Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/5.6.2.3
5.6.2.3 Vergelijking van de groep van Wft-verzetgerechtigden met de groep van Boek 2 BW verzetgerechtigden; verdere bespreking van art. 3:119 lid 5 Wft
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949764:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vervolgens bepaalt art. 3:119 lid 5 Wft: “Voor de toepassing van dit artikel wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde. In het geval van overdracht door een levensverzekeraar wordt, indien de verzekeringnemer bij een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet met een verzekeraar ontbreekt, onder polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen. In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt ingeval van een collectieve levensverzekering voor de toepassing van het tweede lid het aantal verzekerden in aanmerking genomen.”
Zie hoofdstuk 1.4.
Zie hoofdstuk 2.2.4 van dit onderzoek.
Kamerstukken II 1985/86, 19329, nr. 10, p. 4: “Het voorgestelde achtste lid van artikel 53c strekt ertoe te preciseren wie in het kader van de overdrachtsregeling voor het levensverzekeringsbedrijf als polishouders moeten worden aangemerkt. De regeling is zo ingekleed dat per verzekerd bedrag slechts één bevoegde polishouder wordt aangewezen. Betreft een polis meer dan één verzekering, dan wordt artikel 53c per verzekering toegepast.”
Kamerstukken II 2004/05, 29708, nr. 10, p. 299-300: “Nu het geldelijk belang (“verzekerd bedrag”) van de verzekering niet meer voor het verzetrecht voor een overdracht door een levensverzekeraar wordt gehanteerd, wordt voorgesteld bij collectieve levensverzekeringen in plaats van het aantal polishouders het aantal verzekerden voor het verzetrecht mee te tellen. Daartoe is de laatste volzin van het vijfde lid opgenomen.” Zie ook hoofdstuk 2.2.8 van dit onderzoek.
“Voor de toepassing van dit artikel wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde.”
Ik gebruik hier ten aanzien van collectieve levensverzekeringen de term “pensioenaanspraak” ten opzichte van “pensioenrecht”. Dit zijn géén Wft-termen, maar termen die in de Pensioenwet worden gebruikt. Zie Heemskerk 2020, p. 85. Hij licht deze termen als volgt toe: Wie nog niet pensioengerechtigd is, heeft een pensioenaanspraak. Dat is het recht op een nog niet ingegaan pensioen. In de uitkeringsfase is er een pensioenrecht. In de opbouwfase is er nog geen pensioenrecht.
Zie hoofdstuk 5.6.2.2.
Zie hoofdstuk 5.6.2.2.
Hiermee bedoel ik de deelnemers in een pensioenregeling die al een uitkering genieten, die al zelf gebruik hebben gemaakt van het Wft-verzetrecht (indien zij dat recht zouden hebben).
Asser/Lutjens 7-XI 2019/710; Heemskerk 2020, p. 185; Van Heest, in: T&C Pensioenrecht, commentaar op art. 6 Pensioenwet.
DNB geeft de verzekeraar opdracht om aan te kondigen dat de polishouder het verzetrecht kan uitoefenen met betrekking tot levensverzekeringen of natura-uitvaartverzekeringen en dat de verzekeringnemer met betrekking tot schadeverzekeringen het opzegrecht kan uitoefenen. Om het opzegrecht wél te beschouwen als een recht van de verzekeringnemer in de verhouding tot de verzekeraar en om het verzetrecht dan anders te beschouwen, is niet logisch. Dat de polishouder aan DNB moet laten weten dat hij gebruik maakt van zijn verzetrecht zie ik als een “administratieve” route, omdat het inefficiënt zou zijn als de verzekeraar de berichten van polishouders zou moeten verzamelen en doorsturen aan DNB. Het zou te ver gaan er alleen daarom vanuit te gaan dat het gebruik maken van het recht van verzet om te pogen te verhinderen dat de rechten en verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst door de verzekeraar worden overgedragen aan een andere verzekeraar geen betrekking heeft op de verhouding met de verzekeraar.
