Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures
Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.3.1:6.3.1 Inleiding
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.3.1
6.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708379:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Muntz 1888, p. 35-44.
Muntz 1888, p. 40. Zie hierover ook Van Galen, TvI 2000, afl. 7.
Muntz 1888, p. 40 en 41.
Van der Feltz II 1896, p. 20.
Zie hierover bijvoorbeeld Jansen, Klomp & Lokin, TvI 1996, afl. 5.
Molengraaff 1914, p. 352-353.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De schuldeiserscommissie is in het Nederlandse recht geïntroduceerd met de inwerkingtreding van de huidige Faillissementswet. Voordien hadden schuldeisers nauwelijks invloed op de afwikkeling van het faillissement. Men was het aan het einde van de twintigste eeuw met elkaar eens dat schuldeisers meer invloed moesten kunnen uitoefenen, maar over het antwoord op de vraag op welke wijze die invloed vorm moest krijgen was geen consensus.1 De meerderheid van de aanwezigen op de vergadering van de NJV (thans gespeld als Nederlandse Juristen Vereniging) in 1871 had zich tegen invoering van een schuldeiserscommissie verklaard.2 Muntz geeft scherp weer waarom het niet logisch is het oordeel van de vergadering van de NJV van doorslaggevend belang te laten zijn: ‘Zou echter de vraag niet geoorloofd zijn, of in eene vergadering van kooplieden, gewoon om in faillissementen hunnen rechten te doen gelden, de stemming niet anders zou uitvallen, dan in eene vergadering van juristen, vooral in de betrekking van curators met failliete boedels bekend?’3
Ondanks het feit dat veel juristen tegen introductie van een schuldeiserscommissie waren, werd de mogelijke invloed van schuldeisers op de afwikkeling van het faillissement toch mede vergroot door de introductie van de ‘commissie uit de schuldeischers’ in de Faillissementswet.4 Molengraaff, die nauw betrokken was bij de totstandkoming van de Faillissementswet,5 noemde de commissie een experiment waarvan de uitkomst lastig te voorspellen was. Het kon volgens Molengraaff in ieder geval geen kwaad dat de schuldeiserscommissie was opgenomen in de wet, omdat instelling van de commissie facultatief was. Als de rechter en schuldeisers een commissie in de praktijk niet zinvol zouden achten, dan kon de instelling van een commissie achterwege worden gelaten.6 Op die manier werd de kritiek op de introductie van de commissie in de Faillissementswet in wezen onschadelijk gemaakt.
De WMF bracht een aantal wijzigingen aan in de bepalingen die zien op de commissie. Een belangrijke wijziging is de openstelling van het lidmaatschap van de commissie voor anderen dan schuldeisers. Om dat tot uitdrukking te laten komen is de naam ‘commissie uit de schuldeisers’ vervangen door ‘schuldeiserscommissie’.7 Gemakshalve gebruik ik de term ‘schuldeiserscommissie’ ook als het gaat om de commissie zoals deze voor 1 januari 2019 in de wet was geregeld. Voorafgaand aan de verificatievergadering kan door de rechtbank een voorlopige schuldeiserscommissie worden benoemd. Tijdens de verificatievergadering besluiten de schuldeisers over de instelling van een definitieve commissie. De voorlopige en definitieve commissie verschillen uitsluitend van elkaar als het gaat om het moment en de wijze van ontstaan.8 In verband hiermee berust de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van de leden en de vaststelling van een reglement van de voorlopige commissie bij de rechtbank, terwijl die bevoegdheden bij de definitieve commissie bij de rechter-commissaris liggen. Tenzij dat expliciet anders wordt vermeld, wordt met het begrip schuldeiserscommissie gedoeld op zowel de voorlopige als de definitieve commissie.
In deze paragraaf wordt de schuldeiserscommissie naar huidig recht behandeld. Nadat in paragraaf 6.3.2 is ingegaan op de bevoegdheden en plichten van de commissie, komen in paragraaf 6.3.3 de taak en het nut van de commissie aan bod. Daarna komen de instelling (6.3.4) en samenstelling (6.3.5) naar voren. Het belang waarop de commissie en de commissieleden zich moeten richten wordt aan de orde gesteld in 6.3.6. De besluitvorming en vertegenwoordiging vormen het onderwerp van 6.3.7 en het tegenstrijdig belang komt in 6.3.8 naar voren. Paragraaf 6.3.9 gaat over de vergoeding en onkosten en tot slot handelt 6.3.10 over het reglement van de commissie.