Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/5.6.2.1
5.6.2.1 Algemeen
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949838:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ten Voorde 2006, p. 109: Verbrugh 2007, p. 66 en p. 236; Roelofs 2014, p. 232; Asser/Kroeze 2-I 2021/435 en 479.
Ten Voorde 2006, p. 109; Verbrugh 2007, p. 66 en p. 236; Roelofs 2014, p. 232; Asser/Kroeze 2-I 2021/435 en 479.
Koster 2009, p. 373.
Koster 2009, p. 376. Zijn proefschrift gaat over juridische splitsing, vandaar dat hij alleen naar art. 2:334k BW verwijst. Hetzelfde zal gelden voor art. 2:316 BW.
Roelofs 2014, p. 230-232.
Buijn, Ondernemingsrecht 2001, p. 386 e.v. (in een artikel over verzet bij juridische splitsing).
Verbrugh 2007, p. 66-67 en p. 236; Asser/Kroeze 2-I 2021/435 en 479.
Onder andere Ten Voorde 2006, p. 108-109; Verbrugh 2007, p. 65-66; Roelofs 2014, p. 232; Asser/Kroeze 2-I 2021/435 en 479.
Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:546, NJ 2018/26, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2017/221, m.nt. R.G.J. de Haan (SNS/Curatoren). Zie hierover ook Bartman en Van der Kraan, Ars Aequi 2017, p. 921-927 en de daar in noot 5 genoemde overige literatuur; Hanegraaf, Bedrijfsjuridische berichten 2019, p. 181-188 en Van Dooren 2021, p. 323-326.
R.o. 5.1.6.
Bartman en Van der Kraan, Ars Aequi 2017, p. 921-927.
Een 403-verklaring is een verklaring van de moedermaatschappij dat deze zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de uit rechtshandelingen van de dochtermaatschappij voortvloeiende schulden overeenkomstig het bepaalde in art. 2:403 BW. Na deponering van een 403-verklaring hoeft de dochtermaatschappij geen jaarrekening bij het handelsregister te deponeren. De moedermaatschappij kan de 403-verklaring intrekken door deponering van een daartoe strekkende verklaring bij het handelsregister (art. 2:404 lid 1 BW). De aansprakelijkheid van de moedermaatschappij blijft echter bestaan voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen verricht voordat jegens de schuldeisers een beroep op de intrekking kan worden gedaan. Dat is alleen anders indien aan de in art. 2:404 lid 3 BW vermelde vier voorwaarden is voldaan. De schuldeiser kan gedurende twee maanden verzet aantekenen tegen de intrekking van deze “overblijvende” aansprakelijkheid.
Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:546, NJ 2018/26, m.nt. P. van Schilfgaarde (SNS/Curatoren); Van Dooren 2021, p. 323-326.
Een schuldeiser kan dus in verzet komen tegen het voorstel tot fusie of het voorstel tot splitsing. Maar wanneer is een natuurlijke persoon of rechtspersoon een schuldeiser in de zin van deze bepalingen van het Burgerlijk Wetboek? Ik maak aan de hand van de literatuur over juridische fusie en juridische splitsing een onderscheid in vier groepen. Deze literatuur sluit in feite aan bij de in Nederland gebruikelijke civielrechtelijke indeling van vorderingen.
Groep 1: Opeisbare vorderingen
Degene met een opeisbare vordering is schuldeiser.1
Groep 2: Niet-opeisbare vorderingen
De algemene opvatting is ook dat degene met een niet-opeisbare vordering hier als schuldeiser gekwalificeerd kan worden.2 Iemand met een al wel bestaande maar nog niet opeisbare vordering heeft dus het recht van verzet.
Groep 3: Toekomstige vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen
Over de vraag of degenen met toekomstige vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen schuldeiser zijn en dus een verzetrecht hebben in geval van juridische fusie en juridische splitsing verschillen de meningen. Dit betreft dus het geval dat de rechtsverhouding tussen twee partijen al wel bestaat, maar dat er op dit moment nog geen sprake is van een vordering.
Een deel van de auteurs stelt zich op het standpunt dat zij geen verzetrecht hebben. Bijvoorbeeld Koster stelt zich in zijn proefschrift op het standpunt dat voor toekomstige vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen geen verzet kan worden ingesteld. Van dergelijke vorderingen kan men geen schuldeiser zijn, is zijn opvatting.3 Om die reden beveelt hij dan ook aan art. 2:334k BW te wijzigen.4 Ook Roelofs stelt zich in zijn proefschrift op dat standpunt.5
Voor Buijn6 lijkt verschil te maken of de toekomstige vordering wel of niet heeft geleid tot een schuld of een voorziening op de balans van de “verkrijgende vennootschap of de afsplitsende vennootschap”. Hij lijkt te zeggen dat degenen met een toekomstige vordering uit een bestaande rechtsverhouding in het geval dat er hiervoor nog geen voorziening is gevormd geen verzetrecht hebben.
