Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.3.2.2
7.3.2.2 Grondslag voor de voorrang van de verkoper
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS393762:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid hoofdstuk 3, paragraaf 3.6.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
Zie Schoordijk 1971, p. 473, voetnoot 50 die om die reden opmerkt dat er veel voor valt te zeggen om deze voorrangspositie ook met betrekking tot de surrogaten te handhaven. Voor de goede orde merk ik op dat dit alleen geldt voor het ‘voorrangsargument’ en niet voor het ‘eigendomsargument’ (zie voor dit onderscheid hoofdstuk 2, paragraaf 2.4). Anders: Spath 2012, p. 333 die dit voorrangsargument als grond lijkt te zien voor het toekennen van de eigendom van de nieuw gevormde zaak vrij van beperkte rechten.
Vgl. Sagaert 2003, p. 135.
Zie Flume 1950, p. 842: ‘[D]er Vorbehaltsverkäufer sichert sich nur das, was ihm im Verhältnis zum Vorbehaltskäufer auch zukommt. Der verlängerte Eigentumsvorbehalt is nur das Korrelat dazu, daû der Vorbehaltsverkäufer auf die Zug-um-Zug-Lieferung verzichtet hat.’ Vgl. ook Verstijlen 2006, p. 1191.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.4.5, waar is gebleken dat dit in de Verenigde Staten een belangrijk argument is om aan het zekerheidsrecht van de verkoper een supervoorrang toe te kennen, zij het dat die gedachte nogal inconsequent niet wordt doorgetrokken naar de doorverkoopvorderingen als proceeds van de verkochte zaak.
Zo echter Schuijling 2016, p. 347.
Vgl. Flume 1950, p. 843: ‘Die Doppelkreditierung ist ein Zeichen ungesunder Kreditwirtschaft.’
Aan het toekennen van voorrang met betrekking tot de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering aan de verkoper ligt namelijk een overtuigende rechtvaardiging ten grondslag. Daarvoor kan worden teruggegrepen op de bevindingen uit hoofdstuk 3, waarin is gebleken dat de rechtvaardiging daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat de door de verkoper bijgedragen waarde na doorverkoop of zaaksvorming besloten ligt in de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering. In alle door mij onderzochte rechtsstelsels is dat een reden om de verkoper ten aanzien van de nieuw gevormde zaak een hoogst gerangschikte aanspraak toe te kennen, terwijl ook overtuigende argumenten pleiten voor een vergelijkbare voorrang ten aanzien van de doorverkoopvordering.1
Beslissend is in het bijzonder dat de overige schuldeisers van de koper, waaronder de kredietverschaffende bank, door een dergelijke voorrang niet worden benadeeld indien de aanspraak van de verkoper beperkt blijft tot de door hem bijgedragen waarde. Integendeel, het toekennen van hoger gerangschikte aanspraken aan anderen dan de verkoper zou leiden tot een bevoordeling van die anderen ten koste van de verkoper, omdat zij aldus zouden profiteren van de door de verkoper bijgedragen waardevermeerdering. Met betrekking tot de verkochte zaak zelf achtte de wetgever dit onbevredigend: ‘Wie goederen levert, behoort zich hiertegen te kunnen wapenen.’2
Hoewel de wetgever dit argument slechts betrok op de verkochte zaak, geldt dit argument evenzeer indien deze waarde besloten ligt in de doorverkoopvordering of nieuw gevormde zaak.3 Als de koper de aan hem voor € 100,- verkochte zaak doorverkoopt voor € 120,-, valt niet goed in te zien waarom het niet gerechtvaardigd is dat de overige schuldeisers zich op de € 100,- kunnen verhalen als deze waarde nog besloten ligt in de verkochte zaak, maar dit wel zo zou zijn als de waarde besloten ligt in de doorverkoopvordering.4 Het probleem is dat de zaaksvorming of doorverkoop wel rechtvaardigt dat de verkoper zijn eigendomsrecht verliest, maar niet rechtvaardigt dat de in de zaak besloten waarde ook wordt herverdeeld, hetgeen het geval is doordat de doorverkoopvordering of nieuw gevormde zaak volledig toekomt aan de koper en diens overige schuldeisers. Daarbij moet bedacht worden dat de verlenging van het eigendomsvoorbehoud niet leidt tot een uitbreiding van de voorrangspositie van de verkoper, maar slechts tot een handhaving van diens reeds bestaande voorrangspositie ten aanzien van een goed dat is verkregen met behulp van de door de verkoper gefinancierde zaak.5
