Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/2.4.2
2.4.2 Erkenning van het vertrouwensbeginsel door de verschillende bestuursrechters
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685343:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scheidsgerecht 25 maart 1952, BW 1959/454.
Nicolaï 1990, p. 109.
CRvB 31 oktober 1935, AB 1936, p. 168 (“het algemeene rechtsbeginsel, hetwelk zoodanige aantasting van hetgeen rechtmatig is verworven, verbiedt, moet worden geëerbiedigd, ook al is het niet in een uitdrukkelijken wettekst neergelegd”). Zie hierover Nicolaï 1990, p. 45-46.
Zie bijv. CRvB 30 maart 1979, ECLI:NL:CRVB:1979:AM4909, AB 1980/200.
Nicolaï 1990, p. 126 merkt – met verwijzingen naar jurisprudentie – op dat de Kroon het vertrouwensbeginsel los plaatste van het rechtszekerheidsbeginsel en niet als een uitvloeisel daarvan beschouwde.
ARRvS 1 oktober 1977, ECLI:NL:RVS:1977:AM3819, AB 1978/87, waar het gaat om ‘het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, dat gewekte verwachtingen dienen te worden geëerbiedigd’.
Hoofdstuk 6.
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302. Zie hoofdstuk 6.
Zie eerder onder andere Nicolaï 1990, p. 361 en Derksen 1993 die stellen dat het beginsel erop ziet dat ‘gerechtvaardigde verwachtingen zo enigszins mogelijk worden gehonoreerd’.
Wiarda 1971, p. 429.
Inmiddels vinden beroepen op het vertrouwensbeginsel door teleurgestelde burgers al zo’n zeventig jaar plaats. Jurisprudentie over door toezeggingen en inlichtingen gewekt vertrouwen gaat in ieder geval terug tot de jaren 50 van de 20e eeuw. Zo wees het Scheidsgerecht in een uitspraak uit 19521 het verzoek tot schadevergoeding toe van importeurs die onjuiste inlichtingen van de voorzitter van het bedrijfschap voor groenten en fruit hadden ontvangen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de opvolger van het Scheidsgerecht, past sinds 1956 het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur toe.2
Andere rechters waren later met toetsing van besluiten aan het vertrouwensbeginsel. Eerst moest, gelet op de hierboven geschetste ontwikkeling tot toetsing van besluiten aan behoorlijkheidsnormen, een vaste lijn ten aanzien van toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel bestaan. De Centrale Raad van Beroep toetste reeds in de jaren 30 van de 20e eeuw aan het rechtszekerheidsbeginsel.3 Het ging dan echter louter om bescherming van verkregen rechten, waar toezeggingen die slechts leidden tot subjectieve verwachtingen niet onder vielen. Sinds de jaren 70 erkent de Centrale Raad van Beroep uitdrukkelijk ‘het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat op goede gronden berustende verwachtingen zo mogelijk gehonoreerd moeten worden’.4
De jurisprudentie van de Kroon onderscheidde in de jaren 60 en 70 van de 20e eeuw het ‘opgewekt vertrouwen’ van het rechtszekerheidsbeginsel, en sprak over het beginsel ‘hetwelk vereist, dat opgewekte verwachtingen worden geëerbiedigd’.5 De Afdeling Rechtspraak erkende het vertrouwensbeginsel sinds de jaren 70 van de 20e eeuw.6
Alle bestuursrechters hanteren vandaag de dag het uitgangspunt dat de mate van bescherming van gerechtvaardigde verwachtingen op grond van het vertrouwensbeginsel afhankelijk is van het algemeen belang en derdebelangen die zich mogelijk verzetten tegen honorering van een beroep op het vertrouwensbeginsel. Geen enkele bestuursrechter past het vertrouwensbeginsel ongeclausuleerd toe.7 Alleen gerechtvaardigd vertrouwen is onvoldoende om tot vernietiging van een aangevochten besluit te komen. Sinds de Dakterras-uitspraak hanteren de Afdeling, en inmiddels ook de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven hetzelfde stappenplan om een beroep op het vertrouwensbeginsel te beoordelen.8
Een teleurgestelde burger kan zich met succes op een schending van het vertrouwensbeginsel beroepen indien een hem onwelgevallig besluit in strijd is met uitlatingen of gedragingen van overheidsfunctionarissen die bij hem redelijkerwijs de indruk hebben gewekt van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid zal worden uitgeoefend en dat vertrouwen niet botst met zwaarder wegende belangen die zich tegen honorering van dat vertrouwen verzetten.9
Een belanghebbende moet drie hordes nemen voor honorering van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel: (i) het aantonen van een welbewuste standpuntbepaling, (ii) die afkomstig is van of toerekenbaar aan het bevoegde bestuursorgaan, en (iii) het niet aflegt tegen zwaarder wegende belangen (de belangenafweging).
De belangenafweging van stap 3 is – zoals duidelijk zal worden – een van de centrale verschillen met de gevolgen van een schending van gerechtvaardigd vertrouwen in het civiele recht. Verwachtingen kunnen in het bestuursrecht slechts ‘zo enigszins mogelijk’ worden nagekomen. Wiarda merkt daarover in 1971 op dat het voorbehoud van het ‘zo enigszins mogelijk’ maakt dat zelfs bij een als basis voor een verwachting zo sterke rechtsvorm als de overeenkomst de mogelijkheid bestaat dat voor de niet-nakoming een rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Dit wijkt volgens hem af van de strenge maatstaven waarmee in het burgerlijk recht een beroep op een overmachtssituatie wordt beoordeeld.10 Het zal blijken dat deze uitspraak nog steeds actueel is.
Het zesde hoofdstuk werkt dit stappenplan uit.