Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.3.7
6.3.7 Besluitvorming en vertegenwoordiging
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708353:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van der Feltz II 1896, p. 32.
Groenewegen & Orval 2008, par. 4.1.2.
Die afspraak was bijvoorbeeld gemaakt in het faillissement van Thermphos. Zie Lintel & Roffel, TvI 2017/42.
In Rechtbank ’s-Hertogenbosch 9 februari 2007, JOR 2007/127 werd bijvoorbeeld geoordeeld dat een lid de commissie onbevoegd vertegenwoordigde. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank met toepassing van artikel 81 RO in HR 30 november 2007, JOR 2008/59.
Gispen 2009, p. 60-61.
Gispen 2009, p. 60. Anders: Groenewegen & Orval 2008, par. 4.1.1.
De wet bevat geen bepalingen over besluitvorming door en vertegenwoordiging van de schuldeiserscommissie. Daar is bewust voor gekozen, omdat een gedetailleerde regeling de commissie in de weg zou staan.1 De enige bepaling over de vergaderorde is dat de curator in vergaderingen met de commissie voorzitter en penvoerder is (art. 77 Fw). Daarnaast kan de commissie zoveel als zij wil buiten de aanwezigheid van de curator samenkomen.2 In een dergelijke vergadering kan een advies aan de curator worden voorbereid en kan bijvoorbeeld worden besloten tot het indienen van een artikel 69-verzoek of een verzoek tot ontslag van de curator. Afspraken over de vergaderfrequentie, oproeping van de leden en het voorzitterschap van vergaderingen die worden gehouden buiten aanwezigheid van de curator kunnen worden vastgelegd in een reglement, waarover meer in paragraaf 6.3.10.
Besluitvorming
De wetgever gaat er kennelijk van uit dat ieder commissielid één stem heeft en dat de commissie besluit bij gewone meerderheid van op een vergadering aanwezige stemmen. De ratio achter de verplichting tot het hebben van een oneven aantal leden is immers om zoveel mogelijk te voorkomen dat de stemmen staken.3 In de wet is niet opgenomen wat het gevolg is als de stemmen onverhoopt toch staken. In aansluiting op artikel 2:120/230 lid 1 BW ligt het voor de hand dat een voorstel in dat geval is verworpen.
In de literatuur is opgemerkt dat het mogelijk zou zijn af te wijken van deze uitgangspunten door bijvoorbeeld in een reglement een quorum of versterkte meerderheid overeen te komen voor bepaalde belangrijke besluiten.4 Een afwijking van het uitgangspunt dat ieder lid één stem heeft ligt niet voor de hand vanwege de vaak ongelijksoortige belangen die de diverse leden behartigen. Onder een afwijking van dit uitgangspunt versta ik ook de regeling die een doorslaggevende stem toekent aan een specifiek lid voor het geval de stemmen staken. Als het gaat om een besluit over het advies dat wordt gegeven aan de curator, is een quorum of versterkte meerderheid naar mijn mening niet nodig. Het belang van het advies is met name dat de curator zich ervan bewust wordt hoe door de verschillende leden wordt gedacht over een voorgenomen besluit. Het is daarom veel zinvoller dat opvattingen die afwijken van het advies waartoe met meerderheid van stemmen is besloten worden opgenomen in het (schriftelijke) advies aan de curator.5
Vertegenwoordiging
In de regel is het niet praktisch dat de commissie telkens als geheel besluiten uitvoert. Vaak ligt het meer voor de hand dat een vertegenwoordiger wordt aangewezen om bijvoorbeeld een artikel 69-procedure te voeren namens de schuldeiserscommissie. Niet ieder lid van de commissie is zonder meer bevoegd de commissie te vertegenwoordigen.6 Omdat in de wet geen regeling over vertegenwoordiging van de commissie is opgenomen, moet uit een reglement of een besluit van de commissie blijken dat een lid vertegenwoordigingsbevoegd is. Het ligt het meest voor de hand in een reglement overeen te komen dat de commissie iemand bij meerderheidsbesluit de bevoegdheid kan toekennen om de commissie in een specifiek geval te vertegenwoordigen.7 Omdat de belangen die de diverse leden behartigen in de regel in meerdere of mindere mate van elkaar verschillen, ligt het niet voor de hand dat een of meer leden van de commissie in het algemeen de bevoegdheid krijgen namens de commissie naar buiten toe op te treden.8