorgvuldiger duidelijk te maken wat zij nu precies verzoeken in een procedure en waar de vertrouwensschending in is gelegen.
De overheid neemt kortom bij informatieverstrekking geen welbewust standpunt in over de uitoefening van aan haar toekomende bevoegdheden. Dat komt overeen met de achterliggende reden voor informatieverstrekking, die is gericht op het ‘rechtszeker’ maken van burgers over hun rechtspositie en betreft niet – zoals het vertrouwensbeginsel – een norm aan het bestuur waarmee het rekening moet houden in zijn besluitvorming.