Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.1.1
6.3.1.1 De moderne positie van het slachtoffer en het aanwijzen van klachtdelicten
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946208:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover meer uitgebreid hoofdstuk 2, paragraaf 4.6.
Daarbij moet de kanttekening worden geplaatst dat eerder in dit onderzoek reeds is vastgesteld dat dit een oneigenlijk klachtvereiste betreft. Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 2, paragraaf 4.7 en hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.2.1. Opmerking verdient voorts dat artikel 207b Sr niet daadwerkelijk het nieuwste klachtdelict betreft. Zo is met het oog op de bestrijding van terrorisme nadien aan diverse commune strafbepalingen een ‘terrorisme-variant’ toegevoegd die (via schakelbepalingen) onder het bereik van een relatief klachtvereiste vallen. Formeel zijn daarmee nieuwe klachtdelicten gecreeerd, maar dit is geen welbewuste keuze van de wetgever. Zie hierover: hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.3.
Zie over de strafbaarstelling van wraakporno en het al dan niet toevoegen van een klachtvereiste aan deze strafbepaling meer uitgebreid: Groenhuijsen 2019.
Stb. 2019, 421.
In dit verband gaat eerst aandacht uit naar de gevolgen die de toenemende aandacht voor het slachtoffer kan hebben op het aanwijzen van klachtdelicten door de wetgever. Bij de totstandkoming van klachtdelicten oriënteert de wetgever zich op een overwegend abstract algemeen belang dat redengevend is voor strafbaarstelling, waarna de wetgever oordeelt dat personen wie dit feit is aangedaan dermate veel last van een vervolging van het feit kunnen ondervinden dat hun (eventuele) private belang bij het achterwege blijven van vervolging voorrang verdient boven het algemeen belang dat bestaat bij vervolging. In het licht van het voorgaande is het goed mogelijk dat deze weging van het algemeen belang tegen het private belang in de huidige tijdsgeest anders uitvalt dan in het verleden. De belangen van direct getroffenen spelen immers steeds meer een rol in het strafproces en kunnen in het verlengde daarvan ook een zwaarwegendere rol gaan spelen bij het achterwege laten van vervolging. In de memorie van toelichting bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering is immers expliciet benoemd dat het strafproces zo moet zijn ingericht dat het slachtoffer “niet nog eens slachtoffer wordt, maar ditmaal van het strafproces”. 1Deze zienswijze van de wetgever – waarin een opdracht tot voorkoming van secundaire victimisatie besloten ligt – maakt het voorstelbaar dat de wetgever met het aanwijzen van klachtdelicten in de toekomst vaker voorrang zal willen verlenen aan het private belang bij niet-vervolging ten opzichte van het algemeen belang dat bestaat bij vervolging. Dit kan ertoe leiden dat aan meer bestaande strafbepalingen een klachtvereiste wordt toegevoegd en dat bij nieuwe strafbepalingen een klachtvereiste nadrukkelijker worden overwogen.
Een ontwikkeling in deze richting – en een herijking van de weging van de hiervoor omschreven belangen door de wetgever – is echter nog niet zichtbaar. In het jaar 2000 trad de strafbaarstelling van belaging als nieuw klachtdelict in werking. 2Nadien heeft de wetgever in 2004 voor het laatst welbewust een klachtvereiste toegevoegd aan een strafbepaling, ditmaal aan art. 207b Sr.3 De versterkte positie van het slachtoffer in het strafproces leidt vooralsnog dus niet tot een wezenlijke toename van het aantal klachtdelicten.
Dit komt mogelijk doordat de wetgever de functie en toegevoegde waarde van een klachtvereiste niet steeds voldoende onderkent op het moment dat een nieuwe strafbaarstelling wordt overwogen. In dit verband is de in 2019 ingevoerde strafbaarstelling van wraakporno illustratief.4 In november 2018 werd – als onderdeel van het wetsvoorstel Herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen5 – voorgesteld om te voorzien in een strafbaarstelling van misbruik van seksueel beeldmateriaal. Het betreffende art. 139h Sr zou betrekking gaan hebben op het zonder toestemming verspreiden van seksueel beeldmateriaal en het misbruiken van dergelijk beeldmateriaal om de afgebeelde in een compromitterende situatie te brengen. In de toelichting bij het wetsvoorstel is meermaals benadrukt dat dit aantastingen van de persoonlijke levenssfeer betreft en ook werd benoemd dat slachtoffers vaak kampen met gevoelens van schaamte.6 Blijkens de memorie van toelichting is de kern van het strafrechtelijke verwijt gelegen in
“de laakbaarheid van het miskennen van iemands zelfbeschikkingsrecht om zelf te bepalen of beeldmateriaal met een dermate privé karakter van hem of haar wordt vervaardigd of openbaar wordt gemaakt”.7
De centrale plaats die de persoonlijke levenssfeer en het zelfbeschikkingsrecht van de getroffene innemen bij deze strafbaarstelling voeden de gedachte dat het klachtvereiste een goede dienst zou kunnen bewijzen bij deze strafbepaling. Daarmee wordt het immers aan de betrokkene zelf gegeven om te beoordelen of hij de ruchtbaarheid wil dragen die een vervolging van dit feit met zich zal (kunnen) brengen. Daarbij speelt een rol dat de vervolging in de regel plaatsheeft op een (veel) later moment. Het ligt in de lijn der verwachting dat in de omgeving van de verdachte en het slachtoffer op dat moment opnieuw aandacht uitgaat naar het onderliggende beeldmateriaal. Het kan de voorkeur verdienen dat dit het slachtoffer bespaard blijft.