Een ander deel van de auteurs neemt aan dat ook zij een verzetrecht hebben. Deze visie is onder andere te vinden in het boek Asser/Kroeze 2-I en in het proefschrift van Verbrugh.7 Koster geeft in zijn noot onder Rb. Den Haag 21 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2195 (Optas) in JOR 2019/131 aan dat de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam in een uitspraak uit 1999 ook een andere mening dan hij lijkt te hebben.
Groep 4: Betwiste vorderingen
Ook schuldeisers met een betwiste vordering kunnen verzet aantekenen. Dit is alleen anders als de betwiste vordering de rechter op voorhand ongegrond voorkomt. In de juridische literatuur wordt wat dit betreft zowel naar rechtspraak over de verzetregeling bij kapitaalvermindering (art. 2:100 lid 3 BW) als naar rechtspraak over verzet bij een juridische fusie verwezen.8 Ook uit de Kamerstukken ten aanzien van juridische fusie blijkt dat verzet in geval van een betwiste vordering mogelijk is.9 Wel kan de rechter verlangen dat de gepretendeerde vordering in rechte aanhangig wordt gemaakt.
De maatstaf die wordt gesteld in de in de juridische literatuur veelbesproken uitspraak van de Hoge Raad over verzet tegen de intrekking van door SNS REAAL en SNS Bank afgegeven 403-verklaringen10 lijkt mij voor verzet door schuldeisers met een betwiste vordering tegen een juridische fusie en juridische splitsing niet relevant. Voor juridische fusie en juridische splitsing zou op grond van die maatstaf voor het slagen van verzet “de lat te laag gelegd worden”. De Hoge Raad overwoog “(..) in aanmerking genomen dat in de verzetprocedure niet over de toewijsbaarheid van de vordering van de schuldeiser wordt beslist, dient de rechter, in een geval waarin het bestaan en de omvang van de vordering zijn betwist, het verzet gegrond te verklaren, tenzij en voorzover hij de vordering onmiskenbaar ongegrond acht. Aan zijn daarop betrekking hebbende oordeel zijn slechts beperkte motiveringseisen te stellen.”11 SNS REAAL en SNS Bank hadden aangevoerd dat voor het slagen van verzet tegen de intrekking van door SNS REAAL en SNS Bank afgegeven 403-verklaringen ten minste is vereist dat het bestaan en de omvang van de vordering summierlijk aannemelijk zouden moeten zijn, maar de Hoge Raad vond dat dus niet noodzakelijk. Deze uitspraak van de Hoge Raad is niet onomstreden. Degenen die de uitspraak afwijzen (Bartman en Van der Kraan) wijzen er eerst expliciet op dat deze verzetregeling op diverse punten afwijkt van wat zij de vijf andere situaties noemen (verzetregelingen bij juridische fusie, juridische splitsing, omzetting, kapitaalvermindering en vereffening). Naar hun mening wordt de deur opengezet voor chicaneclaims, mogelijk bedoeld om oneigenlijk druk te zetten op de moedermaatschappij teneinde haar te doen toegeven. Volgens hen slaat de balans in deze uitspraak van de Hoge Raad te zeer door naar crediteurbescherming.12 Maar ook degenen die positief staan tegenover de uitspraak motiveren dit vooral door argumenten specifiek voor de 403-situatie.13 Volgens de meeste auteurs (onder meer Van Schilfgaarde in zijn noot bij de uitspraak en Van Dooren in zijn proefschrift) is de vermelde opvatting van de Hoge Raad fair, omdat derden (schuldeisers/contractspartners) op het niveau van de dochtermaatschappij door het niet gepubliceerd zijn van een jaarrekening van de dochtermaatschappij over onvoldoende inzicht beschikten in de financiële situatie van hun (beoogde) contractspartner en hebben zij daarom op de 403-verklaring vertrouwd. Zij beschouwen de uitspraak van de Hoge Raad dus als fair op basis van argumenten die specifiek gelden voor de 403-situatie.14 Vandaar mijn opvatting dat deze door de Hoge Raad gestelde maatstaf niet relevant is voor verzet tegen een juridische fusie en juridische splitsing door schuldeisers met een betwiste vordering.