Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.5.2.2
4.5.2.2 Ratio en motivering
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661264:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Scheltens in BNB 1979/311.
Geppaart 1984, p. 494, die betoogt dat de Belastingdienst met een toezegging zich tegenover een bepaalde belastingplichtige wil binden aan een bepaalde, voor laatstgenoemde veelal gunstige wetstoepassing; Happé 1996, p. 210-211.
Smit 1984a onder ‘Beschouwing’. Geppaart 1965, p. 38, duidt de 'toezegging', ter onderscheiding van de 'inlichting', aan als een eenzijdige handeling, waarbij de inspecteur zijn wil erop richt zich ten aanzien van een bepaalde belastingplichtige in concreto te binden.
Niessen 2012, par. 5.11.
Zie Happé 1996, p. 209. Vgl. Van de Sande 2019, p. 212.
Zie Happé 1996, p. 201-202.
Conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, Bijlage 2, punt 2.1.
HR 4 juni 1986, nr. 22 945, BNB 1986/248, r.o. 4.3; Hof Den Bosch 13 februari 2020, nr. 19/00393, V-N 2020/28,17, r.o. 4.3.2 en 4.12.
Zie Den Boer in BNB 1984/197.
Vgl. par. 3, onderdeel 1, BFB (tekst 2020), over vooroverleg dat kan leiden tot een standpuntbepaling: ‘Vooroverleg kan zowel al verrichte als voorgenomen (rechts)handelingen betreffen.’ Vgl. Conclusie A-G Moltmaker bij BNB 1986/248, punt 4.3.2.
Vgl. Geppaart 1984, p. 492; Happé 1996, p. 201-202.
Waarom kiest de Hoge Raad bij toezeggingen de koers van ja, mits? De Hoge Raad motiveert dat in BNB 1979/311 en latere arresten niet specifiek. Mijns inziens is het karakter van de uiting doorslaggevend. De Hoge Raad maakt immers bij zijn rechtsregel ten aanzien van toezeggingen en die van inlichtingen een principieel verschil tussen uitingen waarin slechts algemene informatie wordt gegeven (inlichtingen) en uitingen die een concrete mededeling betreffen aan een specifieke belastingplichtige na kennisneming van de bijzonderheden van het geval (toezeggingen).1
In de fiscale literatuur worden diverse argumenten gegeven ter onderbouwing van de gebondenheid van de Belastingdienst aan toezeggingen.
Bindingsbedoeling
In de literatuur wordt bij toezeggingen een bindingsbedoeling van de inspecteur verondersteld.2 Volgens Smit doet de Hoge Raad daaraan ‘recht’ door als uitgangspunt ‘principiële gebondenheid’ aan te nemen.3 In de literatuur wordt ook een vergelijking gemaakt met het civiele contractenrecht: ‘pacta sunt servanda’ en ‘belofte maakt schuld’.4 Ook wordt wel verwezen naar de taalhandelingstheorie: de taalhandeling van de toezegging (een ‘belofte’) schept de verplichting deze na te komen, die van een inlichting niet.5 Overigens merk ik op dat in de jurisprudentie opvalt dat ook niet als toezegging bedoelde uiting onder omstandigheden wel als zodanig wordt aangemerkt, namelijk als de belastingplichtige die indruk mocht hebben (paragraaf 4.5.1).
Functie
Toezeggingen dienen rechtshandhaving (preventief handhavingsinstrument) en rechtszekerheid (paragraaf 4.5.1). Als de inspecteur vervolgens op zijn standpunt mag terugkomen, is van zekerheid evident geen sprake.6
Relatief minder terughoudendheid met contra legem-toepassing
Net als bij beleidsregels (paragraaf 4.4.2.2), wordt bij toezeggingen erop gewezen dat contra legem-toepassing van het vertrouwensbeginsel bij toezeggingen in het belastingrecht (anders dan bijvoorbeeld in het algemene bestuursrecht) minder snel op bezwaren stuit, vanwege de afwezigheid van (directe) derdenbelangen.7
Tot slot merk ik op dat de Hoge Raad bij toezeggingen het vertrouwensbeginsel niet benadert als risicoverdelingsvraagstuk, maar als vraagstuk van gewekt vertrouwen (‘waaraan een belastingplichtige het vertrouwen mag ontlenen dat’).
Dispositievereiste is geen criterium
Tot slot is van belang dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel bij toezeggingen – anders dan bij voorlichting – niet het dispositievereiste geldt.8 De (principiële) verklaring daarvoor ligt mijns inziens in de hierboven besproken argumenten op grond waarvan de Belastingdienst in beginsel is gebonden aan zijn standpunten.9 Een andere reden voor het niet stellen van het dispositievereiste bij toezeggingen is mijns inziens dat een toezegging ook betrekking kan hebben op reeds verrichte (rechts)handelingen van een burger.10 Aangezien het dispositievereiste een doen of nalaten, afgaande op de uiting van de Belastingdienst veronderstelt, is het dus chronologisch gezien onmogelijk daaraan te voldoen bij handelingen die reeds hebben plaatsgevonden en waarover de burger achteraf een standpuntbepaling vraagt.11
Nu de Hoge Raad bij toezeggingen een relatief minder terughoudende koers wenselijk acht, is verklaarbaar dat niet de extra drempel van het dispositievereiste geldt.