Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.13.2:2.13.2 Nationalisatie Fortis/ABN AMRO
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.13.2
2.13.2 Nationalisatie Fortis/ABN AMRO
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2008/09, 31 371, nr. 11. De nationalisatie volgt op een ingreep van een aantal dagen eerder door de Nederlandse, Belgische en Luxemburgse staat waarbij de overheden allen een staatsdeelneming verwierven in Fortis. Dit bleek echter niet voldoende waardoor nationalisatie van het Nederlandse deel van Fortis een aantal dagen later volgde.
Maar is eigenlijk niets meer dan het goedkeuren van voldongen feiten.
Diamant & Van Emmerik 2011, p. 1949.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In oktober 2008 bleek het Nederlandse deel van Fortis zichzelf helemaal niet meer te kunnen financieren, onder meer nadat Fortis ABN AMRO had overgenomen. Fortis/ABN AMRO werd op 3 oktober 2008 genationaliseerd voor een bedrag van €16,8 miljard.1 De buitengewone, dus niet in de begroting opgenomen, uitgave zou in de regel vooraf moeten worden goedgekeurd door het parlement bij suppletoire begrotingswet. Dit was gelet op de strikte vertrouwelijkheid – in het kader van de marktgevoeligheid – en de snelheid waarmee de maatregelen moesten worden genomen echter niet mogelijk. In uitzonderlijke gevallen zou dan teruggevallen kunnen worden op het materiële budgetrecht – voorafgaande materiële autorisatie (zie ook paragraaf 2.13.8). Formele autorisatie bij wet volgt dan achteraf.2 In verband met de strikte vertrouwelijkheid was er in dit geval ook geen sprake van materiële autorisatie: het was niet mogelijk om het parlement vooraf in het openbaar over deze op handen zijnde maatregelen te informeren en goedkeuring te vragen voor de interventie, zonder dat de markten hierdoor werden beïnvloed. Het parlement werd daardoor achteraf geïnformeerd over het aangaan van de miljardenverplichting. Omdat het geld al was uitgegeven had het parlement weinig keus en stemde het formeel in met de suppletoire begrotingswet.
Het parlement zou er in dergelijke situaties ook voor kunnen kiezen om de vertrouwensregel te effectueren. In crisissituaties lijkt het wegsturen van de minister echter nog meer onrust te veroorzaken en is bovendien wel een erg vergaand en weinig effectief middel.3