Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/2.2
2.2 Artikel 107, tweede lid, van de Grondwet
mr. T.C. Borman, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. T.C. Borman
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Expliciet in deze zin: Kamerstukken II 2009/10, 32213 (R 1903), 3, p. 4; Kamerstukken II 2011/12, 33131, 3, p. 1.
Advies van 18 september 2006, no. W04.06.0204/I/K/A, p. 23-24 (bijlage bij Kamerstukken II 2006/07, 30800 IV, 3). Ook gepubliceerd op www.raadvanstate.nl.
Rogier wijst er overigens terecht op dat als art. 39 Statuut nu zou worden geformuleerd, het in de rede ligt te veronderstellen dat het bestuursrecht daarin tevens zou worden genoemd en dat concordantie in bestuursrechtelijke zaken in het Caribisch deel van het Koninkrijk gestalte krijgt doordat leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State participeren als plaatsvervangers in het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: zie L.J.J. Rogier, ‘Het einde van het concordantiebeginsel?’, RM Themis 2016, afl. 3, p. 125 en 135.
De gescheiden rechtsordes gelden niet voor de Grondwet. Door de toetreding van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot het Nederlandse staatsbestel werd de Grondwet op 10-10-10 automatisch volledig van toepassing op deze eilanden.1 De Grondwet was in Caribisch Nederland dus ook al van toepassing voordat de staatkundige positie van de openbare lichamen aldaar per 17 november 2017 in de Grondwet werd verankerd.
Ook artikel 107 Grondwet, het codificatieartikel, geldt dus sinds 10-10-10 voor Caribisch Nederland. Aan het eerste lid van dat artikel – de opdracht om het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken te regelen – werd aanstonds voldaan doordat via de IBES (zie noot 4) de Nederlands-Antilliaanse wetboeken werden getransformeerd tot wetboeken voor Caribisch Nederland.2 Het tweede lid – de opdracht aan de wetgever om algemene regels van bestuursrecht vast te stellen – is een ander verhaal. In de Nederlandse Antillen was alleen het bestuursprocesrecht (deels) geregeld in een algemene wet: de Landsverordening administratieve rechtspraak. Deze landsverordening is op 10-10-10 voor Caribisch Nederland getransformeerd tot de Wet administratieve rechtspraak BES. Voor het materiële algemene bestuursrecht bestond op de Nederlandse Antillen geen algemene wettelijke regeling. Strikt genomen moesten er, gelet op artikel 107, tweede lid, Grondwet, voor Caribisch Nederland dus nog algemene regels van bestuursrecht worden vastgesteld. Uit de geschiedenis van deze grondwetsbepaling – en ook uit de feitelijke gang van zaken – blijkt dat deze er destijds niet toe dwong om bij het van kracht worden van de grondwetsbepaling (17 februari 1983) in één wet een alomvattende algemene regeling van het bestuursrecht te creëren. De aanleiding voor deze bundel laat zien dat het bijna elf jaar duurde tot er een eerste tranche van algemene regels in werking trad. Voor Caribisch Nederland lag dat dus niet anders: er hoefde niet op 10-10-10 een ‘Awb BES’ te zijn.
Verder is van belang dat (de toenmalige afdeling I van) de Raad van State van het Koninkrijk in 2006 had laten weten:
‘Op de terreinen die worden bestreken door de algemene wetboeken, alsmede de algemene regels van bestuursrecht zal de rechtseenheid in het Caribische gebied moeten prevaleren boven de Nederlandse rechtseenheid. Gelet op de aard van de relatie van de eilanden met Nederland is het naar het oordeel van de afdeling verenigbaar met artikel 107 van de Grondwet, de daar genoemde onderwerpen in afzonderlijke wetten te regelen, maar naar de eis van artikel 39 van het Statuut wel ‘zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze’.’
Dit stond in een voorlichtingsadvies over de hervorming van de staatkundige verhoudingen van de Antilliaanse eilanden binnen het Koninkrijk, dat richtinggevend werd voor de inrichting van de nieuwe staatkundige structuur.3 Het advies moet niet worden verstaan als vrijbrief om de in artikel 107 Grondwet genoemde onderwerpen in Caribisch Nederland te regelen in allerlei verschillende wetten en voor het bestuursrecht de verscheidenheid uit de Nederlands-Antilliaanse wetgeving voort te laten bestaan. De Raad lijkt te hebben bedoeld dat er voor Caribisch Nederland ‘eigen’ algemene wetboeken en algemene regels van bestuursrecht konden komen, met een inhoud die kon afwijken van de Nederlandse wetboeken en de Nederlandse Awb, maar daarbij wel zoveel mogelijk moest aansluiten. Ter voorkoming van misverstand had de Raad van State misschien beter kunnen kiezen voor de formulering ‘alleen voor de eilanden geldende wetten’ in plaats van ‘afzonderlijke wetten’. Met name voor het materiële bestuursrecht is dit cruciaal, omdat daar, anders dan bij het burgerlijk (proces)recht en het straf(proces)recht, in de Nederlandse Antillen juist geen sprake was van algemene wetgeving. Overigens mist de verwijzing van de Raad van State naar artikel 39 Statuut voor het bestuurs(proces)recht directe betekenis, omdat het daarin geregelde concordantiebeginsel daarvoor niet geldt.4