Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.4.4.3
II.4.4.3 Volgplichtarresten
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS584894:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ABRvS 6 september 2006, AB 2006, 358, m.nt. J.J.J. Sillen.
Art. 184 WvSr.
HR 24 september 2002, NJ 2003, 80, m.nt. YB (Dijkverbod); HR 26 november 2002, NJ 2003, 81 (Fokverbod); HR 17 december 2004, NJ 2005, 152, m.nt. TK; JB 2005, 32, m.nt. RJNS; AB 2005, 399, m.nt. FvO (OZB/Staat); HR 18 februari 2005, AB 2005, 400, m.nt. FvO; JBPr 2005, 35, m.nt. C.N.J. Kortmann (Ziekte van Ausjeszky); HR 11 oktober 2005, NJ 2008, 207, m.nt. P.A.M. Mevis (Gebiedsontzegging Nijmegen); HR 27 maart 2007, AB 2007, 144, m.nt. J.J.J. Sillen (Verwijderingsbevel A’dam).
Zo bijv. HR 18 februari 2005, AB 2005, 400, m.nt. FvO; JBPr 2005, 35, m.nt. C.N.J. Kortmann (Ziekte van Ausjeszky), r.o. 3.5.
Schutgens 2006, p. 104.
Zo ook: C.N.J. Kortmann in zijn JBPr noot bij Ziekte van Ausjeszky onder nr. 5.
Het bestaan van gespecialiseerde rechters in Nederland kan ertoe leiden, dat verschillende rechters bevoegd zijn te oordelen over de rechtmatigheid van hetzelfde wettelijk voorschrift. Zo is een door de burgemeester opgelegde gebiedsontzegging een besluit dat aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd. De bestuursrechter is verplicht bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit ook te toetsen of het wettelijk voorschrift waarop de gebiedsontzegging berust, rechtmatig is.1 Los daarvan kan de vaststelling en handhaving van dat voorschrift een onrechtmatige daad inhouden, waarover de burgerlijke rechter oordeelt. Ten slotte is overtreding van zo’n ontzegging een strafbaar feit,2 waarover de strafrechter beslist. Ook de strafrechter kan daardoor het voorschrift toetsen.
De Hoge Raad heeft daarom verschillende taakverdelingsregels geformuleerd. Daarmee bakent hij zijn werkterrein als burgerlijke rechter en als strafrechter af van het werkterrein van de bestuursrechter. Die regels bepalen de wijze waarop de burgerlijke rechter en de strafrechter omgaan met uitspraken van de bestuursrechter waarin deze de verbindendheid van wettelijke voorschriften heeft beoordeeld.3 De Hoge Raad heeft daarbij een evenwicht proberen te bereiken tussen enerzijds een behoorlijke taakverdeling tussen de verschillende gespecialiseerde rechters, zodat voorkomen wordt dat tegenstrijdige rechterlijke uitspraken worden gegeven en tegen beslissingen van de bestuursrechter verkapte rechtsmiddelen ontstaan, terwijl anderzijds aan burgers adequate rechtbescherming wordt geboden tegen de overheid.4 In navolging van Schutgens worden de beslissingen van de Hoge Raad waarin hij die taakverdeling heeft geformuleerd, de volgplichtarresten genoemd.5
Een goed begrip van die volgplichtarresten vereist het maken van twee onderscheidingen. Zij zijn zowel van belang voor het doorgronden van de strafrechtelijke als voor de civielrechtelijke beslissingen van de Hoge Raad.
Ten eerste vereist een goed begrip van deze volgplichtjurisprudentie het maken van onderscheid tussen gevallen waarbij een van de procespartijen in de bestuursrechtelijke procedure die toetsingsuitspraak inroept bij de burgerlijke rechter of de strafrechter en de gevallen dat een derde dat doet.
Ten tweede moet onderscheid worden gemaakt tussen voor de burger belastende en voor hem ontlastende toetsingsuitspraken. Dat onderscheid valt niet steeds samen met het onderscheid tussen de verbindendheid en de onverbindendheid van een wettelijk voorschrift.6 De onverbindendheid van een wettelijk voorschrift is voor de burger belastend als dat voorschrift bijvoorbeeld bepaalt, dat hij van een verbod ontheffing kan krijgen. Is dat voorschrift onverbindend, dan geldt het verbod onverkort voor hem. Er bestaat geen mogelijkheid van ontheffing meer.
De volgplichtarresten hebben soms tot gevolg, dat niet alleen procespartijen rechten kunnen ontlenen aan toetsingsuitspraken van de bestuursrechter, maar ook derden.
II.4.4.3.1 Eerdere toetsingsuitspraken bij de strafrechterII.4.4.3.2 Eerdere toetsingsuitspraken bij de civiele rechterII.4.4.3.3 Kritiek