Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/2.4.1
2.4.1 Van rechtszekerheid naar vertrouwen
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685491:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nicolaï 1990, p. 41-49. Nicolaï merkt op p. 46 op dat de CRvB weliswaar toetste aan het ongeschreven recht, maar slechts in geval van terugwerkende kracht van wet en administratief besluit. Het ging dan om het beginsel dat ingrijpen met terugwerkende kracht in een rechtmatig vastgestelde rechtspositie van de ambtenaar verbiedt. Zie ook Wiarda 1952, p. 62 en Schlössels 2019b, par. 4.
Nicolaï 1990, p. 53.
Donner 1984, p. 465.
Ortlep 2020a is van mening dat ook in de huidige bestuursrechtspraak redelijkheid en billijkheid een grote rol speelt.
Zie over het ontstaan van die beginselen, Nicolaï 1990, hoofdstuk 1-8.
Wiarda 1952, p. 59.
Wiarda 1952, p. 89-90.
Wiarda 1952, p. 90. Zie ook Nicolaï 1990, p. 83.
Wiarda 1952, p. 90.
Wiarda 1952, p. 92. In Wiarda 1971, p. 425 schrijft hij dat het vertrouwensbeginsel meebrengt ‘dat van een overheidsorgaan dat ten aanzien van de wijze waarop het zijn bevoegdheden zal gebruiken, bepaalde verwachtingen heeft gewekt, op zijn minst kan worden verlangd dat dit het bestaan van die verwachtingen betrekt in de overwegingen waardoor het zich bij zijn beslissing laat leiden.’
Nicolaï 1990, p. 54. Zie ook Ter Spill 1955, p. 208-209 en Ter Spill 1959b, p. 361-365. Het Scheidsgerecht besliste op grond van art. 13 van het Organisatiebesluit Voedselvoorziening 1941 over geschillen die hun oorsprong vinden in de publiekrechtelijke verhouding tussen een organisatie en een ondernemer. In dat Organisatiebesluit waren geen speciale gronden gegeven om een beroep op het Scheidsgerecht te doen. Het Scheidsgerecht pakte die vrijheid door besluiten niet alleen aan toepasselijke regelingen, maar ook aan de buitenwettelijke normen van redelijkheid en billijkheid te toetsen. De rechtspraak verruimde de betekenis van het rechtszekerheidsbeginsel tot een beginsel dat in principe honorering vereiste van alle gerechtvaardigde verwachtingen (ook die welke niet aan eerdere beschikkingen werden ontleend) en stelde bovendien de ongeschreven behoorlijkheidseis van ‘belangenafweging in concreto’ op de voorgrond, Nicolaï 1990, p. 58. Het Scheidsgerecht is per 1 juli 1955 opgeheven, op grond van art. 81 Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie. Het bij die wet ingestelde College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft de taken van het Scheidsgerecht overgenomen. De rechtsmacht van het nieuwe college was wel gebonden aan vier duidelijke beroepsgronden. Zie o.a. Ter Spill 1959b, p. 361.
Ter Spill 1959c, p. 457 en 459.
Zie ook Wiarda 1952, p. 71-73.
Ter Spill 1959c en Ter Spill 1959a, p. 264.
Nicolaï 1990, p. 55 en Ter Spill 1959c, p. 449.
Ter Spill 1959c, p. 447.
Vgl. Wiarda 1952, p. 90, die opmerkt dat bij de vraag van gerechtvaardigd vertrouwen, het rechtszekerheidsbeginsel ‘het epineuze terrein van de leer der verkregen rechten benadert’. Nicolaï 1990, p. 47 merkt over de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep uit de jaren 30 op dat het rechtszekerheidsbeginsel slechts zag op ‘ingrijpen met terugwerkende kracht’. Ook paste de Centrale Raad van Beroep tot na de Tweede Wereldoorlog de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm niet toe.
Ter Spill 1959c, p. 449. Vgl. M. Scheltema 1984, p. 539 die opmerkt dat in het (zowel privaat als publiek) recht de rechtsgevolgen van rechtshandelingen zijn omschreven en dat het vertrouwensbeginsel in het publiekrecht daarom vooral aan de orde komt ‘in gevallen, waarin verwachtingen zijn gewekt op een andere manier dan door het verrichten van rechtshandelingen’. Hij wijst er op p. 440 op dat nog geen sprake is van vast woordgebruik over het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Konijnenbelt 1975, p. 60 e.v. onder ‘2. Vertrouwensbeginsel en rechtszekerheid’. Van der Burg 1969 behandelt in zijn preadvies de ‘gebondenheid van de administratie uit hoofde van eigen handelen, niet zijnde het nemen van een administratieve beschikking’. Het gaat dan vooral om toezeggingen en beleidsregels.
