Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.5.3
3.5.3 Aanwijzingen en beïnvloeding
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS492516:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de mogelijkheid tot het krijgen van aanwijzingen en bevelen in het algemeen vaak zal voortvloeien uit een zekere ondergeschiktheidsrelatie, zijn er wel voorbeelden te noemen waarin men niet zozeer spreekt van ondergeschiktheid, maar er toch een aanwijzingsbevoegdheid is. Te denken valt aan de positie van de Duitse Bondskanselier die de ministers aanwijzingen (Richtlinien) kan geven.
Zie o.m. Albert & Le Compte, EHRM 10 februari 1983, Serie A, 58, § 32; Campbell en Fell, EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80, § 79; Sramek, EHRM 22 oktober 1984, Serie A, 84, § 41; Ettl, EHRM 23 april 1987, Serie A, § 38; Belilos EHRM 29 april 1988, Serie A, 132, § 66. Ook de Commissie merkt dit aan als een belangrijke waarborg van onafhankelijkheid. Zie o.m. Sutter, ECRM 1 maart 1979, D&R 16, p. 166; Mitap & Müftüoglu, ECRM 8 december 1994; Ciraklar, ECRM 20 mei 1997.
Campbell en Fell, EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80, § 79.
Belilos, EHRM 29 april 1988, Serie A, 132, § 66.
Skoogström, ECRM 15 juli 1983, appl. no. 8582/79, § 76.
Ettl e.a., ECRM 3 juli 1985, § 99, eerste alinea (annex bij EHRM 23 april 1987, Serie A, 117).
Yakiş, EHRM 25 september 2001, Appl. 33368/96, onder verwijzing naar İncal, EHRM 9 juni 1998, Reports 1998-IV, p. 1571, § 67 en Çiraklar, EHRM 28 oktober 1998, Reports 1998-VIII, p. 3073, § 39.
Een rechter die gehouden is bevelen of aanwijzingen op te volgen, is ondergeschikt aan zijn bevelgever.1 Niettemin wil ik hier in aanvulling op de vorige paragraaf wat specifieker ingaan op het aspect aanwijzingen. Als een rechter bevelen krijgt van de uitvoerende macht, raakt dat de rechterlijke onafhankelijkheid in zijn kern. Daarbij hangt het er van af waarop de bevelen betrekking hebben. Aanwijzingen die zien op de uitoefening van de rechterlijke functie (hoe te oordelen) moeten worden onderscheiden van aanwijzingen die op een ander terrein liggen (bijv. een aanwijzing ten aanzien van een andere functie die de rechter eveneens uitoefent, of ten aanzien van zaken die kunnen raken aan de uitoefening van de rechterlijke functie, zoals de bedrijfsvoering). Ook valt te bezien in hoeverre het onderscheid tussen een concrete aanwijzing (‘veroordeel persoon x’) en een algemene aanwijzing (‘strenger straffen in zaken van kindermishandeling’) relevant is. Tot slot rijst de vraag of het moet gaan om daadwerkelijke bevelen, of dat een bepaald risico van beïnvloeding reeds voldoende is om de onafhankelijkheid in de zin van artikel 6 EVRM aan te tasten.
Het is zonder meer duidelijk dat rechters die aanwijzingen kunnen krijgen van de uitvoerende macht in de uitoefening van hun rechterlijke functie niet onafhankelijk zijn. Aangezien dit zo’n flagrante schending van de functionele onafhankelijkheid is, komt die situatie amper voor in de jurisprudentie. Die conclusie is vooral af te leiden uit overwegingen waarin het Hof de onmogelijkheid tot het ontvangen van aanwijzingen in de geschillenbeslechtende functie expliciet als waarborg van onafhankelijkheid kwalificeert (tegenover bepaalde onafhankelijkheidsgebreken).2 Dergelijke overwegingen luiden als volgt. De Britse Minister van Binnenlandse Zaken was dan wel gerechtigd tot het geven van richtlijnen aan gevangeniscomités met betrekking tot de uitoefening van hun functie, maar zij waren niet onderworpen aan zijn instructies in hun rechtsprekende rol.3 Het enige lid van het Politiecomité van het Zwitserse kanton Vaud was weliswaar een gemeentelijke ambtenaar (jurist van het hoofdbureau van politie), maar zat in persoonlijke hoedanigheid in het Politiecomité en was niet onderworpen aan bevelen in de uitoefening van zijn bevoegdheden.4 En in het kader van artikel 5, derde lid, EVRM (officer authorised by law to exercise judicial power) overwoog de Commissie in Skoogström dat ‘Swedish Public Prosecutors have a personal independence as they can never receive instructions from any public authority when deciding in a particular case’.5 Overigens achtte het Hof de verdragsbepalingen in de laatste twee zaken uiteindelijk toch geschonden. In Belilos vanwege een schijn van afhankelijkheid (de gewone burger zou de ambtenaar toch zien als deel van de politie, ondergeschikt aan zijn meerderen en loyaal aan zijn collega’s) en in Skoogströmvanwege de afhankelijkheid van partijen (de officier van justitie die besloot over de verlening van voorlopige detentie was zelf partij in de zaak).