Zolang de aanspraak van de verkoper beperkt blijft tot de daadwerkelijk door hem bijgedragen waarde aan de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering, kan tegen de voorrang van de verkoper niet worden ingebracht dat de overige schuldeisers, in het bijzonder de kredietverschaffende bank, ook hebben bijgedragen aan het mogelijk maken van de doorverkoop en zaaksvorming. Hun bijdrage manifesteert zich dan namelijk in het surplus dat bij zaaksvorming of doorverkoop wordt gegenereerd. Evenmin doorslaggevend is het argument dat de verkoper gewoonlijk wordt afgelost met het door de bank verschafte krediet. De gedachte is daarbij dat de bank de zaaksvorming en de doorverkoop financiert en dat met deze financiering de verkoper kan worden afgelost, waardoor het gerechtvaardigd zou zijn dat de kredietverschaffende bank ook een eersterangs zekerheidsrecht krijgt. Indien met het krediet beoogd is dat de verkoper wordt afgelost, maar dit desondanks niet geschiedt, heeft de kredietverschaffende bank namelijk een verkeerde inschatting gemaakt: ofwel is het verschafte krediet niet voldoende om de verkoper te voldoen, ofwel heeft de kredietnemer het krediet voor andere doeleinden gebruikt. In beide gevallen heeft de kredietverschaffende bank een verkeerde inschatting gemaakt. Als de geldkredietverschaffer desondanks een eersterangs pandrecht zou verkrijgen ten aanzien van de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering, zou hij per saldo in staat zijn om de negatieve gevolgen van zijn verkeerde inschatting af te wentelen op de verkoper, die met deze verkeerde inschatting niets te maken heeft.6 Ook als de bank erop speculeert dat de verkoper wordt afgelost met het door hem beschikbaar gestelde krediet, behoeft dit niet in de weg te staan aan het toekennen van een hoger gerangschikte aanspraak aan de verkoper. Zodra de verkoper namelijk wordt voldaan ,verkrijgt de bank alsnog een zekerheidsrecht met de hoogste rang, terwijl het niet goed valt in te zien waarom de verkoper het risico zou moeten dragen dat de koper het door de bank met dat doel verschafte krediet voor andere doeleinden gebruikt, als de bank daarop speculeert.
Als het eigendomsvoorbehoud derhalve nog bestaat op het moment dat de zaaksvorming of doorverkoop plaatsvindt, blijkt duidelijk dat de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering in werkelijkheid niet uitsluitend door de kredietverschaffende bank wordt gefinancierd, maar tevens door de verkoper, in de vorm van de waarde van de verkochte zaak die hij bijdraagt door middel van het leverancierskrediet. Om die reden kan tegen de erkenning van een effectief verlengd eigendomsvoorbehoud ook niet worden ingebracht dat dit kan leiden tot een verminderde bereidheid van banken om krediet te verschaffen, althans tegen hogere tarieven.7 Ook als veronderstellenderwijs namelijk wordt aangenomen dat dit inderdaad het geval is, zou dat de tegen de achtergrond van het voorgaande geen verkeerde ontwikkeling zijn. Kennelijk gaat de geldkredietverschaffer er namelijk van uit dat hij de zaaksvorming en de doorverkoop financiert, terwijl zij in werkelijkheid (mede) gefinancierd worden door de verkoper. Er wordt derhalve door twee partijen krediet verleend ten behoeve van de realisatie van hetzelfde zekerheidsobject. En aangezien dit zekerheidsobject voor wat betreft de waarde van de verkochte zaak wordt gefinancierd door de verkoper, verschaft de bank krediet op basis van verkeerde veronderstellingen, namelijk dat hij de zaaksvorming en doorverkoop geheel mogelijk maakt. Aangezien de veronderstellingen die ten grondslag liggen aan de kredietverschaffing derhalve niet juist zijn, zou het niet onverstandig zijn wanneer de bank inderdaad geen krediet meer zou verschaffen op basis van deze aannames.8