Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.2.2.1
6.2.2.1 Wetsgeschiedenis ten aanzien van het algemeen nut van rsli’s
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633590:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een wet die in een aantal belastingwetten wijzigingen heeft aangebracht met het oog op verduidelijking en verbetering van de fiscale faciliteiten ter stimulering van het geven aan goede doelen; zie daarvoor Kamerstukken II 2011/12, 33006, nr. 2, p. 1. De Geefwet is met ingang van 1 januari 2012 in werking getreden.
Kamerstukken II 2011/12, 33006, nr. 3, p. 1, 25.
Kamerstukken II 2011/12, 33006, nr. 3, p. 25, 26.
Kamerstukken II 2016/17, 32740, nr. 20, p. 2, voetnoot 3.
Het anbi-register is te raadplegen via https://www.belastingdienst.nl/rekenhulpen/anbi_zoeken/ en in Excelvorm via https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/open_data_anbi.
Kamerstukken II 2016/17, 34552, nr. 77, bijlage 797800, p. 14, voetnoot 10.
Zie de bijlage bij Augustus 2019.
Kamerstukken II 2012/13, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 2728, antwoord op vraag 11.
Door bijvoorbeeld te zoeken op trefwoorden als ‘moskee’ of ‘hindoe’ in het anbi-register. Het anbi-register is te raadplegen via https://www.belastingdienst.nl/rekenhulpen/anbi_zoeken/ en in Excelvorm via https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/open_data_anbi.
Kamerstukken II 2008/09, 31930, nr. 9, p. 63; Kamerstukken II 2008/09, 31930, nr. 10, p. 25-27.
Zie de bijlage bij de antwoorden van Mei 2019 en Augustus 2019.
Uit de fiscale wetsgeschiedenis blijkt meermaals dat bij louter kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen van oudsher impliciet wordt aangenomen dat zij zich volledig richten op het algemeen belang.1 Dit uitgangspunt zou slechts uitzondering lijden bij organisaties waarvan de activiteiten voor een belangrijk deel bestaan uit actievoeren of uit (semi)commerciële activiteiten zoals het tegen betaling geven van cursussen of het verkopen van cursusmateriaal, al dan niet met religieus of levensbeschouwelijk karakter, zoals blijkt uit de toelichting in 2008 bij het wetsvoorstel tot wijziging van SW 1956.2 In een later stadium van dit wetgevingsproces blijkt uit de toelichting op de nota van wijziging echter dat ook kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen acties mogen voeren die passen binnen hun doelstelling en commerciële activiteiten mogen verrichten zolang ze de opbrengsten daarvan aan het algemeen nut besteden.3 Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van SW 1956 in de Eerste Kamer in 2009 bevestigde de staatssecretaris dat reguliere kerkelijke instellingen die op dat moment de anbi-status hadden, doorgaans uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogen.4 Gezien de grotere diversiteit bij levensbeschouwelijke instellingen kon hij dit echter niet voor deze categorie instellingen in zijn algemeenheid stellen.
Ook de parlementaire geschiedenis van de Geefwet5 beklemtoont dat kerkgenootschappen en hun activiteiten in beginsel bij uitstek passen binnen het concept anbi omdat zij staan voor een lange traditie van filantropie.6 De wetsgeschiedenis licht dit echter verder niet toe, maar doelt hoogstwaarschijnlijk op het feit dat deze instellingen – zoals al bleek uit hoofdstuk 3 Nederlands historisch en maatschappelijk perspectief – tot vandaag de dag een aanzienlijke bijdrage leveren aan de samenleving door uiteenlopende sociaal-maatschappelijke verantwoordelijkheden te nemen.
Volgens de toelichting op de algemeennutcategorie rsl zijn levensbeschouwelijke stromingen en spirituele bewegingen gelijkgesteld met kerkgenootschappen.7 Wat betreft religie spreekt de wetsgeschiedenis slechts over ‘kerkgenootschappen’ en over het ‘CIO’ – het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken – en de daarbij aangesloten grote religieuze instellingen waarmee de Belastingdienst convenanten heeft gesloten.8 Het CIO is een samenwerkingsverband van 299 christelijke (katholieke en protestantse) kerken en 2 joodse geloofsgemeenschappen en behartigt hun gemeenschappelijke belangen bij de (rijks)overheid.10 Begin 2018 waren van de 9600 religieuze instellingen in het anbi-register11 6500 bij het CIO geregistreerd.12 Uit mijn navraag bij het anbi-team blijkt dat het anbi-team niet over recentere cijfers beschikt hoeveel religieuze anbi’s bij het CIO zijn aangesloten.13
Door bij de term kerkgenootschappen in de toelichting op de Geefwet te verwijzen naar artikel 2:2 BW, doelt de wetgever specifiek op de rechtsvorm kerkgenootschap, waarvan in de praktijk alleen christelijke en joodse religies gebruik maken.14 Zoals uiteengezet in hoofdstuk 5 Civielrechtelijk perspectief, hanteren geloofsgemeenschappen van met name niet-joodse en niet-christelijke denominaties veelal de rechtsvorm stichting of vereniging, onder meer omdat het begrip kerkgenootschap een sterke joodse en christelijke associatie heeft.
Hierdoor zou de indruk kunnen ontstaan dat religieuze anbi’s beperkt zijn tot christelijke en joodse kerkgenootschappen en CIO-instellingen. In antwoord op Kamervragen over de buitenlandse financiering van de Blauwe Moskee in Amsterdam heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid echter beklemtoond dat religieuze instellingen – ongeacht de signatuur – in aanmerking kunnen komen voor de anbi-status mits ze aan de vereisten van de fiscale regelgeving voldoen en dat de fiscale regelgeving daarbij geen onderscheid maakt tussen verschillende wijzen van financiering van religieuze instellingen.15 Het anbi-register bevestigt dat ook andere dan christelijk-joodse religies de anbi-status bezitten.16
Tot 2010 was de term ‘kerkelijke instellingen’ (evenals onder meer levensbeschouwelijke, culturele en wetenschappelijke instellingen) expliciet opgenomen in de wettelijke anbi-definitie, als een van de vormen van anbi (art. 6.33, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 2001 oud). Met ingang van 1 januari 2010 is deze term verdwenen uit de wettelijke anbi-definitie omdat ook deze instellingen moesten voldoen aan de anbi-vereisten – met inbegrip van het 90%-criterium – en voortaan daaraan inhoudelijk getoetst zouden worden.17 Desondanks komt de term ‘kerkelijke instellingen’ nadien nog steeds voor in parlementaire stukken, jurisprudentie en in correspondentie van het anbi-team,18 waarmee op religieuze instellingen wordt gedoeld. Omdat de term ‘kerkelijke instellingen’ de associatie met de rechtsvorm kerkgenootschap (veelal van christelijke en joodse signatuur) kan oproepen, geef ik de voorkeur aan de bredere term ‘religieuze instellingen’.