De vraag die dus overblijft, is of rechters die aanwijzingen op een ander vlak dan de rechterlijke functie kunnen krijgen nog wel onafhankelijk zijn. Dit kan vooral problematisch zijn met het oog op de schijn van afhankelijkheid van een rechterlijke instantie. Volgens de Commissie is dat niet altijd het geval:
‘The Commission considers it as incompatible with the requirement of an independent tribunal that the majority of its members (…) are civil servants who, while free from instructions in exercise of their functions within this tribunal, may nevertheless re-ceive (or give) administrative instructions in closely related matters falling outside the exercise of these functions.’6
Zoals bekend, achtte het Hof in tegenstelling tot de Commissie artikel 6 EVRM niet geschonden in deze zaak. Over de aanwijzingsbevoegdheid zegt het: ‘The Federal Constitution and the Federal Agricultural Authorities Act make provi-sion for their independence and prohibit public authorities from giving them any instructions concerning their judicial duties.’ (curs. PvdE). Dit laatste vindt het Hof dus doorslaggevend. Toch heeft het Hof in andere zaken wel een probleem gemaakt van bevelsmogelijkheden op een ander terrein dan van de rechterlijke functie met het oog op de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie. Hieronder volgen enkele overwegingen uit de uitspraak van het Hof in de zaak Yakis, waaruit achtereenvolgens blijkt dat enerzijds de onmogelijkheid tot het krijgen van aanwijzingen in de uitoefening van de rechterlijke functie een waarborg voor onafhankelijkheid vormt, en anderzijds de militaire rechters onderworpen zijn aan bevelen van de uitvoerende macht op ander terrein, mede als gevolg waarvan een schijn van afhankelijkheid rust op de rechterlijke instantie.
§ 41 ‘As regards the existence of safeguards to protect the members of the Martial Law Court against outside pressures, the Court notes that military judges undergo the same professional training as their civilian counterparts, which gives them the status of career members of the Military Legal Service. Furthermore, military judges enjoy constitutional safeguards identical to those of civilian judges. They may not be removed from office or made to retire early without their consent; as regular members of a Martial Law Court they sit as individuals. According to the Constitution, they must be independent and no public authority may give them instructions concerning their judicial activities or influence them in the performance of their duties.’
§ 42 ‘However, other aspects of their status call into question their independence and impartiality. Firstly, the military judges are servicemen who still belong to the army, which in turn takes orders from the executive. Secondly, as the applicant rightly pointed out, they remain subject to military discipline and assessment reports are compiled on them for that purpose. They therefore need favourable reports both from their administrative superiors and their judicial superiors in order to obtain promotion (see the above mentioned Mitap and Müftüoğlu v. Turkey decision of the Commission, cited above, § 104). Lastly, decisions pertaining to their appointment are to a great extent taken by the administrative authorities and the army.’
§ 46 ‘The Court considers in this connection that where, as in the present case, a tribunal’s members include persons who are in a subordinate position, in terms of their duties and the organisation of their service, vis-à-vis one of the parties, accused persons may entertain a legitimate doubt about those persons’ independence.’7
Aangezien het in de zaken voor het Hof doorgaans niet ging om daadwerkelijk ontvangen aanwijzingen, maar slechts om de mogelijkheid daartoe, kan de vraag in hoeverre het onderscheid tussen een concrete en een algemene aanwijzing relevant is, niet beantwoord worden (noch voor aanwijzingen in de rechterlijke functie, noch voor aanwijzingen in een andere functie). Aannemelijk is dat algemene aanwijzingen in de rechterlijke functie in strijd komen met artikel 6 EVRM als er objectieve factoren zijn die er op wijzen dat er druk van buitenaf op de rechter is gelegd.
Tot slot de bepaling uit de eerdergenoemde aanbeveling van het Comité van Ministers die ziet op dit aspect van de onafhankelijkheid. Principle I, tweede lid, onder d:
‘In the decision-making process, judges should be independent and be able to act without any restriction, improper influence, inducements, pressures, threats or interferences, direct or indirect, from any quarter or for any reason. The law should provide for sanctions against persons seeking to influence judges in any such manner. Judges should have unfettered freedom to decide cases impartially, in accordance with their conscience and their interpretation of the facts, and in pursuance of the prevailing rules of the law. Judges should not be obliged to report on the merits of their cases to anyone outside the judiciary.’
Volgens het Comité moet de rechter in alle opzichten vrij zijn in het bepalen van zijn oordeel. Directe, noch indirecte (pogingen tot) beïnvloeding van de rechter is toegestaan. Hierin wordt bovendien een verband gelegd tussen de onafhankelijkheid en onpartijdigheid, in die zin dat de eerste een voorwaarde is voor de laatste. Alleen zonder allerlei drukmiddelen en invloeden van buitenaf – from any quarter – kan de rechter onbevooroordeeld tot een oordeel komen. Dit beginsel beperkt zich dus niet tot druk afkomstig van andere overheidsmachten, maar strekt zich bijvoorbeeld ook uit tot media, maatschappij en lobbygroepen.