Dit werd als volgt toegelicht: “Aangezien het ongewenst is dat de pensioenspecifieke eisen over de inhoud en uitvoering van de pensioenovereenkomst verschillen tussen pensioenfondsen en verzekeraars worden in het voorstel voor de Pensioenwet alle pensioenspecifieke bepalingen rond pensioenregelingen, aangeboden door pensioenfondsen en verzekeraars, opgenomen. Ook is het ongewenst dat er bij verzekeraars een dubbeling in vereisten ontstaat ten aanzien van de relatie tussen de deelnemer en de verzekeraar, doordat zowel de Wfd als de Pensioenwet hierover bepalingen bevat.” (Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 18, p. 17-18). In Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 24, p. 62-63 is vermeld “dat op de genoemde verhouding pensioenuitvoerder en aanspraak- of pensioengerechtigde ook de gehele Wft niet van toepassing zal zijn.” In deze formulering wordt dus over “de gehele Wft” gesproken.
Wet van 7 december 2006 houdende regels betreffende pensioenen (Pensioenwet) (Staatsblad 2006, 705); Wet van 7 december 2006 houdende invoering van de Pensioenwet (Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet) (Staatsblad 2006, 706) en Besluit van 18 december 2006 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van de Pensioenwet en de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet (Staatsblad 2006, 707).
Zie met betrekking tot art. 6 Pensioenwet ook r.o. 5.22-5.26 van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6545, PJ 2018/144, m.nt. H.P. Breuker (Eiser/VvAA Levensverzekeringen N.V.). In deze uitspraak wijst het gerechtshof in relatie tot de overdracht van pensioenpolissen ook op art. 6 Pensioenwet. Daaraan verbindt het gerechtshof de conclusie dat de eiser zich ten aanzien van een wijziging van de pensioenovereenkomst per de datum van de portefeuilleoverdracht wel degelijk op art. 19 Pensioenwet kon beroepen. De uitspraak had betrekking op de overdracht van alle overeenkomsten van levensverzekering die behoorden of behoord hebben tot de pensioenportefeuille van VvAA Levensverzekeringen N.V. (‘VvAA’) aan Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. Zie Staatscourant 24 oktober 2011, nr. 19372 en Staatscourant 7 december 2011, nr. 22344. VvAA was ook de verzekeringnemer van de desbetreffende pensioenpolis. De eiser was namelijk voorheen in dienst geweest van (een rechtsvoorganger van) VvAA.Het geschil had betrekking op de wijziging van de indexatieregeling van het pensioen per de datum van de portefeuilleoverdracht. VvAA stelde zich op het standpunt dat de instemming van DNB op grond van art. 3:112 Wft met betrekking tot de portefeuilleoverdracht, er toe leidde dat de eiser zich niet kon beroepen op het bepaalde in art. 19 Pensioenwet. Op grond van art. 19 Pensioenwet kan een werkgever de pensioenovereenkomst alleen zonder de instemming van de werknemer wijzigen indien de bevoegdheid daartoe schriftelijk in de pensioenovereenkomst is opgenomen en er tevens sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. De pensioenovereenkomst is niet de verzekeringsovereenkomst. Art. 1 Pensioenwet definieert de pensioenovereenkomst als hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen. Het gerechtshof wijst er eerst op dat blijkens de toelichting op art. 6 Pensioenwet de wetgever alle pensioenspecifieke bepalingen rond pensioenregelingen, aangeboden door pensioenfondsen en verzekeraars, in de Pensioenwet zelf heeft opgenomen. Naar het oordeel van het gerechtshof kan tegen deze achtergrond de toets die DNB op grond van art. 3:112 e.v. van de Wft dient toe te passen, er niet toe leiden dat individuele werknemers zich er jegens hun werkgever niet meer op kunnen beroepen dat hun pensioenaanspraak niet zonder hun instemming en zonder toetsing aan art. 19 Pensioenwet mocht worden gewijzigd.Het gerechtshof merkt in de uitspraak niet expliciet op dat aan de verzekerde op grond van art. 6 Pensioenwet geen verzetrecht toekwam zoals omschreven in art. 3:119 Wft. Het beklemtoonde in de uitspraak dat het in verband met het in art. 6 Pensioenwet bepaalde onaanvaardbaar zou zijn als de eiser zich niet op het bepaalde in de Pensioenwet kon beroepen.
