Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.3.4.4
4.3.4.4 Fundamentele rechten?
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285680:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Y.E. Schuurmans, Onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal in het bestuursrecht, Ars Aequi, mei 2017, blz. 392, par. 3.1.
Y.E. Schuurmans, Onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal in het bestuursrecht, Ars Aequi, mei 2017, blz. 393, par. 3.1. Volgens haar gaat de Nederlandse bestuursrechter hiermee verder dan de strafrechter en het EHRM. Vergelijk: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:7501 inzake onrechtmatig meegenomen ordner tijdens een huisbezoek waardoor sprake was van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ex art. 8 EVRM. Omdat nadien succesvol het verschoningsrecht van art. 53 AWR werd ingeroepen kwam het hof niet meer toe aan de beoordeling van de inbreuk op de privacy (Hof ’s-Hertogenbosch 25 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1566).
Zie uitgebreider over privacy: Hoofdstuk 3, par. 2.1.
Nieuwsbericht Rechtbank Rotterdam van 23 juli 2020, Integriteit strafproces door OM in gevaar gebracht in belastingzaak horecaconcern, https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Rotterdam/Nieuws/Paginas/Integriteit-strafproces-door-OM-in-gevaar-gebracht-in-belastingzaak-horecaconcern.aspx (online, geraadpleegd op 9 november 2020) en Rechtbank Rotterdam (strafkamer) 23 juli 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:6587.
Het OM zag echter geen aanleiding om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging van de officier van justitie wegens schending van de geheimhouding (nieuwsbericht OM van 17 maart 2021, Geen strafvervolging van officieren na klacht van verdachten in grote fraudezaak, https://www.om.nl/actueel/nieuws/2021/03/17/geen-strafvervolging-van-officieren-na-klacht-van-verdachten-in-grote-fraudezaak (online, geraadpleegd op 26 maart 2021)).
Y.E. Schuurmans, Onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal in het bestuursrecht, Ars Aequi, mei 2017, blz. 389.
Y.E. Schuurmans, Onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal in het bestuursrecht, Ars Aequi, mei 2017, blz. 397.
Schuurmans noemt als ontwikkeling de invloed van de fundamentele grondrechten bij de toepassing van het ‘zozeer indruist’-criterium.1 Hierbij gaat het volgens haar niet alleen om art. 6 en art. 8 EVRM, maar ook om het Handvest EU.2 Aan de hand van de jurisprudentie concludeert zij dat de schending van een fundamenteel recht in het bestuursrecht een ernstige rechtsinbreuk is die ‘zozeer indruist’ tegen hetgeen van een fatsoenlijke overheid mag worden verwacht, dat dit onder alle omstandigheden moet worden uitgesloten.3 Onregelmatigheden bij de verwerking van fiscale gegevens waardoor de privacy wordt geschonden – hetgeen juist met de fiscale geheimhoudingsplicht zou moeten worden beschermd – zal naar verwachting in de toekomst eerder leiden tot bewijsuitsluiting bij het ontvangende bestuursorgaan.4 In dit kader kan de fiscale strafzaak tegen sushiketen Sumo – waar de officier van justitie documentairemakers had laten meelopen tijdens het opsporingsonderzoek – niet onvermeld blijven.5 Niet de geconstateerde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (en daarmee de schending van de fiscale geheimhoudingsplicht), maar het bewust verzwijgen van de documentaire voor de verdachten zorgde ervoor dat geen straf of maatregel werd opgelegd.6 Schuurmans ziet tevens een ontwikkeling in de veranderende aard van het bestuurlijk toezichtonderzoek waarbij in toenemende mate ingrijpende onderzoeksmiddelen worden ingezet waardoor de aard van het toezicht richting opsporing opschuift.7 Ingrijpendere inbreuken op de privacy hebben volgens haar op grond van art. 8 EVRM een meer precieze wettelijke grondslag nodig.8 Ontbreken de nodige waarborgen, dan zou dat volgens haar tot gevolg hebben dat de informatie als onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kwalificeert dat op basis van het ‘zozeer indruist’-criterium moet worden uitgesloten.