Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.3.9
6.3.9 Vergoeding en onkosten
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708332:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
‘Kuipen’ is volgens de Dikke Van Dale ‘heimelijke, ongeoorloofde of oneerlijke middelen aanwenden om zichzelf of anderen aan een ambt enz. te helpen of een tegenstander ten val te brengen.’ Geraadpleegd in Van Dale Online op 10 oktober 2022.
Van der Feltz II 1896, p. 20.
Van der Feltz II 1896, p. 20 en 21.
Gispen 2009, p. 63.
Van der Feltz II 1896, p. 20.
Gispen 2009, p. 63.
Gispen 2009, p. 63.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 19 april 2013, RI 2013/93 (Hulshof/DSB), waar een lid van de schuldeiserscommissie jaarlijks maximaal EUR 20.000 kosten voor juridische bijstand mocht declareren en dit verhoogd wilde zien naar een maximum van EUR 50.000.
Gispen 2009, p. 63.
Dat het handig is met de curator te overleggen over kosten van deskundigen volgt ook uit Groenewegen & Orval 2008, par. 4.1.5.
Gispen 2009, p. 63.
Rechtbank Amsterdam 19 april 2013, RI 2013/93 (Hulshof/DSB), r.o. 6.1. Zie instemmend met deze uitspraak Wessels Insolventierecht IV 2020/4276.
Rechtbank Amsterdam 19 april 2013, RI 2013/93 (Hulshof/DSB), r.o. 6.3.
Rechtbank Utrecht 7 juli 1999, JOR 1999/187.
Salaris
Leden van de schuldeiserscommissie ontvangen in beginsel geen vergoeding voor de tijd die zij besteden aan de commissie. Zou dat wel het geval zijn, dan zou dat volgens de wetsgeschiedenis met zich brengen dat ‘de minder nauwgezette schuldeischers daarin allicht aanleiding vinden om het lidmaatschap te ambiëeren, waarvan weer kuiperijen1 en onzuivere stemmingen het gevolg kunnen zijn.’2 Een andere reden om geen salaris toe te kennen voor het lidmaatschap van de commissie is het karakter van de commissie en het vermijden van faillissementskosten.3 In bijzondere gevallen is een uitzondering op deze regel geoorloofd. Gispen noemt als voorbeeld dat het werk voor de commissie buitensporig veel tijd kost.4 Ik meen overigens dat dit in veel gevallen juist een reden is om geen salaris toe te kennen, omdat het anders (afhankelijk van het aantal leden en de hoogte van de vergoeding) tot een behoorlijke toename van de faillissementskosten zou kunnen leiden. Een vergoeding ligt wel in de rede als iemand louter als deskundige wordt benoemd en niet (mede) als belangenbehartiger. Een deskundige heeft daarom een eigen belang om zitting te nemen in de commissie en veel werkzaamheden te verrichten voor de commissie. De rechtbank of rechter-commissaris zou daarom terughoudend moeten zijn in het benoemen van een deskundige als lid van de commissie.
Onkosten
Onkosten van de commissie en haar leden zijn faillissementskosten. Volgens de memorie van toelichting is dit zo vanzelfsprekend dat het niet nodig is dit in de wet op te nemen.5 Dat mag zo zijn, maar er valt over te twisten welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Onder deze te vergoeden kosten vallen in ieder geval redelijke reis- en verblijfkosten.6 Om discussies achteraf te voorkomen over de redelijkheid van de vergoeding, kan in het reglement voor de reiskosten een vergoeding per kilometer en voor de verblijfkosten een maximale dag- en nachtvergoeding worden opgenomen. Kosten voor deskundigen die ingeschakeld worden door individuele leden komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking,7 hoewel andere afspraken mogelijk zijn.8
Redelijke kosten van de commissie als zodanig voor het inschakelen van deskundigen komen in beginsel wel voor vergoeding in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de kosten voor juridische bijstand,9 met name als het gaat om hoger beroep bij de rechtbank tegen beslissingen van de rechter-commissaris op grond van artikel 67 Fw, omdat hiervoor verplichte procesvertegenwoordiging geldt op grond van artikel 5 lid 1 Fw. Ook over vergoeding van de kosten van de commissie kunnen afspraken worden opgenomen in een reglement. Een mogelijkheid is om de commissie tot een bepaald bedrag vrij te laten in het inschakelen van deskundigen en juridische bijstand en voor hogere kosten overleg te voeren met de curator.10 Met een dergelijke regeling kan de curator de kosten in de hand houden en wordt de schuldeiserscommissie niet te zeer beknot door de curator.
Geschillen
Bij discussie tussen de curator en de commissie over vergoeding van kosten van de commissie kan de schuldeiserscommissie op grond van artikel 69 Fw de rechter-commissaris verzoeken te bevelen dat de curator de kosten van de commissie vergoedt.11 De bevoegdheid om een artikel 69-verzoek in te dienen komt alleen toe aan de commissie. In het faillissement van DSB werd een individueel commissielid niet-ontvankelijk verklaard in een verzoek om een bevel dat bepaalde door hem gemaakte kosten als boedelkosten zouden worden vergoed op grond van artikel 69 Fw. De reden hiervoor was dat het lid het verzoek deed als boedelschuldeiser en dat het niet aan de rechter-commissaris is om aan curatoren te bevelen handelingen te verrichten of na te laten ten aanzien van boedelschulden.12 Ook verder biedt de wet geen grondslag om de rechter-commissaris of de rechtbank te laten beslissen over de vergoeding van kosten van individuele leden. Het is aan de curatoren om te beoordelen of kosten noodzakelijk en redelijk zijn en voor vergoeding in aanmerking komen. Dat de rechtbank Amsterdam als beleid heeft dat kosten vooraf moeten worden goedgekeurd door de rechter-commissaris, brengt hierin geen verandering.13
De stelling dat het niet aan de rechter-commissaris is om een bevel te geven over boedelkosten, kan ook tot de conclusie leiden dat een verzoek van de commissie om kosten te vergoeden niet voor toewijzing in aanmerking komt. Een geschil over vergoeding van de kosten kan dan in het geheel niet door een rechter worden beslecht, omdat de schuldeiserscommissie bij gebrek aan rechtspersoonlijkheid niet buiten de Faillissementswet om een procedure kan starten om kosten vergoed te krijgen.14 De curator zou dan de schuldeiserscommissie, ook in haar controlerende taak, de pas af kunnen snijden door de commissie niet te financieren. Dat zou zeer onwenselijk zijn. Omdat de commissie als taak heeft om de curator mede in het belang van de schuldeisers te adviseren en te controleren, valt een geschil over te maken kosten naar mijn mening wel onder de reikwijdte van artikel 69 Fw.
De curator kan de commissie ook de pas afsnijden door onkosten van individuele leden niet te vergoeden. Het is naar mijn mening daarom wenselijk dat de rechter-commissaris wel de bevoegdheid heeft om een geschil hierover te beoordelen. Daartoe kan in overleg met de rechter-commissaris een geschillenregeling worden opgenomen in het reglement. Om eventuele onduidelijkheid hierover weg te nemen, zou de bepaling in het reglement niet alleen moeten zien op de individuele leden, maar ook op de commissie zelf. In paragraaf 6.6.3 doe ik, mede naar aanleiding van rechtsvergelijkende inzichten, een voorstel voor een wettelijke regeling op dit punt.