Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.3.5
6.3.5 Samenstelling
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708399:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van der Feltz II 1896, p.23.
Van der Feltz II 1896, p.28 en 29.
Rechtbank Amsterdam 3 maart 2021, JOR 2021/189 (Conservatrix), r.o. 6.2.
Rechtbank Amsterdam 3 maart 2021, JOR 2021/189 (Conservatrix), r.o. 6.2.
Rechtbank Noord-Holland 22 april 2021, JOR 2021/222 (D-reizen), r.o. 4.4.
Toelichting op artikel 4.4.1 van het Voorontwerp Insolventiewet.
Verstijlen, TvI 2008/4.
Aerts 2008, par. 5.5 Gispen & Van Gangelen 2008, p. 516-517.
Gispen & Van Gangelen 2008, p. 517. Zie verder over kosten van de commissie paragraaf 6.3.9.
Wessels vindt het begrip ‘vertegenwoordiging’ ongelukkig gekozen. Zie Wessels Insolventierecht IV 2020/4275a en ook Wessels, TvCu 2019, afl. 4, par. 5. Gedoeld wordt op de behartiging van de belangen van diverse groepen schuldeisers, niet op wat Kortmann noemt ‘vertegenwoordiging in het privaatrecht’ in Asser/Kortmann 3-III 2017/1. Kortmann stelt terecht dat vertegenwoordiging een ‘meerzinnig begrip’ is. Omdat uit de context duidelijk wordt wat wordt bedoeld met ‘vertegenwoordiging’, heb ik geen moeite met het gebruik van dit begrip in artikel 74 en 75 lid 1 Fw.
Kamerstukken II 2016/17, 34740, nr. 3, p. 24. In de memorie van toelichting worden hiervoor andere en naar mijn mening minder duidelijke begrippen gebruikt. Wat onder rang wordt verstaan spreekt voor zich. Verschillende typen schuldeisers zijn bijvoorbeeld leveranciers, consumenten en banken. Bij grondslag kan weer onderscheid gemaakt worden tussen bijvoorbeeld soorten overeenkomsten waarop een vordering is gebaseerd.
Rechtbank Noord-Holland 22 april 2021, JOR 2021/222 (D-reizen), r.o. 4.5. De leden weden daadwerkelijk benoemd in Rechtbank Noord-Holland 10 mei 2021, RI 2021/64.
Rechtbank Rotterdam 17 maart 2016, JOR 2016/251.
Wat bijvoorbeeld in het faillissement van Imtech gebeurde. Zie Rechtbank Rotterdam 17 maart 2016, JOR 2016/251.
Dat gebeurde in het faillissement van D-reizen. Zie Rechtbank Noord-Holland 10 mei 2021, RI 2021/64. Het is overigens de vraag of dit voor invoering van de WMF mogelijk was, omdat het lidmaatschap van de commissie toen was voorbehouden aan schuldeisers. Zie daarover Gispen 2009, p. 57-58.
Omdat voor 1 januari 2019 uitsluitend schuldeisers lid konden zijn van de commissie, meende Gispen dat het lidmaatschap van de commissie onder oud recht wel een kwalitatief recht was. Het verlies van het schuldeiserschap leidde naar zijn mening ook tot verlies van het lidmaatschap van de commissie. Zie Gispen 2009, p. 58.
De voorlopige schuldeiserscommissie wordt samengesteld door de rechtbank, de definitieve commissie door de rechter-commissaris. In het ontwerp van de Faillissementswet werden de leden benoemd door de schuldeisersvergadering. Daar is vanwege twee risico’s toch van afgezien. In de eerste plaats zou daardoor het risico ontstaan dat de grote schuldeisers, die de meeste macht hebben in de schuldeisersvergadering, uitsluitend zichzelf zouden benoemen. Dat werd niet wenselijk geacht, omdat de commissie er ook was ter bevordering van de belangen van de kleine schuldeisers.1 Een tweede risico, dat in feite tegengesteld is aan het eerste risico, is dat met name schuldeisers van wie de vordering wordt betwist op de verificatievergadering aanwezig zijn. Schuldeisers van wie de vordering al is erkend verschijnen vermoedelijk niet. Het werd onwenselijk geacht dat een toevallige groep schuldeisers met twijfelachtige vorderingen een zo belangrijke beslissing zou nemen als de samenstelling van de definitieve commissie. Om die reden is ervoor gekozen de samenstelling van de definitieve commissie over te laten aan de rechter-commissaris.2
De commissie moest voor inwerkingtreding van de WMF bestaan uit één tot drie schuldeisers. Met de WMF mag de commissie bestaan uit meer dan drie leden. Volgens de memorie van toelichting was de limiet van drie leden te beperkend in faillissementen met veel verschillende categorieën schuldeisers.3 Om te voorkomen dat de stemmen staken, moet het aantal oneven zijn (art. 74 en 75 lid 1 Fw). Anders dan de rechtbank Amsterdam overwoog in het faillissement van Conservatrix,4 wordt niet gesproken over een minimum van drie leden. Een commissie met één lid lijkt in theorie dus nog steeds mogelijk, hoewel de commissie in dat geval in de regel niet evenwichtig zal zijn samengesteld. In de gepubliceerde uitspraken waarin na invoering van de WMF een commissie werd ingesteld, werden telkens drie leden benoemd. In het faillissement van Conservatrix had dat (mede) een praktische reden. Er waren vier kandidaten voorgedragen. Omdat een vijfde kandidaat niet voorhanden was, benoemde de rechtbank een commissie van drie leden.5 In het faillissement van D-reizen werd verzocht om een commissie met vijf leden. Omdat slagkracht gewenst was en de aard en omvang van het faillissement niet om een grotere commissie vroeg, benoemde de rechtbank een commissie van drie leden.6