Art. 3:119 lid 2 Wft: “Indien een vierde of meer van de polishouders zich binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde termijn, bedoeld in het eerste lid, tegen de voorgenomen overdracht door een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar heeft verzet, verleent de Nederlandsche Bank geen instemming.”
Art. 7:611 BW: “De werkgever en de werknemer zijn verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen.”
R.o. 5.1 van Hoge Raad 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0566; JAR 2013/249, m.nt. M. Heemskerk; JOR 2013/310, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy; PJ 2013/161, m.nt. E. Lutjens en H.P. Breuker (Energieonderzoek Centrum Nederland/Vereniging van Oud-Medewerkers ECN & NRG). Zie over deze “doorlopende” pensioenovereenkomst en deze uitspraak Gerlach 2023, p. 122-124.
Zie r.o. 3.4.2 van Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1267, JAR 2022/267, m.nt. K.A. van Haaren en I.H. Vermeeren-Keijzers; JIN 2022/175, m.nt. R. van Arkel; PJ 2022/104, m.nt. J.M. van Slooten; M. Heemskerk, Arbeidsrechtelijke Annotaties 2023 (22) (Euronext Amsterdam/Vereniging Pensioengerechtigden Euronext Amsterdam c.s.).
Zie het proefschrift over de “ex-werknemer” van Gerlach 2023, p. 32-33 en p. 40-41. Hij gaat uitgebreid in op wat hij noemt de principiële vraag of de zorgvuldigheidsnorm na het einde van een arbeidsovereenkomst moet worden gebaseerd op een postcontractuele norm die volgt uit de overeenkomst (art. 7:611 BW/art. 6:248 BW) of op een norm buiten overeenkomst, aangezien de overeenkomst niet meer bestaat (art. 6:162 BW).
Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, JAR 2016/166 (Alcatel-Lucent Pensioenfonds/Alcatel-Lucent c.s.) (r.o. 4.4.3). Deze uitspraak van de Hoge Raad had betrekking op de opzegging door een werkgever van de voor onbepaalde tijd aangegane uitvoeringsovereenkomst met een ondernemingspensioenfonds. De werkgever bracht de “opbouw” van pensioenen onder bij een andere pensioenuitvoerder. Het pensioenfonds was in “onderdekking” en vorderde bijstortingen.
Gerlach 2023, p. 237.
Zie verder hoofdstuk 10 van dit onderzoek met mijn aanbevelingen voor het verbeteren van de informatievoorziening. In hoofdstuk 10.4 heb ik de aanbeveling opgenomen om degenen die uit hoofde van een collectieve levensverzekering al een periodieke pensioenuitkering genieten wel degelijk het Wft-verzetrecht toe te kennen, indien de verzekeringnemer van de desbetreffende collectieve levensverzekeringsovereenkomst geen gebruik maakt van het aan hem toekomende Wft-verzetrecht. Zij zouden dan natuurlijk wel verplicht moeten zijn om bij het indienen van verzet te vermelden wie de verzekeringnemer is van de desbetreffende collectieve levensverzekering, zodat, als zou blijken dat hij toch gebruik heeft gemaakt van het Wft-verzetrecht, hun individueel ingediende Wft-verzet in de telling genegeerd kan worden.
Art. 7:968 BW: “De aanwijzing van een derde als begunstigde kan niet worden herroepen: (a) indien die derde haar heeft aanvaard; (b) indien het risico is geëindigd door het overlijden van de verzekerde; (c) indien een uitkering opeisbaar wordt; (d) indien dit uit de overeenkomst voortvloeit.”
