Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.2
5.7.2 Dagvaardingsprocedures
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS435516:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 42 (MvT).
Naar mijn mening is het niet helemaal juist om te stellen (L.Th.L.G. Penis, Internationaal Procesrecht: een dwarsdoorsnede. Enkele kanttekeningen bij de huidige stand van het Nederlandse internationaal procesrecht, Den Haag: Boom 2005, p. 173) dat in art. 3 sub c Rv een iets afgezwakte vorm van het forum necessitatis is neergelegd. Voor de rechtsmacht krachtens art. 3 sub c Rv is doorslaggevend of een zaak voldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden; niet is vereist dat een procedure in het buitenland bezwaarlijk kan worden gevoerd.
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 42 (MvT).
Terwijl art. 9 sub b Rv van toepassing is op dagvaardings- en verzoekschriftzaken, beperkt art. 9 sub c Rv zich uitdrukkelijk tot dagvaardingszaken. Volgens de Memorie van Toelichting komt voor verzoekschriftprocedures aan art. 9 sub c Rv geen betekenis toe, omdat het forum conveniens van art. 3 sub c Rv al rechtsmacht schept zodra de zaak voldoende binding met Nederland heeft.1 Art. 3 Rv is van toepassing op alle zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, met uitzondering van die genoemd in art. 4 Rv (echtscheiding, met inbegrip van voorlopige voorzieningen en nevenvoorzieningen) en art. 5 Rv (ouderlijke verantwoordelijkheid buiten echtscheiding).
Art. 3 sub c Rv vereist slechts dat de zaak voldoende binding met Nederland heeft. Het stelt geen verdere voorwaarden. Zodra een zaak voldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer heeft, is de Nederlandse rechter als forum conveniens bevoegd zonder dat afzonderlijk behoeft te worden beoordeeld of sprake is van volstrekte onmogelijkheid of bezwaarlijkheid om in het buitenland te procederen. Dus ook in verzoekschriftprocedures waarin sprake is van onmogelijkheid of bezwaarlijkheid is voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 3 sub c Rv bepalend of de zaak voldoende met Nederland is verbonden. In die zin heeft het forum conveniens van art. 3 sub c Rv dus ook een forum necessitatis-dimensie 2
Art. 3 sub c en art. 9 sub c Rv stellen beide de voorwaarde van verbondenheid met de rechtssfeer van Nederland. Volgens de Memorie van Toelichting kan de uitleg hiervan echter verschillen. Dit zou worden gerechtvaardigd door het onderscheid tussen beide bepalingen: art. 3 sub c Rv is bevoegdheidscheppend, terwijl art. 9 sub c Rv een uitzonderingsbepaling is.3 Dit argument overtuigt niet, omdat art. 9 sub c Rv uiteindelijk ook, zij het in uitzonderlijke gevallen, rechtsmacht schept voor de Nederlandse rechter. Wat in het kader van een van de bepalingen voldoende verbondenheid oplevert, behoeft dat in de andere bepaling niet per se ook te zijn. Doorgaans zal wel sneller zijn voldaan aan het vereiste in art. 9 sub c Rv, omdat het daarin slechts als een aanvullende voorwaarde is opgenomen.