Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.4.3.1
7.4.3.1 Enkele voorbeelden
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS617874:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1512, NJ 2002/601; HR 2 juli 2002, ECLI:NL: HR:2002:AD9915, NJ 2002/602 m.nt. Buruma en HR 15 oktober 2002, 00267/02 (niet gepubliceerd).
Zie HR 7 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1678, NJ 2000/539 m.nt. Schalken en HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169 m.nt. Schalken.
Zie HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM0241, NJ 2004/132
Zie HR 18 december 1990, NJ 1991/343 m.nt. Van Veen (bij huiszoeking in bewoond perceel schenden van wettelijke waarborgen t.b.v. de bewoners brengt niet mee dat het uit die huiszoeking voortvloeiende bewijsmateriaal ook onrechtmatig verkregen zou zijn t.a.v. de verdachte die dat pand niet bewoonde); HR 8 juli 1992, NJ 1993/30 (huiszoeking in woning mededader leidt tot bewijsuitsluiting in zaak mededader, maar niet in die van verdachte, beroep op gelijkheidsbeginsel faalt); HR 26 maart 2002, ECLI:NL: HR:2002:AD8942, NJ 2002/343 (heroïne van verdachte gevonden bij onrechtmatige huiszoeking op zolderkamer die behoorde bij de woning van een ander en die door verdachte op eigen gezag in gebruik was genomen voor het verbergen van heroïne, zodat deze kamer weliswaar feitelijk bij hem in gebruik was, maar niet ter bewoning); HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma (drugs van verdachte gevonden bij onrechtmatige doorzoeking in volgens verdachte niet door hem gebruikte kelder van een pand waarin hij op de tweede etage een kamer bewoonde).
Zie HR 23 april 1996, NJ 1997/370.
HR 14 april 1987, NJ 1988/515.
HR 16 februari 1988, NJ 1988/793 (mogelijk onrechtmatig openen van dozen met heroïne op Schiphol niet onrechtmatig t.o.v. verdachte die de dozen ophaalde, nu zij niet voor hem bestemd of van hem afkomstig waren).
Zie HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:854.
Zie conclusie AG Jörg voor HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3246, NJ 2005/ 134 (HR: art. 81 RO).
Zie conclusie wnd. AG Bleichrodt voor HR 27 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4956 (HR: art. 81 RO).
HR 3 juli 1989, NJ 1990/141 (cautie) en HR 7 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2740, NJ 2011/375 (Salduz-cautie) m.nt. Schalken. Daarbij wijst HR erop dat bij vormverzuimen waardoor de betrouwbaarheid van verklaring medeverdachte wezenlijk is beïnvloed, de rechter deze om die reden buiten beschouwing zal laten.
HR 2 februari 1988, NJ 1989/108.
HR 19 maart 1985, NJ 1985/702 en HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441 m.nt. Schalken. Zie ook par. 8.3.2. en par. 8.3.4.2. onder (h).
Vgl. Keulen & Knigge 2010, p. 529.
HR 13 september 1988, NJ 1989/454.
HR 21 mei 1991, NJ 1992/136. Zie in dit verband ook HR 6 juli 1999, nr. 111.158 (ongepubliceerd) waarin een met art. 50 Sv strijdige weigering van een onderhoud tussen verdachte en zijn raadsvrouw voorafgaand aan zijn verhoor niet tot niet-ontvankelijkheid of strafvermindering behoefde te leiden, omdat verdachte die had volhard in zijn ontkennende verklaring door het verzuim redelijkerwijs niet in zijn belangen was geschaad.