Bij juridische fusie en juridische splitsing betreft het een verzetprocedure voor “schuldeisers”. De Wft-verzetprocedure1 in het geval van portefeuilleoverdracht, juridische fusie of juridische splitsing van een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar is een verzetprocedure voor polishouders.2 Nu we een antwoord hebben geformuleerd op de vraag wie “schuldeiser” is in geval van verzekeringsovereenkomsten, en dus op de vraag wie het verzetrecht heeft op grond van Boek 2 BW in geval van juridische fusie en juridische splitsing, kunnen we een vergelijking maken van de groep van verzetgerechtigden op grond van Boek 2 BW in geval van juridische fusie en juridische splitsing en de groep van verzetgerechtigden op grond van art. 3:119 Wft (‘Boek 2 BW verzetrecht’ en ‘Wft-verzetrecht’):
De eerste laag van de vergelijking
Het Boek 2 BW verzetrecht heeft betrekking op alle rechtspersonen. Het Wft-verzetrecht ziet alleen op levensverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars.
De tweede laag van de vergelijking
Het Boek 2 BW verzetrecht is een verzetrecht voor alle schuldeisers. Het Wft-verzetrecht is alleen voor polishouders. De groep van verzetgerechtigden op grond van Boek 2 BW is dus op de eerste plaats veel groter omdat die ook schuldeisers betreft op grond van overeenkomsten van een andere aard dan verzekeringsovereenkomsten.
De derde laag van de vergelijking
Het Boek 2 BW verzetrecht komt bij een juridische fusie toe aan de schuldeisers van alle te fuseren rechtspersonen, dus zowel aan de schuldeisers van de verdwijnende als de verkrijgende rechtspersoon. Het Boek 2 BW verzetrecht komt bij een juridische splitsing toe aan de schuldeisers van “alle partijen bij de splitsing”. Partij bij de splitsing is – volgens Boek 2 BW – de splitsende rechtspersoon alsmede elke verkrijgende rechtspersoon, met uitzondering van rechtspersonen die bij de splitsing worden opgericht.3
Hier doet zich een belangrijk verschil voor met het Wft-verzetrecht.4 Art. 3:119 lid 1 Wft spreekt over het verzetrecht van de “betrokken polishouders”. In de literatuur wordt daarom aangenomen dat polishouders van de verkrijgende verzekeraar geen verzetrecht hebben in het geval dat een verzekeraar een portefeuille aan “hun” levensverzekeraar (of natura-uitvaartverzekeraar) overdraagt.
Ik neem daarom aan dat bij een juridische fusie van levensverzekeraars (of natura-uitvaartverzekeraars) het Wft-verzetrecht ook alleen toekomt aan de polishouders van de verdwijnende rechtspersoon.
Bij een juridische splitsing van levensverzekeraars (of natura-uitvaartverzekeraars) komt mijns inziens het Wft-verzetrecht dan alleen toe aan de polishouders van de portefeuille die wordt afgesplitst.
De groep van verzetgerechtigden op grond van Boek 2 BW is dus op de tweede plaats groter omdat deze alle “schuldeisers” betreffende verzekeringsovereenkomsten van zowel de verkrijgende rechtspersoon als de verdwijnende rechtspersoon omvat, terwijl het Wft-verzetrecht in geval van juridische fusie alleen toekomt aan de polishouders van de verdwijnende rechtspersoon. Bij een juridische splitsing hebben alleen de polishouders in de verzekeringsportefeuille die wordt afgesplitst, het Wft-verzetrecht.
De vierde laag van de vergelijking: inleiding
De kern van voor wie het Wft-verzetrecht bestemd is, vinden wij in art. 3:119 lid 5 Wft. Dit artikellid luidt als volgt:
“Voor de toepassing van dit artikel wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde. In het geval van overdracht door een levensverzekeraar wordt, indien de verzekeringnemer bij een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet met een verzekeraar ontbreekt, onder polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen. In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt ingeval van een collectieve levensverzekering voor de toepassing van het tweede lid het aantal verzekerden in aanmerking genomen.”