Dit komt overeen met de door Wiarda gegeven omschrijving van het rechtszekerheidsbeginsel als de toepasbaarheid van het recht.
Konijnenbelt 1975, p. 60-61. Zie ook Mulder 1958, p. 161: “Het gebruik van het woord rechtszekerheid in de administratieve rechtspraak leidt tot de paradox, dat het beginsel der rechtszekerheid moet dienen om de rechtvaardigheid te doen zegevieren boven de rechtszekerheid.”
Konijnenbelt 1975, p. 62, die daarin Wiarda 1952 volgt.
Zie al Konijnenbelt 1975, p. 60: het gaat om de bepaalbaarheid van het recht en de daadwerkelijke toepassing van dit recht. Vgl. voor het belastingrecht Poelmann in: Cursus Belastingrecht FBR 4.1.0.B waarin bij het rechtszekerheidsbeginsel het objectieve recht centraal staat (het recht moet duidelijk en kenbaar zijn), terwijl het vertrouwensbeginsel strekt tot de bescherming van (subjectieve) verwachtingen over toekomstig overheidshandelen.
Snijders 2011, p. 81: op grond van de formele rechtszekerheid moet de burger zijn rechtspositie kunnen definiëren, bijvoorbeeld door het ontvangen van duidelijke besluiten. De materiële rechtszekerheid ziet erop toe dat het geldende recht ook wordt toegepast. Volgens Snijders maakt het vertrouwensbeginsel deel uit van dit materiële rechtszekerheidsbeginsel. Van Wijk, Konijnenbelt & Male 2014, p. 309 beschouwen het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als twee kanten van dezelfde medaille.
Bröring en De Graaf e.a. 2009, p. 44-45 en Kortmann 2019, p. 684. Verheij 1997, p. 44 ziet het vertrouwensbeginsel ook als onderdeel van de rechtszekerheid. M. Scheltema 1984 constateert in 1984 dat het vertrouwensbeginsel een ‘vraagstuk in ontwikkeling is’ (p. 539) en onderzoekt vervolgens twee aspecten, te weten of het vertrouwensbeginsel beperkingen oplegt aan de overheid bij haar rechtsvormende taak en of het vertrouwensbeginsel contra legem wordt toegepast.
Kortmann 2019, p. 684. Hij karakteriseert het vertrouwensbeginsel en het materiële rechtszekerheidsbeginsel als zusters. Volgens Kortman 2019 valt iets te zeggen voor de opvatting dat de beginselen twee kanten van dezelfde medaille zijn, maar verliest het vertrouwensbeginsel hierdoor aan scherpte. Vermeer 2006a, p. 281 schrijft dat de term vertrouwensbeginsel als verschijningsvorm van de materiële rechtszekerheid doorgaans wordt gebruikt in een ‘individuele rechtsbetrekking’.
Schlössels & Zijlstra 2017b, p. 319-320.
Zie bijv. Rb. Noord-Holland 22 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4505 waarin de rechtbank de intrekking van een begunstigende beschikking in beginsel in strijd acht met ‘het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het materiële zorgvuldigheidsbeginsel’.
Par. 6.4.1.
Tijdens de ontwikkelingen op het gebied van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming in de 20e eeuw verschenen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur langzaam ten tonele. De eerste stapjes daartoe werden gezet in de Kroonjurisprudentie en de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (als ambtenarenrechter) in de jaren 30 van de 20e eeuw. De Centrale Raad toetste aan rechtszekerheid als buitenwettelijke toetsingsgrond.1 De ongeschreven normen werden nog niet algemene beginselen genoemd. De onomwonden erkenning van ‘de ongeschreven normen van behoorlijke administratie’ vond plaats na de Tweede Wereldoorlog.2
Donner kenschetst de ontwikkeling van het vertrouwensbeginsel als een reactie tegen het legaliteitsdenken:
“Het beroep op de voorschriften als enige maatstaf van recht en voor de ambtelijke uitleg daarvan moest worden getemperd door in ogenschouw te nemen niet alleen wat was bedoeld en verricht, maar ook wat belanghebbenden hadden kunnen en mogen verstaan.”3
De betrekking tussen bestuur en bestuurden moest niet louter worden beheerst door rechtsvoorschriften, maar ook door goede trouw, oftewel door redelijkheid en billijkheid.4 Die goede trouw en redelijkheid en billijkheid – die we in het volgende hoofdstuk zullen tegenkomen als een van de grondslagen voor vertrouwensbescherming in het civiele recht – dienden als basis voor de ontwikkeling van de zogenoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, beginselen op grond waarvan besluiten niet alleen conform het geschreven recht moesten zijn, maar ook moesten voldoen aan ongeschreven normen van behoorlijkheid.
