Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.1.2
6.3.1.2 De moderne positie van het slachtoffer en de opportuniteitsbeslissing bij klachtdelicten
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946183:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Corstens 2021, p. 124.
Daarbij moet de kanttekening worden geplaatst dat op dit punt geen sprake is van een zuivere tweedeling tussen klachtdelicten en andere misdrijven. Hiervoor kwam in paragraaf 3.1.1. bijvoorbeeld naar voren dat art. 139h Sr zich goed lijkt te lenen voor de toevoeging van een klachtvereiste, omdat ook bij die strafbaarstelling de persoonlijke levenssfeer en het zelfbeschikkingsrecht van de getroffene een belangrijke rol spelen. Dit maakt inzichtelijk dat er ook niet-klachtdelicten zijn waarbij het persoonlijk belang van de getroffene in sterke mate de opportuniteit van de vervolging kan kleuren.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 4.3.2.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 5, paragraaf 3.3-3.4.
De toenemende aandacht voor het belang van het slachtoffer kan ook een rol spelen bij de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging door het openbaar ministerie. In hoofdstuk 5 bleek immers dat het openbaar ministerie bij dit opportuniteitsoordeel oog moet hebben voor alle concreet betrokken (deel)belangen, waarna de waardering van die (deel)belangen invulling geeft aan het algemeen belang dat richtinggevend is voor opportuniteit van de vervolging. Corstens stelt dat het slachtoffer “een niet meer weg te denken rol is gaan innemen” in het denken over de reactie op strafbare feiten en meent dat de belangen van het slachtoffer veel directer zijn gaan meetellen dan voorheen het geval was. 1Dit impliceert dat de meer centrale positie van het slachtoffer in de strafrechtspleging gevolgen zal (kunnen) hebben voor de hiervoor omschreven opportuniteitstoets door het openbaar ministerie. De vraag is hoe dit bij klachtdelicten zijn uitwerking vindt.
De verhouding tussen de klacht en het opportuniteitsbeginsel kwam in het vorige hoofdstuk uitgebreid aan bod. Het uitgangspunt is dat het klachtvereiste slechts eenzijdig richtinggevend is voor de vervolging, in die zin dat met het achterwege laten van een klacht een vervolging kan worden belet. De wetsgeschiedenis bevat geen enkel aanknopingspunt dat het indienen van een klacht bijzonder gewicht in de schaal legt bij de daaropvolgende vervolgingsbeslissing. Tegen deze achtergrond is eerder in dit onderzoek geconcludeerd dat het klachtvereiste slechts een drempelfunctie vervult, waarna het openbaar ministerie de opportuniteit van de vervolging in volle omvang toetst.
Daarmee is echter niet alles gezegd over de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging van klachtdelicten. Hoewel de klacht zelf juridisch bezien geen richtinggevend element is voor de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie, is de aard van klachtdelicten in dit verband wel degelijk relevant. Een klachtvereiste wordt in de regel immers toegevoegd aan strafbare feiten die primair een individu raken en die voorts niet dermate ernstig zijn dat het algemeen belang steeds vervolging vereist. Dit betekent dat het persoonlijk belang van de direct getroffenen juist bij dit soort delicten een meer centrale rol kan spelen bij de vervolgingsbeslissing. Het belang van de direct getroffene zal het algemeen belang dus in sterkere mate kunnen inkleuren dan bij veel andere delicten het geval is.2
Het hechten van meer waarde aan private belangen moet echter nadrukkelijk worden onderscheiden van het automatisch voorrang verlenen aan die belangen. Zo ging eerder in dit onderzoek aandacht uit naar de idee van Van Veen dat het openbaar ministerie na ontvangst van een klacht slechts de haalbaarheid van de vervolging zou behoeven te toetsen. 3Vanwege de groeiende aandacht voor het belang van het slachtoffer is het voorstelbaar dat meer steun voor die gedachte zal ontstaan. Een dergelijke ontwikkeling in de rechtspraktijk – waarbij een klacht de opportuniteit van vervolging impliceert – moet niettemin als onwenselijk worden bestempeld. Het verhoudt zich ten eerste slecht tot de functie van het klachtvereiste. De regeling van klachtdelicten biedt immers slechts gelegenheid vervolging te voorkomen en dit laat onverlet dat na de ontvangst van een klacht moet worden beoordeeld of vervolging het algemeen belang dient. Daarnaast zou dit ook afbreuk doen aan de fundamentele argumenten die ten grondslag liggen aan het vervolgingsmonopolie. Zo is in het vorige hoofdstuk vastgesteld dat aan het vervolgingsmonopolie ten grondslag ligt dat individuen strafmacht niet moeten kunnen initiëren en dat strafvervolging steeds moet zijn ingegeven door het algemeen belang en niet door één privaat belang.4
Uit het voorgaande volgt dat het voorstelbaar is dat het openbaar ministerie in de toekomst bij de toepassing van het opportuniteitsbeginsel meer waarde gaat toekennen aan het persoonlijk belang van de direct getroffene. Het algemeen belang wordt immers mede ingevuld aan de hand van de veranderende tijdsgeest en wensen vanuit de maatschappij. Dat in de rechtspleging meer aandacht uitgaat naar het belang van het slachtoffer is dan ook een legitieme factor waarmee rekening mag worden gehouden. Een dergelijke ontwikkeling zou in sterke mate opgeld kunnen doen bij de vervolging van klachtdelicten, omdat juist bij dat soort feiten het private belang van de getroffene een centrale rol speelt. Het is evenwel van belang dat een klacht ter zake een klachtdelict geenszins een positief opportuniteitsoordeel ten aanzien van vervolging zal gaan impliceren. Dat verhoudt zich niet goed met de redengeving van het klachtvereiste en evenmin met de argumenten waarop het vervolgingsmonopolie is gestoeld.