Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.5.1
5.5.1 Deponeren akkoord
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS448557:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6062 e.v.
Ook in de surseance kan slechts eenmaal een akkoord worden aangeboden. In de schuldsaneringsregeling kan evenwel twee keer een akkoord worden aangeboden (art. 329 lid 3 Fw). Het voorontwerp Insolventiewet heeft de laatstgenoemde mogelijkheid overgenomen (art. 6.2.19).
Behalve in het geval dat bij het verzoek tot surseanceverlening tegelijkertijd een akkoord wordt aangeboden.
In surseance worden de bekende schuldeisers ingevolge art. 256 lid 2 Fw door de bewindvoerder schriftelijk op de hoogte gebracht van het neergelegde akkoord.
De curator stelt de niet op de verificatievergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers op de hoogte van de tijd en plaats waarop de uitgestelde vergadering zal plaatsvinden. Hij zal ook schuldeisers met een recht van voorrang hiervan op de hoogte moeten stellen, nu zij in verband met art. 143 Fw voor de stemming over een akkoord van hun recht van voorrang afstand kunnen doen.
Vgl. Hof Amsterdam 24 maart 1897, W 7009, Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6059 en art. 6.2.1 van het voorontwerp Insolventiewet.
In gelijke zin Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6059.
Zie ook Leuftink, p. 268 e.v.
In gelijke zin Leuftink, p. 269 e.v. en Van Galen/Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl.), art. 145 Fw, aant. 2.
De marktpositie zal hierdoor minder aangetast worden, werknemers zullen minder snel vertrekken en het verlies van vertrouwen bij derden zal minder groot zijn. Vgl. Leuftink, p. 263.
Indien de schuldenaar ten minste acht dagen voor de verificatievergadering bij de griffie van de rechtbank een akkoord neerlegt, spreekt de wet van een tijdige aanbieding van een akkoord. Dit is bepaald in art. 139 jo. art. 141 Fw. Ingevolge art. 139 lid 2 Fw is de schuldenaar gehouden een afschrift van het akkoord te sturen aan de curator en indien een voorlopige commissie van schuldeisers is benoemd, aan ieder lid hiervan, zodat zij hun verplichting uit art. 140 Fw kunnen nakomen. Dit betekent dat nauwkeurig onderzoek zal moeten plaatsvinden naar de inhoud van een akkoord en zal bekeken moeten worden of een akkoord voldoet aan de homologatievereisten van art. 153 Fw. Het advies van de curator en de commissie van schuldeisers dient schriftelijk te geschieden. Een sanctie voor niet-nakoming van de verplichtingen uit art. 139 en 140 Fw heeft de wetgever niet geformuleerd. Evenmin ondervindt de verdere procedure (raadpleging en beslissing over het akkoord) hierdoor enige belemmering. Voor het niet naleven van het voorschrift van art. 140 Fw zou aansluiting kunnen worden gezocht bij art. 73 Fw.1 Opgemerkt moet worden dat in de praktijk de schuldenaar in de regel in samenspraak met de curator een akkoord zal hebben opgesteld. Aangezien het aanbieden van een akkoord in faillissement slechts een keer mogelijk is,2 is de totstandkoming van een akkoord zonder betrokkenheid van de curator nauwelijks denkbaar.3 Op grond van art. 115 Fw worden de bekende schuldeisers door de curator schriftelijk van het aangeboden akkoord op de hoogte gesteld.4
Op de verificatievergadering wordt, nadat de vorderingen zijn geverifieerd, over het aangeboden akkoord een beslissing genomen.5 De schuldenaar is bevoegd het akkoord toe te lichten en tijdens de vergadering te wijzigen (art. 144 Fw). Wordt een akkoord minder dan acht dagen voor de verificatievergadering ter griffie neergelegd of wordt een akkoord eerst op de verificatievergadering aangeboden, dan wordt dat gezien als een niet-tijdige aanbieding. Indien een akkoord niet-tijdig ter griffie is neergelegd, wordt door de rechter-commissaris een dag voor de behandeling van het akkoord vastgesteld. Deze vergadering mag ten hoogste drie weken later plaatsvinden.6 Het niet-tijdig aanbieden van een akkoord betekent derhalve niet dat het aangeboden akkoord niet meer kan worden behandeld, maar dat de rechter-commissaris een dag voor behandeling van het akkoord dient vast te stellen. In dat licht kan een akkoord ook nog mondeling op de verificatievergadering worden aangeboden.7 Overeenkomstig art. 148 lid 1 Fw dient de inhoud van het akkoord opgenomen te worden in het proces-verbaal van de vergadering. Na afloop van de verificatievergadering kan geen akkoord meer worden aangeboden.8
Zoals aangegeven, vindt de behandeling van een akkoord plaats op de verificatievergadering of in geval van uitstel (art. 141 Fw) ten hoogste drie weken later. De curator zal evenwel in een eerder stadium aan de schuldeisers kenbaar maken waarom hij het aangeboden akkoord aanvaardbaar acht. Dit 'voorkook'-stadium is noodzakelijk om het slagen van een akkoord zo veel mogelijk veilig te stellen.9 Staat het de schuldenaar en de curator in dit stadium vrij de stemverhoudingen die nodig zijn voor het aannemen van het ontwerp-akkoord te beïnvloeden? Het is verdedigbaar dat dit is toegestaan, mits daarbij de imperatieve homologatiegronden van art. 153 Fw worden gerespecteerd.10
Ten slotte verdient opmerking dat de surseance in het kader van het aanbieden van een akkoord in art. 252 Fw een meer flexibele regeling kent dan het faillissement. In surseance is het aanbieden van een akkoord mogelijk gelijktijdig met de surseance-aanvraag. Met deze mogelijkheid kunnen de negatieve effecten van een surseance worden beperkt, omdat door het aangeboden akkoord direct een oplossing voor de bestaande problemen wordt geboden en de surseance in beginsel binnen een relatief korte periode voltooid kan zijn.11 Voor de insolventiepraktijk is de mogelijkheid van art. 252 Fw derhalve van grote waarde. De regeling van art. 252 Fw is echter niet onverkort overgenomen in het voorontwerp Insolventiewet. Hoewel de mogelijkheid van het aanbieden van een akkoord gelijktijdig met een insolventieverzoek ook in het voorontwerp Insolventiewet blijft bestaan, is de regeling van art. 2.2.3 lid 4 voorontwerp Insolventiewet toch een andere dan art. 252 Fw. Het behandelen van een akkoord zonder dat een definitieve beslissing over het surseanceverzoek wordt genomen, is niet mogelijk in het voorontwerp Insolventiewet. In de toelichting van het voorontwerp wordt als alternatief verwezen naar de regeling van het akkoord buiten insolventie, maar dat is gezien het bereik van een akkoord buiten insolventie nauwelijks een gelijkwaardig alternatief te noemen.