Met de inwerkingtreding van de WMF kunnen ook boedelschuldeisers en niet-schuldeisers benoemd worden tot lid van de schuldeiserscommissie. Een niet-schuldeiser kan als behartiger van een specifiek belang worden benoemd. Als een doorstart tot de mogelijkheden behoort, ligt bijvoorbeeld de benoeming van een vertegenwoordiger van de werknemers voor de hand.7 Het is ook mogelijk dat een deskundige wordt benoemd als lid van de schuldeiserscommissie.8 In het Voorontwerp Insolventiewet was ook de mogelijkheid opgenomen een (insolventie)deskundige onderdeel te laten uitmaken van een commissie.9 In de literatuur werd hier met de nodige scepsis op gereageerd. Verstijlen merkte op dat het de vraag is of een insolventiedeskundige in de commissie veel toevoegt, omdat dan de ene private insolventiedeskundige de andere controleert.10 Een bezwaar tegen een deskundige als lid in het algemeen is gelegen in de kosten en in het feit dat een deskundige geen prikkel heeft in het belang van de boedel of bij de boedel betrokken belangen te acteren binnen de commissie.11 Dit zijn reële bezwaren tegen de benoeming van een deskundige, zodat de rechtbank of rechter-commissaris daarmee naar mijn mening terughoudend moet zijn. Een geschikt alternatief voor het benoemen van een deskundige is het toekennen van een budget aan de commissie om deskundigen te raadplegen.12
In de wet is expliciet opgenomen dat de commissie ‘belangrijke groepen van schuldeisers’ vertegenwoordigt (art. 74 en 75 lid 1 Fw).13 Schuldeisers kunnen bijvoorbeeld worden onderverdeeld naar rang, type en grondslag van hun vordering.14 Uit de memorie van toelichting bij de WMF volgt dat de bedoeling van de commissie mede is dat de curator een beeld kan krijgen van alle belangen die spelen in het faillissement, waaronder maatschappelijke belangen. Dat de wet het alleen heeft over de vertegenwoordiging van belangrijke groepen van schuldeisers is daarom naar mijn mening te beperkt. Het zou beter zijn als in de wet bijvoorbeeld zou staan dat de commissie zodanig wordt samengesteld dat de voornaamste belangen die spelen in het faillissement door de leden van de commissie kunnen worden behartigd.
De eerste keer dat niet-schuldeisers in een gepubliceerde uitspraak zijn benoemd tot lid van een commissie, is in het faillissement van D-reizen. Voor de behartiging van de belangen van de werknemers werd een lid namens FNV Advocaten benoemd. Mede omdat schuldeisers uit de reisbranche mogelijk een tegenstrijdig belang hadden, werd een lid benoemd namens de Algemene Nederlandse Vereniging Reisondernemingen (ANVR). Hiermee was de reisbranche naar het oordeel van de rechtbank adequaat vertegenwoordigd. Het derde lid dat werd benoemd was een lid namens de Belastingdienst.15 De rechtbank maakt niet duidelijk waarom iemand namens de Ontvanger werd benoemd, maar in het faillissement van Imtech was een van de redenen daarvoor dat de Ontvanger een breder belang vertegenwoordigt dan commerciële schuldeisers. Onder dit bredere belang dat de Ontvanger vertegenwoordigt valt ook het maatschappelijk belang. Dit zou de discussie binnen de commissie en de advisering aan de curatoren kunnen bevorderen. Verder werd van belang geacht dat de Ontvanger over bepaalde inzichten en instrumenten beschikt waarover andere schuldeisers niet beschikken.16 De Ontvanger is in veel faillissementen een grote (preferente, en regelmatig ook boedel)schuldeiser, wat ook kan bijdragen aan de beslissing om de Ontvanger te benoemen als lid van de commissie.
Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen worden benoemd tot leden van een commissie.17 Als rechtspersonen tot lid worden benoemd,18 is het zinvol duidelijke afspraken te maken over de vertegenwoordiging van die leden. Het komt de slagvaardigheid van het optreden van de commissie niet ten goede als een lid iedere vergadering van de commissie door een andere natuurlijke persoon wordt vertegenwoordigd. Om discussie daarover te voorkomen, kan het zinvol zijn een natuurlijk persoon te benoemen als lid van de commissie namens een bepaalde rechtspersoon.19 Mocht de persoon die is benoemd namens een bepaalde rechtspersoon na verloop van tijd niet meer betrokken zijn bij die rechtspersoon, dan ligt het voor de hand dat hij of zij ontslag neemt als lid van de schuldeiserscommissie en wordt vervangen door iemand anders namens de rechtspersoon. Houdt iemand niet de eer aan zichzelf, dan kan zo iemand worden ontslagen door de rechtbank of de rechter-commissaris (art. 75a lid 2 Fw). Het lidmaatschap is geen kwalitatief recht in de zin dat het verlies van betrokkenheid bij de rechtspersoon van rechtswege verlies van het lidmaatschap met zich brengt.20