Die bepaling pas ik hieronder toe voor individuele en collectieve levensverzekeringen. Daarbij refereer ik dan steeds ook aan mijn analyse wie bij verzekeringsovereenkomsten het Boek 2 BW verzetrecht hebben, zoals hiervoor opgenomen in hoofdstuk 5.6.2.2.
Aan de tekst van art. 3:119 lid 5 Wft en daaraan voorafgaande wetgeving is in de parlementaire geschiedenis maar zeer summier aandacht besteed. Bij de toepassing hieronder ga ik daarom niet in op parlementaire geschiedenis. Bij de invoering van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf per 1 juni 1987 werd een nieuw art. 53c lid 8 opgenomen.5 Dit artikellid komt overeen met de huidige twee eerste volzinnen van art. 3:119 lid 5 Wft. In de Kamerstukken wordt ter toelichting alleen opgemerkt dat de regeling zo is ingekleed dat per verzekerd bedrag slechts één bevoegde polishouder wordt aangewezen.6 De derde volzin werd toegevoegd bij de invoering van de Wft per 1 januari 2007. Op grond van art. 3:119 lid 2 Wft ging het er voortaan om of een vierde of meer van het aantal polishouders zich had verzet. Voor die datum ging het erom of polishouders die een vierde of meer van het betrokken verzekerd bedrag vertegenwoordigden, zich hadden verzet. Bij collectieve levensverzekeringen is er meestal maar één verzekeringnemer. Indien hij van zijn verzetrecht gebruik maakt, zou hij zonder nadere regeling “meetellen” als één polishouder die zich verzet. In de laatste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft werd dat anders geregeld. De parlementaire geschiedenis plaatst deze volzin in de context van de wijziging van art. 3:119 lid 2 Wft. Verdere toelichting ontbreekt.7
De vierde laag van de vergelijking: individuele levensverzekeringen
Bij individuele levensverzekeringen komt het Boek 2 BW verzetrecht voorafgaand aan de verwezenlijking van het risico toe aan de verzekeringnemer (of diens rechtsopvolger). Hij is een schuldeiser met een voorwaardelijk recht. In plaats van aan de verzekeringnemer komt het Boek 2 BW verzetrecht voorafgaand aan de verwezenlijking van het risico echter toe aan de begunstigde derde, indien deze de begunstiging op rechtsgeldige wijze heeft aanvaard. Deze begunstigde derde is een schuldeiser met een voorwaardelijk recht. Deze persoon heeft niet het Wft-verzetrecht, want dat komt op grond van de eerste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft8 nog steeds toe aan de verzekeringnemer (of diens rechtsopvolger). De uitkering is immers nog niet opeisbaar.
Ook heb ik voor de situatie dat het risico zich wel heeft verwezenlijkt aangenomen dat de begunstigde derde waarvan de begunstiging op grond van art. 7:968 BW onherroepelijk is geworden het Boek 2 BW verzetrecht heeft. De aanwijzing van een derde als begunstigde kan volgens art. 7:968 BW met name niet meer worden herroepen (a) indien die derde haar heeft aanvaard, (b) indien het risico is geëindigd door het overlijden van de verzekerde en (c) indien een uitkering opeisbaar wordt. Indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, komt het verzetrecht van art. 3:119 Wft zowel toe aan degene die al recht heeft op de uitkering, als de begunstigde derde die de begunstiging nog kan aanvaarden. Dat volgt uit de definitie van “tot uitkering gerechtigde” zoals opgenomen in art. 7:926 lid 2 BW. In hoofdstuk 1.4 heb ik uiteengezet dat ik zou willen aannemen dat we onder “de tot de uitkering gerechtigde” in de zin van art. 3:119 lid 5 Wft de tot uitkering gerechtigde zoals gedefinieerd in art. 7:926 lid 2 BW mogen verstaan. Art. 3:119 lid 5 Wft kent in de eerste volzin het Wft-verzetrecht indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, toe aan de tot de uitkering gerechtigde. In art. 7:926 lid 2 BW wordt voor wat betreft afdeling 1 van Titel 17 van het Burgerlijk Wetboek onder de tot uitkering gerechtigde verstaan “degene die in geval van verwezenlijking van het risico krachtens de verzekering recht heeft op uitkering of door aanvaarding van de aanwijzing recht op uitkering kan krijgen”. Indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, en er is sprake van een begunstigde derde, dan heeft hij dus in beginsel zowel het Boek 2 BW verzetrecht (de begunstiging is op grond van art. 7:968 BW onherroepelijk en hij heeft dus een al dan niet voorwaardelijk recht op de uitkering) als het Wft-verzetrecht (hij kan volgens art. 7:926 lid 2 BW beschouwd worden als de tot de uitkering gerechtigde in de zin van art. 3:119 lid 5 Wft).
