Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.7.6
5.7.6 De Law Commission
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Law Com No 276, par. 1.4.
Minister van Binnenlandse Zaken.
Law Com No 276, par. 1.1-1.2.
Law Com No 276, par. 3.10-3.24. De Law Commission wees op de zaak Gomez (zie ook paragraaf 5.3.4.1) om aan te tonen dat dit probleem niet beperkt was tot zaken die onder de verkeerde deception-bepaling werden vervolgd, maar ook zag op zaken waarin wegens theft werd vervolgd waar deception meer voor de hand had gelegen. zie Law Com No 276, par. 3.21.
Law Com No 276, par. 3.29-3.33.
Law Com No 276, par. 3.34.
Law Com No 276, par. 3.36- 3.39.
Law Com No 276, par. 4.1-4.4.
Law Com No 276, par. 5.1-5.19.
Zie, ook voor de overige bezwaren, Law Com No 276, par. 5.20 e.v.
Law Com No 276, par. 7.1-7.4.
Law Com No 276, par. 1.6.
Law Com No 276, par. 7.58.
Law Com No 276, par. 8.7.
Law Com No 276, par. 8.16.
Volgens de Law Commission kon ook het common law delict conspiracy to defraud worden ingetrokken, vgl. Law Com No 276, par. 9.1-9.6, maar dat is niet gebeurd, vgl. de explanatory notes bij de Fraud Act 2006, onder 6.
De Law Commission werkte, met tussenpozen, al sinds de jaren zeventig aan de ‘law of fraud’. Een van de doelstellingen in de rapporten die de commissie hierover had uitgebracht, was te verzekeren dat de reikwijdte van de strafbaarstelling van fraude ruim genoeg zou zijn om fraudeurs succesvol te vervolgen en juist te straffen, zonder dat die omschrijving zo ruim zou zijn dat de persoonlijke vrijheid beperkt werd of zo vaag dat het in strijd zou zijn met de ‘rule of law’.1
In april 1998 vroeg de toenmalige Home Secretary2 de Law Commission:
“As part of their programme of work on dishonesty, to examine the law on fraud, and in particular to consider whether it: is readily comprehensible to juries; is adequate for effective prosecution; is fair to potential defendants; meets the need of developing technology including electronic means of transfer; and to make recommendations to improve the law in these respects with all due expedition. In making these recommendations to consider whether a general offence of fraud would improve the criminal law.”3
De Law Commission had verschillende bezwaren tegen de veelheid aan bedrogsdelicten. In de eerste plaats wees de commissie er op dat die veelheid, zoals in de zaak Preddy was gebeurd, ruimte laat om technische argumenten tot bloei te laten komen. Een tweede bezwaar was dat het gevaar bestaat dat een verdachte voor het verkeerde feit of voor te veel feiten wordt vervolgd.4 Voorts wees de commissie op de beperkingen van het begrip deception. Voor deception was vereist dat iemand was misleid. Het geval kon zich echter voordoen dat iemand handelde naar aanleiding van de valse voorstellingen van een verdachte zonder stil te staan bij de vraag of die voorstelling juist of onjuist is. Van echte misleiding was dan geen sprake. Deze situatie deed zich bijvoorbeeld voor als een verdachte zonder toestemming met de pinpas van een ander betaalde in een winkel. Het House of Lords had in een aantal gevallen aangenomen dat de winkelier, niet wetende dat de verdachte niet gerechtigd was de kaart te gebruiken, misleid was. De commissie vond dit gekunsteld.5 Soortgelijke problemen deden zich voor bij computers en machines. Een machine heeft geen bewustzijn en kan dus niet worden misleid. Iemand die bedrieglijk een voordeel verkreeg door het verstrekken van onjuiste informatie aan een machine, pleegde geen deception-delict. Als het voordeel een goed betrof, was hij normaliter schuldig aan theft. Maar als het voordeel iets anders betrof, bijvoorbeeld een service, was geen sprake van een strafbaar feit.6 Daarnaast wees de commissie er op dat zich ook gevallen kunnen voordoen waarin iemand wordt bedrogen, maar waarin helemaal geen sprake is van valse voorstellingen. Bij wijze van voorbeeld noemde de commissie het verkondigen van halve waarheden die een onjuiste indruk wekken en het misbruiken van een bepaalde positie.7
