Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/4.2.7:4.2.7 Juridische grondslagen voor kostenvergoeding
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/4.2.7
4.2.7 Juridische grondslagen voor kostenvergoeding
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS296960:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hfdst. 8 wordt uitvoerig ingegaan op de mogelijke juridische grondslagen van vorderingen wegens afgebroken onderhandelingen. Daarin ligt de nadruk op de situatie dat onderhandelingen worden afgebroken in een stadium waarin dit de afbrekende partij niet meer vrij staat. Onder verwijzing naar de opmerkingen omtrent, meer in het algemeen, de bronnen van verbintenissen zoals die zijn terug te vinden in hfdst. 8 wil ik in het kader van de in dit hfdst. 5 besproken problematiek met betrekking tot de kostenvergoeding buiten het hiervoor bedoelde stadium kort ingaan op de mogelijke juridische grondslagen daarvan.
Opvallend is dat het hof in de zaak Efteling/Roompot, voor wat betreft de vraag naar de kostenvergoeding, aansluiting zoekt bij de door de Hoge Raad in het arrest Plas/Valburg gekozen bewoordingen door te overwegen:
"Daarentegen was naar het oordeel van de rechtbank op het moment dat de onderhandelingen stuk liepen wel een situatie bereikt waarin Efteling deze niet mocht afbreken zonder de door Roompot gemaakte kosten en schade te vergoeden. In geval van afgebroken onderhandelingen kan er in dat geval inderdaad sprake zijn van een recht op vergoeding van het negatief contractsbelang, zoals door de rechtbank is overwogen."
Ik roep in dit verband in herinnering de bewoordingen van de Hoge Raad in het arrest Plas/Valburg waarin de Hoge Raad overwoog dat er ook een recht op vergoeding van kosten kan bestaan
"als de onderhandelingen nog niet in een zodanig stadium zouden zijn geraakt dat de gemeente te goeder trouw die onderhandelingen niet meer had mogen afbreken, maar reeds wel in een stadium dat zulk afbreken haar in de gegeven omstandigheden niet meer zou hebben vrijgestaan zonder de door Plas gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening te nemen."
Noch de Hoge Raad in het arrest Plas/Valburg, noch de lagere jurisprudentie spreekt zich echter ondubbelzinnig uit voor een juridische grondslag voor de verplichting tot vergoeding van kosten.