Uit het oorspronkelijke wetsvoorstel en de toelichting daarop volgt echter niet dat is overwogen om de voorgestelde strafbepaling tot klachtdelict te bestempelen, ondanks dat de Nederlandse Orde van Advocaten dit – onder verwijzing naar het zeer persoonlijke karakter van het beeldmateriaal – had geadviseerd.8 Bij de daaropvolgende parlementaire behandeling is vanuit de Tweede Kamer ook gevraagd waarom er niet voor is gekozen aan art. 139h Sr een klachtvereiste toe te voegen.9 Minister van Justitie & Veiligheid Grapperhaus antwoordde daarop dat klachtdelicten een uitzondering zijn in het Wetboek van Strafrecht en dat ook bij de overige delicten rekening wordt gehouden met de behoefte van slachtoffers om al dan niet tot vervolging over te gaan. Hij gaat vervolgens in op de mogelijkheid dat een zaak onder de aandacht komt van de politie of het openbaar ministerie zonder dat een slachtoffer zich heeft gemeld en stelt dat de autoriteiten in dat geval zullen pogen het slachtoffer te achterhalen en met het slachtoffer in gesprek zullen gaan over de wenselijkheid van de vervolging. 10Nadien zijn geen woorden meer gewijd aan de vraag of art. 139h Sr als klachtdelict moet worden aangemerkt, waarna het wetsvoorstel is aangenomen en art. 139h Sr per 1 januari 2020 als regulier delict in het Wetboek van strafrecht is opgenomen. 11
Met enige teleurstelling moet worden vastgesteld dat de wetgever in dit geval geen oog heeft gehad voor de belangenafweging waar het om draait bij het al dan niet toevoegen van een klachtvereiste. Het is juist dat het openbaar ministerie bij alle strafbare feiten rekening dient te houden met de belangen van het slachtoffer, maar dit raakt niet aan het antwoord op de vraag of aan art. 139h Sr een klachtvereiste moet worden toegevoegd. De minister gaat voorbij aan de belangenafweging die daarbij centraal moet staan: komt het persoonlijke belang dat kan bestaan bij het uitblijven van vervolging dermate gewicht toe dat dit voorrang verdient boven het algemeen belang dat bestaat bij vervolging van dit soort feiten? Die afweging is aan de wetgever voorbehouden en dit staat los van de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging in concrete gevallen waarvoor het openbaar ministerie zorgdraagt. De reactie van de minister toont een gebrekkig begrip van de functie van het klachtvereiste. Het rekening houden met belangen van slachtoffers door het openbaar ministerie moet niet worden verward met – en verschilt fundamenteel van – het principieel voorrang verlenen aan die belangen door de wetgever. In dat laatste geval is opsporing en vervolging immers volledig uitgesloten indien de klachtgerechtigde de zaak wil laten rusten.
Het voorgaande leidt overigens niet zonder meer tot de conclusie dat art. 139h Sr van een klachtvereiste had moeten worden voorzien. De wetgever moet immers een complexe afweging maken waarbij aan diverse omstandigheden (doorslaggevende) waarde kan worden gehecht. Enerzijds betreft dit aspecten die bijdragen aan de wenselijkheid dat voorrang wordt verleend aan het belang dat het betrokken individu kan hebben bij het uitblijven van vervolging. In dat verband speelt een rol of het strafbare feit in de regel concreet één individu treft en in welke mate het voorzienbaar is dat aandacht voor de vervolging van het feit de getroffene (opnieuw) schaadt. Zo kan een vervolging ter zake laster – bijvoorbeeld na een valse beschuldiging van het zijn van een pedoseksueel – leiden tot nieuwe, onwenselijke aandacht voor de lasterlijke uitlatingen. In relatie tot art. 139h Sr had de wetgever de hernieuwde aandacht voor het compromitterende beeldmateriaal die opsporing en vervolging mogelijk met zich brengen, en de daarmee gepaard gaande schaamte bij het slachtoffer, kunnen betrekken bij de vraag of een klachtvereiste is aangewezen. Anderzijds zijn er aspecten die bijdragen aan de wenselijkheid van de mogelijkheid tot ambtshalve vervolging. Daarbij staat voorop dat strafbaarstellingen die hoofdzakelijk publieke belangen beschermen – zoals bijvoorbeeld de misdrijven tegen de openbare orde in titel V van Boek II van het Wetboek van Strafrecht – zich niet lenen voor een klachtvereiste. Dat geldt ook voor feiten die dermate ernstig zijn dat vervolging in het algemeen belang steeds mogelijk moet zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan zware mishandeling. Voorts kan de noodzaak tot bescherming van jonge en kwetsbare slachtoffers er (mede) toe leiden dat feiten ambtshalve moeten kunnen worden vervolgd. Dit laatste aspect zou ook bij de strafbaarstelling van wraakporno een rol kunnen hebben gespeeld. De wetgever zou na weging van het algemeen belang bij de vervolging van wraakporno en het mogelijke private belang bij niet-vervolging dus ook tot de slotsom kunnen komen dat het is aangewezen dat dit feit ambtshalve kan worden vervolgd. Het probleem is echter dat de wetgever geen oog heeft gehad voor de belangenafweging die centraal moet staan bij het aanwijzen van klachtdelicten, hetgeen samen lijkt te hangen met een gebrekkig begrip van de functie die de klacht vervult.
Onder de streep is het zeer wel denkbaar dat de toenemende aandacht voor de belangen van slachtoffers in de strafrechtspleging op enig moment ertoe gaat leiden dat meer misdrijven tot klachtdelict worden bestempeld. Uit het voorgaande volgt evenwel dat een dergelijke ontwikkeling nog niet zichtbaar is en dat de wetgever vooralsnog niet steeds voldoende oog heeft voor de drempelfunctie die een klachtvereiste ten behoeve van het slachtoffer kan vervullen.