De commissie heeft onderzocht of de hiervoor genoemde problemen (en de hier niet besproken problemen die zich voordeden ten aanzien van ‘conspiracy to defraud’) eenvoudig opgelost zouden kunnen worden door afschaffing van het delict ‘conspiracy to defraud’ en het consolideren van de deception-bepalingen in één bepaling. Het probleem was alleen dat, als gevolg van de beperkte betekenis van deception, ‘conspiracy to defraud’ als een soort vangnet in fraudezaken fungeerde. Het afschaffen van die bepaling zou dus als gevolg hebben dat gedrag dat eerder strafbaar was, dat niet meer zou zijn. De commissie wees daarbij op twee categorieën: in de eerste plaats gevallen waarin wel sprake was van deception, maar die niet vielen onder de toen geldende deception-bepalingen en in de tweede plaats handelen waarbij sprake is van een oogmerk om voordeel te behalen of een intentie om verlies te veroorzaken, maar niet van deception.8
Voordat de commissie kwam met voorstellen voor nieuwe strafbaarstellingen, onderzocht zij eerst de rol van dishonesty (oneerlijkheid) in het strafrecht. De commissie stelde vast dat er geen definitie van oneerlijkheid was en dat de vraag of sprake was van oneerlijkheid nog steeds beantwoord moest worden aan de hand van de Ghosh-test (zie hiervoor paragraaf 5.3.4.2). Die test was in de praktijk onproblematisch gebleken. Wel stelde de commissie zich op het standpunt dat oneerlijkheid slechts een negatief element zou mogen zijn in een strafbaarstelling, dat wil zeggen dat het ontbreken van oneerlijkheid een verweer zou kunnen zijn, maar dat de vraag of bepaald gedrag strafbaar is, niet slechts zou mogen afhangen van dit element. Oneerlijkheid moest een noodzakelijk – maar niet voldoende – element zijn.9 In het verlengde daarvan was het logisch dat de Law Commission geen algemeen dishonesty-delict voorstelde. Onder meer de Crown Prosecution Service was hier een voorstander van, in het bijzonder vanwege de flexibiliteit die een dergelijk delict zou bieden. Een dergelijke strafbaarstelling leek de Law Commission echter in strijd met onder meer het legaliteitsbeginsel, meer in het bijzonder met het rechtzekerheidsbeginsel.10
De commissie stelde een nieuwe start voor, in die zin dat het tijd was voor een algemeen fraudedelict dat niet te zwaar leunt op het begrip oneerlijkheid, maar dat wel ruim en flexibel genoeg is om alle gevallen te omvatten die tot die tijd als ‘conspiracy to defraud’ werden vervolgd.11
De Law Commission oordeelde dat een algemeen fraudedelict de wet zou verbeteren in ieder door de Home Secretary genoemd aspect:
Het zou de wet begrijpelijker maken voor jury’s, in het bijzonder in zware fraudezaken. De mogelijke beschuldigingen waren tot dan toe talrijk, en geen daarvan beschreef adequaat wat fraude was. De wettelijke bepalingen waren te specifiek om een algemene beschrijving te leveren, terwijl het common law delict ‘conspiracy to defraud’ zo ruim was dat het weinig richting gaf voor het onderscheid tussen frauduleus en legitiem handelen.
Een algemeen fraudedelict zou een nuttig instrument voor effectieve vervolgingen zijn. Specifieke delicten werden soms ten onrechte tenlastegelegd, of althans in omstandigheden waar een ander delict meer op zijn plaats zou zijn geweest.
Het introduceren van een algemeen fraudedelict zou de wet ingrijpend vereenvoudigen.
Een algemeen fraudedelict zou van toepassing zijn op alle gevallen van fraude. Het zou dus beter gelijke tred moeten kunnen houden met technologische ontwikkelingen.12
Het eerste voorstel van de Law Commission zag op het algemene fraudedelict en luidde als volgt:
“We recommend that any person who, with intent to make a gain or to cause loss or to expose another to the risk of loss, dishonestly
makes a false representation, or
fails to disclose information to another person which
he or she is under a legal duty to disclose, or
is of a kind which the other person trusts him or her to disclose, and is information which in the circumstances it is reasonable to expect him or her to disclose, or
abuses a position in which he or she is expected to safeguard, or not to act against, the financial interests of another person, and does so without the knowledge of that person or of anyone acting on that person’s behalf,
should be guilty of an offence of fraud.”13
Naast een algemeen fraudedelict stelde de commissie strafbaarstelling van – het in de ogen van de commissie ‘theft-like’ delict14 – ‘obtaining services dishonestly’ voor:
“We recommend that any person who by any dishonest act obtains services in respect of which payment is required, with intent to avoid payment, should be guilty of an offence of obtaining services dishonestly.”15
Al het handelen dat tot dan toe onder één van de acht deception-bepalingen viel, zou voortaan onder één van de twee voorgestelde delicten kunnen worden gebracht. De oude deception-bepalingen konden volgens de commissie daarom worden ingetrokken.16