Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.4.2
4.2.4.2 Het begrip 'beoordelingsmarge'
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS398496:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk Prechal 2005, p. 247; Kapteyn, VerLoren van Themaat 2003, p. 424-425; Lauwaars & Timmermans 2003, p. 27. Zie ook Craig & De Bárca 2011, p. 190. Zij schrijven dat ook voor bepalingen in Europese verordeningen geldt dat zij voldoende duidelijk en precies moeten zijn.
HvJEU 24 juni 2010, C-375/08 (Luigi Pontini), Jur. 2010, p. 1-5767, r.o. 79. In dit arrest ging het om de vraag in hoeverre Italië bevoegd was bij de steunaanvraag voor dieren te eisen dat een geldige rechtstitel wordt overgelegd waaruit blijkt dat de aanvrager is gerechtigd tot gebruik van het voederareaal waarop de aanvraag betrekking heeft. Deze voorwaarde was niet in de Europese regelgeving neergelegd. Het HvJEU stelt vast dat moet worden vastgesteld over welke beoordelingsmarge de lidstaten beschikken bij het toezicht op de naleving van de voorwaarden voor de toekenning van de steun in het kader van het Gecffirdineerd Beheers- en Controlesysteem. Het HvJEU acht in dat kader onder meer relevant dat uit punt 48 van de considerans bij de Commissieverordening 2419/2001 is opgenomen dat de lidstaten alle nodige aanvullende maatregelen moeten treffen om de verordening naar behoren te kunnen toepassen.
Als gezegd blijkt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat voor de vraag in hoeverre bepalingen die zijn neergelegd in Europese verordeningen rechtstreeks toepasselijk zijn, in de meeste gevallen beslissend is of nationale uitvoeringsorganen bij de uitvoering van die bepalingen een beoordelingsmarge hebben. Het Hof hanteert derhalve niet expliciet de twee criteria die bij de beoordeling van de vraag of bepalingen uit richtlijnen rechtstreekse werking hebben gebruikelijk zijn, namelijk dat een bepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig moet zijn. Hieraan moet niet teveel waarde worden gehecht. Algemeen wordt aangenomen dat de afwezigheid van beoordelingsmarge voor de lidstaten de basisvoorwaarde is; de criteria onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig vormen de componenten van deze basisvoorwaarde.1 Belangrijk is dat de (afwezigheid van een) beoordelingsmarge voor de lidstaten niet alleen kan blijken uit de desbetreffende bepaling van de Europese verordening, maar ook uit de considerans van de Europese verordening.2