Wiarda merkt in zijn VAR-preadvies van 1952 op hoe met de introductie van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur5 als toetsingsgrond ‘een nieuwe poging is ondernomen om enerzijds een rechterlijke of semi-rechterlijke controle op de rechtmatigheid van bestuurshandelingen uit te breiden tot een algemene behoorlijkheidscontrole, anderzijds deze af te grenzen van hetgeen men doelmatigheids- of beleidscontrole pleegt te noemen.’6
Hij omschrijft het rechtszekerheidsbeginsel als voorbeeld van algemeen beginsel van behoorlijk bestuur eerst op de dan gangbare wijze: op grond van dit beginsel moet het bestuur zich aan zijn eigen regels houden.7 Het gaat dan om toepassing van het objectieve recht. Het rechtszekerheidsbeginsel heeft echter volgens hem ‘nog een geheel ander facet’. De algemene strekking van het rechtszekerheidsbeginsel is dat gerechtvaardigde verwachtingen behoren te worden gehonoreerd:
“[Z]ulke verwachtingen kunnen gebaseerd zijn op het bestaan van een rechtsregel, welke zonder twijfel de sterkste rechtvaardiging daarvan oplevert, of op een beleidsregel, of op een precedent, maar het is ook mogelijk, dat in bepaalde individuele gevallen een voor dat geval gegeven beschikking, een contract of een simpele toezegging de rechtvaardigingsgrond van zulk een verwachting is.”8
Wiarda meende dus dat naast het uitgangspunt dat aan rechtsregels vertrouwen kan worden ontleend, ook een ‘simpele toezegging’ een bron van gerechtvaardigde verwachtingen kan zijn in een individueel geval. Over een succesvolle toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel op grond van een ‘algemene behoorlijkheidscontrole’ wegens gewekte verwachtingen in een individueel geval merkt hij op:
“Het is echter steeds weer de zeer moeilijke vraag, of en in hoever zij [verwachtingen op basis van een toezegging, NvT] gerechtvaardigd zijn en daarom gehonoreerd moeten worden.”9
Indien de toezegging afkomstig is van een bevoegd orgaan, moet de overheid volgens Wiarda die toezegging in beginsel honoreren. Doorbreking van die verwachting kan slechts met een bijzondere rechtvaardigingsgrond. Indien met het oog op het algemeen belang uiteindelijk anders moet worden beslist, moet de mogelijkheid van schadevergoeding worden onderzocht.10
Ter Spill onderscheidde in 1959 het (wat wij nu noemen) vertrouwensbeginsel voor het eerst expliciet van het rechtszekerheidsbeginsel. Hij deed dit op grond van een analyse van de jurisprudentie van het eerder genoemde Scheidsgerecht voor de voedselvoorziening. Het Scheidsgerecht toetste aangevallen besluiten niet alleen aan regelingen, maar ook aan de buitenwettelijke normen van redelijkheid en billijkheid.11 De reden hiervoor was dat het Scheidsgerecht in het concrete geval recht wilde doen.12 Het Scheidsgerecht was daarmee de eerste bestuursrechter die (openlijk) keek naar beginselen van ‘behoorlijkheid’.13 In zijn artikelen over de rechtspraak van het Scheidsgerecht wijst Ter Spill op de vijf beginselen die het Scheidsgerecht toepaste, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel der redelijke verwachtingen.14
De jurisprudentie die Ter Spill behandelt onder dit laatste beginsel, zouden wij nu geschillen over de toepassing van het vertrouwensbeginsel noemen. Zo bespreekt hij een zaak waarin een bedrijfschap een vergoeding moest betalen aan een exporteur bij wie dat bedrijfschap het vertrouwen had gewekt dat die exporteur op de mededelingen van een ambtenaar zou kunnen afgaan.15 Ter Spill noemt dit ‘het beginsel dat de administratie de redelijke verwachtingen nopens haar optreden naar vrij goedvinden die zij bij de geadministreerden heeft opgewekt, dient na te komen’.16 Hij onderscheidt dit beginsel van het algemene rechtszekerheidsbeginsel dat volgens hem ziet op bescherming van reeds verworven rechten via bijvoorbeeld een beschikking.17 Het beginsel der redelijke verwachting ziet nu juist niet op verwachtingen als gevolg van beschikkingen en heeft bovendien – in tegenstelling tot het rechtszekerheidsbeginsel – betrekking op uitoefening van discretionaire bevoegdheden.18
