Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/8.4.2
8.4.2 Exclusieve bevoegdheid akkoordaanbieder
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708278:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 371 Fw in het ter internetconsultatie gepubliceerde voorontwerp WCO II, https://www.internetconsultatie.nl/wco2.
Kamerstukken II 2018/19, 35249, nr. 3, p. 19 en 57. Dit sluit aan bij Tollenaar 2016, par. 8.2.9. Instemmend dan ook Tollenaar, TvI 2019/32, par. 10.
Als zij de mogelijkheid willen openhouden te verzoeken de homologatie van het akkoord te weigeren, zijn zij hiertoe verplicht op grond van artikel 383 lid 9 Fw. Zie over de verhouding tussen artikel 383 lid 9 Fw en artikel 378 Fw Kamerstukken II 2018/19, 35249, nr. 3, p. 67 en Vriesendorp & Van Kesteren, TvI 2019/36, par. 3.2.2.
Mennens 2020, nr. 248.
Bosch, Damsteegt-Molier & De Vos 2021, par. 18.2.1. Van Vugt stelt in Van Vugt 2017, par. 6.4.31-6.4.32, anders dan de memorie van toelichting (p. 19) en Bosch, Damsteegt-Molier & De Vos, dat de beslissing een eindbeschikking is en geen bindende eindbeslissing.
Reactie VNO-NCW en MKB-Nederland 29 november 2017, p. 8 en 9; reactie Houthoff 29 november 2017, p. 8; reactie NVB 29 november 2017, p. 5; reactie Boels Zanders Advocaten 27 november 2017, p. 10.
Als ik het goed begrijp heeft de Nederlandse Vereniging van Leasemaatschappijen gesteld dat schuldeisers alleen als het gaat om de klassenindeling een geschil zouden moeten kunnen voorleggen aan de rechter, zie de reactie van 30 november 2017, p. 11.
Reactie adviescommissie insolventierecht van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) 1 december 2018, p. 12. Zie ook Heems & Van Dijken 2021, p. 278.
Reactie De Brauw 30 november 2017, p. 21.
Een artikel 378-verzoek kan uitsluitend worden ingediend door de akkoordaanbieder. Dat was nog anders in de voorloper van de WHOA, de WCO II, die in 2014 ter consultatie is gepubliceerd. In dat voorstel konden ook schuldeisers bepaalde geschilpunten voorleggen aan de rechtbank. De rechtbank kon dan een rechter-commissaris benoemen die hierover kon oordelen.1 De wetgever heeft ervan afgezien deze bevoegdheid toe te kennen aan schuldeisers, vanwege de angst dat schuldeisers het akkoordtraject traineren.2 Als schuldeisers bezwaren hebben tegen de inhoud van het akkoord, dan kunnen zij die bezwaren voorleggen aan de akkoordaanbieder.3 De akkoordaanbieder heeft dan de mogelijkheid niks te doen, het akkoord aan te passen naar aanleiding van de voorgelegde bezwaren of een artikel 378-verzoek in te dienen.4 Schuldeisers die rechtstreeks worden geraakt door de beslissing, worden in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven op een artikel 378-verzoek (art. 378 lid 8 Fw). De beslissing van de rechtbank is bindend voor partijen die in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze te geven.5 Zij kunnen hetzelfde geschilpunt dus ook niet meer voorleggen bij de homologatie. Uit lid 3 volgt dat de rechtbank artikel 378-verzoeken zoveel mogelijk gezamenlijk behandelt en op één zitting afdoet.
In reacties op de consultatieversie is verschillend gereageerd op de keuze om schuldeisers niet de bevoegdheid te geven een artikel 378-verzoek in te dienen. Sommigen menen dat schuldeisers in het algemeen de mogelijkheid zouden moeten hebben een artikel 378-verzoek in te dienen,6 anderen stellen dat schuldeisers die bevoegdheid moeten hebben ten aanzien van specifieke onderwerpen zoals de klassenindeling,7 het stemrecht en de internationale bevoegdheid.8 Niet alle reacties op de consultatieversie waren op dit punt negatief: er is ook ingestemd met de keuze om schuldeisers niet de mogelijkheid te geven voorafgaand aan de homologatie geschillen voor te leggen aan de rechtbank.9