Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.4.5.2
III.6.4.5.2 Verschillen potestatieve voorwaarde en § 2065 I BGB
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625094:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van een potestatieve voorwaarde is immers geen sprake indien een verbintenis (uit overeenkomst of legaat) afhankelijk wordt gemaakt van de wil van iemand die niet bij de verbintenis verbonden is. Vergelijk hiermee ook het bindend advies/ oordeel van bijvoorbeeld een deskundige: ik schenk 100.00 euro, indien mijn accountant dit toestaat.
Zie paragraaf 3.3.2 en paragraaf 6.2.
Asser/Rutten-I 1981, p. 134. Vgl. ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 175.
Vert. door Spruit 1997, p. 618. D. 32.11.7 luidt als volgt: ‘Quamquam autem fideicommissum ita relictum non debeatur “si volueris”, tamen si ita adscriptum fuerit: “si fueris arbitratus” “si putaveris” “si aestimaveris” “si utile tibi fuerit visum” vel “videbitur”, debebitur: non enim plenum arbitrium voluntatis heredi dedit, sed quasi viro bono commissum relictum.’
Vgl. ook paragraaf 4.3.5 ‘Objectivering door redelijkheid en billijkheid voorkomt willekeur’.
In paragraaf 6.4.2 gaf ik aan dat de potestatieve voorwaarde, zoals zij in art. 1292 oud BW tot uitdrukking kwam, enigszins gelijkenis vertoont met § 2065 I BGB dat ik in paragraaf 6.2 noemde. Beide bepalingen houden namelijk een verbod in om de werking van een rechtshandeling afhankelijk te stellen van andermans wil. Toch zijn er tussen beide bepalingen duidelijke verschillen, die ik hierna, voor wat het legaat betreft, opsom:
§ 2065 I BGB heeft betrekking op uiterste wilsbeschikkingen. Zoals ik in de vorige subparagraaf aanstipte, ziet de potestieve voorwaarde echter niet op uiterste wilsbeschikkingen, maar op verbintenissen. Verbintenissen kunnen evenwel ook voortvloeien uit een uiterste wilsbeschikking, zoals het legaat.
Op grond van § 2065 I BGB kan erflater zijn beschikkingen niet afhankelijk maken van een opschortende noch van een ontbindende wilsafhankelijke voorwaarde. Het leerstuk van de potestatieve voorwaarde verbiedt daarentegen enkel dat een voorwaarde in strijd is met het wezen van een verbintenis, ofwel het verbiedt de opschortende potestatieve voorwaarde. De ontbindende voorwaarde met een wilsafhankelijk element is in beginsel toegestaan (vgl. hiervoor in paragraaf 6.4.4 de herroepelijke schenking).
§ 2065 I BGB verbiedt uiterste wilsbeschikkingen die afhankelijk zijn gesteld van andermans wil. Op grond van het leerstuk van de potestatieve voorwaarde is enkel niet toegestaan: het afhankelijk stellen van de wil van degene die verbonden is. Dat wil zeggen de schuldenaar. Bij een schenking is dit bijvoorbeeld de schenker. Voor wat het legaat betreft is dit degene op wie het legaat drukt. Bijvoorbeeld de erfgenaam die met het legaat is belast. Is de werking van het legaat evenwel afhankelijk gemaakt van de wil van een derde (iemand die niet bij de verbintenis verbonden is) dan is het legaat niet nietig op grond van de (ontoelaatbare) potestatieve voorwaarde.1 § 2065 I BGB is in dit opzicht dus strenger dan de potestatieve voorwaarde.
En last but not least. In tegenstelling tot § 2065 I BGB dat ruim wordt geïnterpreteerd, in die zin dat ook het afhankelijk stellen van het redelijk oordeel (billigem Ermessen) van een ander is verboden,2 is niet in strijd met het wezen van de verbintenis: een voorwaarde die de werking van de verbintenis afhankelijk maakt van het redelijk oordeel van degene die verbonden is (zoals de schenker, maar dus ook degene op wie een legaat drukt). Want:
‘Met het wezen ener verbintenis is evenmin in strijd de voorwaarde ‘indien naar de mening van de schuldenaar zijn kas het zal toelaten’ (Hof ’s-Hertogenbosch 15 jan. 1918, N.J. 1919, p. 29) of ‘indien zulks hem, naar zijn mening, zal conveniëren’ (Rb. Amsterdam 8 febr. 1935, W. 12887; zie ook Hof Amsterdam 5 dec. 1922, N.J. 1923, p. 540; W. 11013, cass. Verw. H.R. 3 jan. 1924, N.J. 1924, p. 377; W. 11215). Immers, de strekking van een dergelijk beding is, althans in de regel, dat de schuldeiser slechts bij het oordeel van de schuldenaar zal hebben neer te leggen, indien dit te goeder trouw is gevormd [ofwel: met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid, toev. NB], met andere woorden de grenzen der redelijkheid niet overschrijdt; de verbintenis hangt hier dus niet af van de willekeur van de schuldenaar. Dit is evenmin het geval, indien aan een van de partijen de bevoegdheid is toegekend de overeenkomst te doen vervallen – of deze te doen herzien – wanneer tengevogle van een wijziging van omstandigheden de nakoming voor haar te bezwaarlijk zou worden […]. Daarom kan art. 1292 meestal niet worden ingeroepen tegen bedingen, waarbij aan de schuldenaar wordt overgelaten zelf de omvang zijner verplichting te bepalen (MEIJERS, W.P.N.R. 2420, p. 239; V.O. III, p. 16v.; zie ook § 315 BGB) (curs. NB).’3
Een vergelijkbare benadering is te vinden in een tekst uit de Digesten, die betrekking heeft op het fideï-commis. De Nederlandse vertaling van D. 32.11.7 luidt namelijk:
‘Een fideïcommis is weliswaar niet verschuldigd, wanneer het is nagelaten in de volgende bewoordingen: “indien u het wilt”, maar het zal daarentegen wel verschuldigd zijn, als het als volgt geschreven is: “indien het u goeddunkt”, “indien u van mening bent”, “indien u van oordeel bent”, “indien het u nuttig voorkomt” of “zal voorkomen”. Dan heeft de erflater immers de erfgenaam niet een volledige beoordelingsvrijheid gegeven, maar is het fideïcommis hem nagelaten als opgelegd aan een verstandig man.’4
Hieruit blijkt dat willekeur kan worden voorkomen door te handelen als een verstandig, ofwel als een redelijk denkend mens.5 Een bepaling als ‘Indien zulks hem, naar zijn mening, zal conveniëren’, is niet in strijd met het wezen van de verbintenis en derhalve toegestaan.
In hoeverre mag, vanuit het leerstuk van de potestatieve voorwaarde bekeken, de werking van een legaat dan afhankelijk worden gemaakt van andermans wil?