Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld
Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.3.4.1:4.3.4.1 Onderscheid (niet-)punitieve doeleinden?
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.3.4.1
4.3.4.1 Onderscheid (niet-)punitieve doeleinden?
Documentgegevens:
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285556:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G P.J. Wattel van 28 mei 2014, ECLI: NL:PHR:2014:521, BNB 2015/173, par. 10.21 en par. 10.22.
HR (strafkamer) 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, r.o. 2.4.4-2.4.6. Vergelijk: HR (strafkamer) 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.4.1-2.4.4 waarin de tweede en de derde categorie door de Hoge Raad worden samengevoegd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
A-G Wattel heeft, tot nu toe tevergeefs, gepleit voor een onderscheid tussen voorgenomen gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal voor punitieve en niet-punitieve doeleinden. Aan de hand van de literatuur onderbouwt hij zijn standpunt dat de ongenuanceerde ‘zozeer onbehoorlijk’-formule voor punitieve doeleinden zou moeten worden verlaten en aansluiting moet worden gezocht bij de genuanceerdere benadering in het strafrecht;1 hij stelt dat onder de werking van art. 359a Sv bij bewijsuitsluiting de strafrechter de gevolgen moet laten afhangen van de uitkomst van een belangenafweging. Hierbij verwijst hij naar het arrest NJ 2013/308. In dat arrest zijn drie mogelijke gronden voor bewijsuitsluiting door de strafrechter geformuleerd:2
indien dat noodzakelijk is ter verzekering van het recht van de verdachte op een behoorlijk proces in de zin van art. 6 EVRM;
in gevallen waarin art. 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, en waarin een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, en uitsluiting van het als gevolg daarvan verkregen bewijs noodzakelijk is als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm; en
in andere gevallen indien sprake is van de – zeer uitzonderlijke – situatie dat het desbetreffende vormverzuim een structureel karakter heeft en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen.
Hoewel het betoog van A-G Wattel betrekking had op een nuancering van het ‘zozeer indruist’-criterium in het belastingrecht en dit (vooralsnog) niet is gevolgd door de belastingkamer van de Hoge Raad, lijkt het laatste woord hierover nog niet gezegd. Toegepast op de strikte fiscale geheimhoudingsverplichting zou immers betoogd kunnen worden dat op basis van deze gronden het gebruik van fiscale informatie – dat in strijd met de fiscale geheimhoudingsverplichting van art. 67 AWR is gebruikt – buiten beschouwing moet worden gelaten, ongeacht of sprake is van gebruik voor punitieve doeleinden. Het uitsluiten van dergelijk bewijsmateriaal in het bestuursrecht kan weliswaar afbreuk doen aan de waarheidsvinding, maar daarmee zal naar mijn mening wel een krachtig signaal worden afgeven over het belang van art. 67 AWR. Hiermee kan (stelselmatig) onrechtmatig handelen van bestuursorganen worden voorkomen.