Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.4.5.1:III.6.4.5.1 Inleidend
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.4.5.1
III.6.4.5.1 Inleidend
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625539:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het erfrecht als bron van verbintenis B. Schols 2007a over de grondslagen van executele als erfrechtelijke verbintenis. Zie over de eenzijdige rechtshandeling als bron van verbintenis Cauffman 2005.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De potestatieve voorwaarde heeft betekenis voor het verbintenissenrecht. Het ontstaan van een verbintenis mag niet louter afhankelijk zijn van de wil van de schuldenaar, ofwel van degene die verbonden is. Het lijkt erop dat in het erfrecht de potestatieve voorwaarde dus enkel een rol kan spelen voor erfrechtelijke verbintenissen, zoals deze bijvoorbeeld kunnen voortvloeien uit een legaat.1
In de onderstaande subparagrafen neem ik het legaat als voorbeeld bij de beantwoording van de vraag in hoeverre het leerstuk van de potestatieve voorwaarde van belang is voor erfrechtelijke verbintenissen en in hoeverre de potestatieve voorwaarde verhindert dat de werking van dergelijke verbintenissen afhankelijk wordt gemaakt van andermans wil. Zoals ik reeds heb aangegeven, heeft de potestatieve voorwaarde betrekking op verbintenissen. Zij heeft dus strikt genomen geen betekenis voor uiterste wilsbeschikkingen als bijvoorbeeld de erfstelling of de testamentaire last, omdat deze beschikkingen geen verbintenissen in het leven roepen. Niettemin geldt, ingevolge het leerstuk van de potestatieve voorwaarde, mijns inziens ook voor deze uiterste wilsbeschikkingen dat een voorwaarde niet in strijd mag komen met het wezen ofwel de aard van de beschikking. Dit vloeit ook voort uit het bepaalde in art. 3:38 lid 1 BW, waarin is te lezen dat:
‘Tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling anders vootvloeit, kan een rechtshandeling onder een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht (curs. NB).’