Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.10.6
I.3.10.6 Het correctief wetgevingsreferendum / ‘De nacht van Wiegel’
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285036:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 12 maart 1998, Stb. 1998, 137.
Handelingen I 1997/98, 22, p. 1039.
Kortmann, NJB 1999/11, p. 506.
In het Nederlands Juristenblad volgde een kleine polemiek over deze haastige behandeling. Kortmann vond het onkies dat deze behandeling zo vlak voor de verkiezingen van de Eerste Kamer geschiedde, want de Eerste Kamer poogde zo de wil van de kiezer bij de Statenverkiezingen te ontlopen. Kortmann geeft voorts aan dat er sinds 1995 de verplichte ontbinding van de Eerste Kamer in de herzieningsprocedure was afgeschaft, omdat de wil van kiezer niet tot uitdrukking zou komen. Juist nu zag men dat een ontbinding van de Eerste Kamer wel effect zou hebben gesorteerd. Er waren Statenverkiezingen geweest die zorgden voor minder draagvlak. Kortmann betichtte het kabinet van opportunisme ten koste van de stem van de kiezer. Overigens achtte Kortmann de snelle behandeling door de Eerste Kamer wel positiefrechtelijk toelaatbaar, zie Kortmann, NJB 1999/11, p. 506. De Winter reageerde kritisch op dit opiniestuk, zie: De Winter, NJB 1999/18, p. 819-820.
Uit een aflevering van het VPRO-programma Andere tijden, getiteld De strijd van Kok (deel 2) blijkt dat Thom de Graaf had gevraagd aan Kok om – indien nodig - het machtswoord uit te spreken.
Handelingen I 1998/99, 30, p. 1339-1407. In de wetenschap was er ook stevige kritiek met oog op een aantal wetstechnische punten, zie bijvoorbeeld: Kortmann, NJB 1997/6, p. 249-252; Kortmann, NJB 1997/26, p. 1175.
Een ‘klassieker’ van een verwerping door de Eerste Kamer in tweede lezing betrof de behandeling van het voorstel dat strekte tot de grondwettelijke invoering van het correctief wetgevingsreferendum. In het regeerakkoord van het kabinet-Kok I van 1994 stond dat een voorstel ter invoering van een dergelijk referendum zou worden ingediend. Dat voorstel hield in dat een door de Staten-Generaal aangenomen voorstel van wet bij referendum op bindende wijze kon worden gecorrigeerd (lees: verworpen).1 Dit gold overigens ook voor een voorstel tot herziening van de Grondwet na de tweede lezing.
De eerste lezing resulteerde in een verklaringswet die op 12 maart 1998 werd gepubliceerd.2 De meerderheid in de Eerste Kamer op 3 maart 1998 in eerste lezing bleek al krap met het oog op de tweede lezing; 27 leden stemden tegen, waaronder VVD-senator Hans Wiegel. Hoofdbezwaar van Wiegel was dat ‘[..] het referendum zich ten principale niet verdraagt met het in ons land bestaande stelsel van vertegenwoordigende democratie [..].’3
De politieke context is verhelderend ter beschrijving van het verdere verloop van de procedure. De verkiezingen van de Tweede Kamer op 6 mei 1998 gaven winst voor de twee grote coalitiepartijen: de PvdA en de VVD. Voor een gewone meerderheid in de Tweede Kamer hadden deze twee partijen het verliezende D66 niet meer nodig. In de Eerste Kamer hadden de PvdA en de VVD hadden echter geen meerderheid. Deelname van D66 aan het een kabinet-Kok II was voor de PvdA en de VVD gewenst. D66 gaf ondanks haar verlies steun aan het kabinet en in ruil daarvoor kreeg zij invloed (twee ministers) en een mooie kans om één van haar kroonjuwelen (het correctief referendum) te verzilveren. Het regeerakkoord maakte duidelijk gewag van de plannen voor bestuurlijke vernieuwing.4
In februari 1999 stemde de Tweede Kamer in tweede lezing voor het voorstel met een gekwalificeerde meerderheid. De christelijke partijen verwierpen het voorstel net zoals in de eerste lezing. Binnen drie maanden na de stemming in de Tweede Kamer volgde al de behandeling en stemming in de Eerste Kamer. De regering had haast. Saillant detail hierbij was dat op 3 maart 1999 al Statenverkiezingen hadden plaatsgevonden. De ministerraad besloot te proberen om de Eerste Kamer nog in de oude samenstelling over het voorstel te laten beslissen.56 Op 25 mei 1999 zouden verkiezingen voor de Eerste Kamer plaatsvinden, waardoor het kabinet-Kok II niet kon rekenen op een gekwalificeerde meerderheid in de nieuwe Eerste Kamer. Voor het voorstel in tweede lezing betreffende het correctief wetgevingsreferendum dreigde minder steun te zijn in een nieuwe Eerste Kamer (D66 verloor immers flink tijdens de Statenverkiezingen). Op 18 mei 1999 – één week voor de verkiezingen van de Eerste Kamer - volgde de behandeling van het wetsvoorstel in tweede lezing.7 Thom de Graaf, fractievoorzitter van D66, had voorafgaand aan het debat op televisie een dringend appèl gedaan op de VVD-senatoren om hun verantwoordelijkheid te nemen; de coalitie stond op het spel. Zeldzaam was dat de minister-president tegen het einde van het debat in de Eerste Kamer nog een klemmend beroep deed op de VVD-senatoren om voor het wetsvoorstel te stemmen. De minister-president sprak hierbij overigens niet het ‘machtswoord’ uit. Hij stelde niet de kabinetskwestie aan de orde, want hij dreigde niet met aftreden.8
Overigens bestonden naast principiële bezwaren ook enkele wetstechnische bezwaren onder de senatoren. Vooral de christelijke oppositiepartijen uitten die laatste bezwaren.9
Door de verhoudingen binnen de Eerste Kamer was VVD-senator Wiegel in een beslissende positie terecht gekomen. De christelijke partijen bleven namelijk tegen het voorstel. De VVD-senatoren Van Eekelen, Van Graafeiland, Heijne Makreel en Verbeek stemden voor het voorstel, ondanks dat zij in eerste lezing tegen hadden gestemd. Wiegel stemde – zoals bekend – om de hiervoor reeds genoemde reden tegen. De stemuitslag werd 49 stemmen voor en 26 tegen; het voorstel behaalde daarmee geen gekwalificeerde meerderheid.
Uniek was hier dat de verwerping van een voorstel in tweede lezing (indirect) leidde tot een kabinetscrisis. De ministers van de VVD en de PvdA hadden een pragmatische houding en vonden dat het kabinet kon voortgaan door een hernieuwd voorstel in te dienen in eerste lezing ter bewerkstelliging van het correctief wetgevingsreferendum. De D66-ministers vonden dat echter onvoldoende en verbonden politieke consequenties aan het voorval.10 Kok vroeg daarom op 19 mei het ontslag van het kabinet aan bij de Koningin. Hiermee was het kabinet demissionair. Op 21 mei verzocht Koningin Beatrix Tjeenk Willink (vicevoorzitter van de Raad van State) om de mogelijkheden van de voortzetting van de tweede paarse coalitie te onderzoeken. Dit onderzoek leidde tot onderhandelingen en een nieuw tussentijds regeerakkoord, waarvan tevens een nieuw herzieningsvoorstel over een correctief wetgevingsreferendum (in eerste lezing) deel ging uitmaken en een plan voor een tijdelijke referendumwet.11 Op 8 juni trok Kok de ontslagaanvraag van het kabinet in.12