Als voorbeeld van een geval waarin een beroep op een vormfout afstuit op de eerste toets, kan worden gewezen op de in art. 126ff Sv neergelegde plicht tot inbeslagneming. Die plicht strekt naar zijn aard niet tot bescherming van de belangen van de verdachte, zodat deze zich niet met vrucht op schending van die bepaling kan beroepen.1 Het algemene belang van de samenleving bij een normconforme opsporing is niet een belang waarop de verdachte in dit verband een beroep toekomt. Een ander voorbeeld van een norm die naar zijn aard niet strekt tot bescherming van de belangen van de verdachte biedt het geval waarin bij de opsporing mogelijk inbreuk is gemaakt op de soevereiniteit van een buitenland. Of door Nederlandse opsporingsambtenaren het volkenrecht is geschonden doordat inbreuk is gemaakt op de soevereiniteit van het buitenland, is in beginsel in het kader van de strafzaak tegen de verdachte niet relevant, omdat de belangen die het volkenrecht in zoverre beoogt te beschermen, geen belangen zijn van de verdachte, maar van de staat op het grondgebied waarvan is opgetreden.2 Ook van het voorschrift uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden dat informatie afkomstig van informanten (niet zijnde een persoon als bedoeld in art. 126v Sv) uitsluitend door middel van een proces-verbaal van het hoofd van de CIE aan derden wordt verstrekt, is geoordeeld dat het niet strekt ter bescherming van de belangen van de verdachte.3 In HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7084, NJ 2009/ 503 werd art. 81 RO toegepast op de klacht dat de politie een lokauto voorzag van valse Oostenrijkse kentekens, hetgeen onder normale omstandigheden strijdig is met art. 41, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994. Ook daarover kon de verdachte niet klagen, zoals AG Jörg in zijn conclusie uiteenzette. In HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0796 ging het om het verzuim van de inspanningsverplichting van art. 167a Sv om de minderjarige in de gelegenheid te stellen zijn mening te geven over het gepleegde feit en de vervolging. Ook die norm strekt naar zijn aard niet tot bescherming van een belang van de verdachte.
Voorbeelden waarin een beroep op een vormverzuim afstuitte op de tweede toets, te weten dat niet jegens de verdachte een inbreuk is gemaakt op het door de norm beschermde belang zijn er legio. Zij hebben bijvoorbeeld betrekking op gevallen waarin:
de onrechtmatige doorzoeking plaatsvond in een niet door de verdachte bewoonde woning,4 of in een door een rechtspersoon waarover de verdachte ‘de leiding had’, maar waarvan hij geen bestuurder was, gebruikte bedrijfsruimte die de verdachte niet bewoonde;5
verzuimd was tijdig in overeenstemming met art. 181, derde lid, Sv een GVO om te zetten van NN naar de naam van een inmiddels bekend geworden medeverdachte;6
het briefgeheim van een ander dan de verdachte was geschonden;7
mogelijke schending van normen die strekken tot waarborg van de juistheid van het resultaat van een ademanalyse in een geval waarin de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan die ademanalyse op andere gronden dan verband houdend met de bedoelde normschending;8
een gebrek kleefde aan het bevel infiltratie, dat betrekking had op de medeverdachte en niet op de verdachte;9
was verzuimd aan de bezitter (verdachte) van een zogenaamde ‘retreever’, de cautie te geven voorafgaand aan de vraag naar de fabrikant van dat apparaat, op welk verzuim die fabrikant geen beroep kon doen;10
verzuimd is de mededader de (Salduz)cautie te geven, alvorens deze een voor de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd;11
de politie heeft verzuimd zich te legitimeren bij de aanhouding van een getuige die daarna een de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd;12
een mededader van de verdachte mogelijk met schending van het Talloncriterium is gebracht tot het begaan van strafbare feiten, indien ten aanzien van de verdachte dit criterium niet is geschonden.13
Van inbreuken op rechten van de verdachte die door het EVRM worden beschermd is mijns inziens in geen van deze gevallen sprake. De Hoge Raad lijkt daarvoor juist een scherp oog te hebben, zoals geïllustreerd kan worden aan de hand van HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9785, NJ 2004/469. In die zaak was in het kader van een GVO tegen een ander huiszoeking gedaan in de woning van de verdachte, waarbij jegens haar de verdenking rees van bijstandsfraude. Het oordeel van het hof dat de verdachte geen belang heeft bij het beroep op de gestelde onrechtmatigheid van de huiszoeking, omdat dat beroep alleen toekomt aan degene in wiens GVO de huiszoeking plaatsvond, oordeelde de Hoge Raad onjuist, omdat niet valt in te zien dat de gestelde onrechtmatige huiszoeking haar niet treft in het belang dat de volgens het verweer geschonden norm beoogt te beschermen. De rechtspraak van de Hoge Raad loopt hier in de pas met die van het EHRM.
Ook indien sprake is van een schending van een norm jegens de verdachte die strekt tot bescherming van zijn belangen, kan zich de situatie voordoen dat op die belangen niet daadwerkelijk inbreuk is gemaakt.14 Voorbeelden hiervan zijn het verzuim de cautie te geven aan een verdachte die bij het verhoor is bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman (fiscaal juridisch adviseur) 15 en het niet steeds aanwezig zijn van de RC bij een huiszoeking, terwijl niet aannemelijk was dat de bewoners tijdens de huiszoeking redenen hadden gehad zich tot de RC te wenden.16 Hier bestaat een vloeiende overgang met de beoordeling of sprake is van nadeel van een vormfout op de voet van art. 359a, tweede lid, Sv.