In zijn VAR-preadvies uit 1975 onderscheidt Konijnenbelt eveneens het vertrouwensbeginsel en de rechtszekerheid.19 Hij constateert dat de term rechtszekerheid op verschillende manieren wordt gebruikt. Het beginsel kan zien op de bepaalbaarheid en duidelijkheid van rechtsregels die vervolgens ook moeten worden toegepast.20 Het overheidsoptreden moet worden gebonden aan vaste, bekende regels om tegen overheidswillekeur te beschermen. Op basis van geldende regels moeten individuele burgers hun rechtspositie kunnen bepalen. Problemen kunnen zich voordoen indien sprake is van een aan de overheid toerekenbare schijn van rechtstoestand. In dat kader wijst hij op de zogenoemde billijkheidsjurisprudentie waarin een geldende rechtsregel buiten toepassing wordt gelaten op grond van billijkheidsoverwegingen. Voor die rechtspraak – waarbij de bron van verwachtingen nu juist niet de rechtsregel is maar uitlatingen in een concreet geval – kan volgens hem beter de term ‘vertrouwensbeginsel’ worden gebruikt. Rechtszekerheid ziet erop dat het objectieve recht duidelijk moet zijn en moet worden toegepast, terwijl het vertrouwensbeginsel ziet op bescherming van subjectieve verwachtingen die een burger op grond van bestuurshandelen meent te hebben.21 Vertrouwen kan vervolgens worden gewekt door algemene regels en door individuele, concrete handelingen (zoals beschikkingen, contracten en toezeggingen) van een bestuursorgaan.22
Deze uitleg van de begrippen rechtszekerheid en vertrouwen geldt nog steeds. In de huidige rechtsgeleerde literatuur wordt het nog altijd niet gecodificeerde rechtszekerheidsbeginsel gesplitst in het formele en materiële rechtszekerheidsbeginsel.23 Onder het eerste subbeginsel wordt verstaan dat regelgeving en besluiten voldoende duidelijk en kenbaar moeten zijn voor belanghebbenden.24 Op grond van het materiële rechtszekerheidsbeginsel moet een bestuursorgaan het recht respecteren en mag het besluiten niet met terugwerkende kracht aan burgers opleggen.25 Het materiële rechtszekerheidsbeginsel ziet op het vertrouwen dat een rechtspositie ongewijzigd blijft. Het vertrouwensbeginsel – het beginsel dat een bestuursorgaan gewekte verwachtingen honoreert – wordt dan gezien als een verschijningsvorm van dit materiële rechtszekerheidsbeginsel en ziet op vertrouwen als gevolg van een bepaalde verklaring of gedraging over toekomstig overheidshandelen.26 In de literatuur is op het prospectieve karakter van het vertrouwensbeginsel gewezen: het vertrouwensbeginsel ziet op handelingen van een bestuursorgaan die vertrouwen wekken voordat het een besluit neemt.27
Vandaag de dag is het onderscheid tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in de praktijk minder van belang. De jurisprudentie maakt geen strikt onderscheid.28 Vast staat dat subjectieve rechten en verwachtingen in een concreet geval zo veel mogelijk recht moeten worden gedaan, soms zelfs in strijd met regelgeving. Het onderscheid tussen vertrouwen gebaseerd op subjectieve verwachtingen en rechtszekerheid (een rechtspositie kunnen bepalen op grond van het geschreven recht of een verkregen recht zoals een besluit) is vooral nodig in geval van een contra-legemtoepassing van gerechtvaardigd vertrouwen. Bij contra-legemtoepassing is afwijking van de wet strikt genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, maar wel in overeenstemming met het vertrouwensbeginsel.29 Het vertrouwensbeginsel in het bestuursrecht kan zowel betrekking hebben op verwachtingen over het aanwenden van discretionaire bevoegdheden (bijvoorbeeld in het omgevingsrecht) als gebonden bevoegdheden (bijvoorbeeld in het belastingrecht).