Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.4.4
7.3.4.4 Uitzonderingen op de hoofd- en subregels
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940795:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daaromtrent nader paragraaf 7.3.10.3.3.
Bevestigd in HR 4 april 2014, V-N 2014/17.6 en in HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.20, r.o. 2.3.1.
Zie omtrent deze kwestie nader paragraaf 7.3.10.3.3.
Waaronder begrepen de verschoonbaarheid ex art. 6:11 Awb. Het arrest bracht geen verandering in de ambtshalve toetsing van andere aspecten die de ontvankelijkheid betreffen (zoals de vraag of het bezwaar of beroep is ingesteld door een daartoe bevoegde persoon). De rechter toetst dergelijke aspecten dus nog steeds ook in voorgaande instanties ambtshalve (zie de Conclusie van A-G Pauwels van 30 juni 2023, V-N 2023/36.23).
HR 16 juli 2021, V-N 2021/31.19, BNB 2021/140. De Hoge Raad kwam hiermee – in navolging van CRvB 9 juli 2021, V-N 2021/31.18 – terug van zijn vaste jurisprudentie die ambtshalve toetsing van de tijdigheid in alle voorgaande instanties voorschreef (zie HR 1 april 2005, V-N 2005/21.10).
Aldus ook Albert in zijn noot bij HR 16 juli 2021, BNB 2021/140. Anders: Rb Rotterdam 13 december 2021, V-N 2022/9.19.
Zie voor een kras voorbeeld onder het oude recht HR 2 november 2001, BNB 2002/16, waarin de Hoge Raad ambtshalve casseert omdat het bezwaar reeds niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
De Hoge Raad laat in zijn arrest ook ruimte voor de inspecteur om in beroep in te brengen dat hij het bezwaar achteraf bezien ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. De CRvB deed dat nadrukkelijk niet, zie CRvB 9 juli 2021, V-N 2021/31.18, r.o. 4.4.
Vraagstukken van openbare orde
Bij de zogeheten vraagstukken van openbare orde1 is het niet noodzakelijk om:
te stellen, omdat de rechter verplicht is om ambtshalve te toetsen of de betreffende voorschriften gerespecteerd zijn;
en – sinds HR 13 mei 2011, BNB 2011/218, in ieder geval ten aanzien van ontvankelijkheidskwesties – ook niet om
te bewijzen, omdat de rechter ook gehouden is om een zelfstandig onderzoek te verrichten naar de relevante feitelijkheden (zoals de verzending of ontvangst van een beroepschrift).2
Bij vraagstukken van openbare orde heeft de fiscale rechter een zelfstandige onderzoeksplicht, die zich ook uitstrekt naar niet-gestelde en niet-betwiste feiten. De wil en kennis van partijen doet niet terzake. Strikt genomen is er bij vraagstukken van openbare orde dus geen sprake van enige ‘bewijslast’ die op één van beide partijen rust, maar van een onderzoeksplicht die op de rechter rust.3 Dat laat uiteraard onverlet dat partijen er verstandig aan doen om stellingen en bewijsmiddelen waar zij belang bij hebben onder de aandacht van de rechter te brengen.
Vanaf medio 2021 toetst de rechter niet langer ambtshalve de tijdigheid4 van bij voorgaande instanties ingediende rechtsmiddelen.5 De rechter in eerste aanleg beoordeelt sindsdien alleen nog ambtshalve of het bij hem zelf ingediende beroep tijdig is ingesteld.6 Hij kijkt niet (meer) spontaan of ook het bezwaar tijdig was ingediend. Hetzelfde geldt voor het gerechtshof in hoger beroep (ook geen ambtshalve oordeel over de tijdigheid van het beroep bij de rechtbank) en voor de Hoge Raad in cassatie (ook geen ambtshalve oordeel over de tijdigheid van het hoger beroep).7 Partijen kunnen de tijdigheid van een eerder ingediend rechtsmiddel wel als geschilpunt inbrengen in een latere fase.8 Het voorgaande betekent voor wat betreft de ontvankelijkheid dat het tijdigheidsaspect niet (meer) van openbare orde is. Dit heeft vooral gevolgen voor gevallen waarin het bezwaar of beroep achteraf bezien ten onrechte ontvankelijk is verklaard (en dus inhoudelijk is behandeld). De rechter zal het eerdere bezwaar of beroep dan niet meer spontaan alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
Geen bewijs noodzakelijk
Volledigheidshalve merk ik op, dat er nog andere gevallen zijn, ten aanzien waarvan de reguliere regels van bewijslastverdeling niet op gaan. Het gaat om feiten die geen (nader) bewijs behoeven, waartoe enerzijds algemene ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid kunnen worden gerekend, terwijl het anderzijds die feiten betreft die niet of onvoldoende zijn weersproken, en daarom niet in geschil zijn. Omdat deze categorieën veeleer betrekking hebben op het aspect van de bewijsvoering, behandel ik deze onderwerpen afzonderlijk in de daaraan gewijde paragraaf 7.3.7.