De vierde laag van de vergelijking: collectieve levensverzekeringen9
a. Boek 2 BW verzetrecht voor wat betreft de pensioenaanspraak: In geval van collectieve levensverzekeringen aanvaardt de werknemer, door het sluiten van de pensioenovereenkomst met de werkgever, tevens (op hetzelfde tijdstip) de begunstiging in de verzekeringsovereenkomst. Dat betekent dat we er voor wat betreft het Boek 2 BW verzetrecht vanuit kunnen gaan dat alle deelnemers begunstigde derden zijn die de begunstiging al op rechtsgeldige wijze hebben aanvaard. De deelnemers in een pensioenregeling hebben dus voor wat betreft hun pensioenaanspraak het Boek 2 BW verzetrecht.10
b. Boek 2 BW verzetrecht voor wat betreft het pensioenrecht: De deelnemers in een pensioenregeling die al uitkeringen genieten hebben voor wat betreft hun pensioenrecht ook het Boek 2 BW verzetrecht.11
c. Wft-verzetrecht voor wat betreft de pensioenaanspraak: De deelnemers in een pensioenregeling hebben voor wat betreft hun pensioenaanspraak niet het Wft-verzetrecht. Zij zijn begunstigde van de verzekeringsovereenkomst die hun werkgever met de verzekeraar heeft gesloten. Daardoor kwalificeren zij zelf niet als “verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger” in de zin van de eerste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft. Het Wft-verzetrecht komt toe aan de werkgever. De werkgever is immers de verzekeringnemer. In art. 3:119 lid 5 Wft is in de laatste volzin bepaald dat in geval van een collectieve levensverzekering voor de toepassing van het tweede lid van art. 3:119 Wft (waarin staat dat DNB geen instemming verleent indien zich een vierde of meer van de polishouders binnen de gestelde termijn heeft verzet) het aantal verzekerden in aanmerking wordt genomen. Dat betekent dat de werkgever die in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer gebruik maakt van het Wft-verzetrecht aan DNB in beginsel ook het aantal verzekerden uit hoofde van de collectieve levensverzekering zal moeten laten weten. Indien een werkgever die gebruik maakt van het verzetrecht niet in staat is om DNB te informeren over het aantal verzekerden van de door hem afgesloten collectieve levensverzekering, dan past het bij een zorgvuldige uitvoering van deze regeling dat DNB zelf de voor de berekening noodzakelijke informatie inwint bij de overdragende verzekeraar. Al die verzekerden tellen dan elk mee ter vaststelling van de vraag of een vierde of meer van de polishouders in verzet is gekomen.
d. Wft-verzetrecht voor wat betreft het pensioenrecht: De deelnemers in een pensioenregeling die al uitkeringen ontvangen van de verzekeraar kunnen voor wat betreft hun pensioenrecht geen gebruik maken van het Wft-verzetrecht.
Dit valt af te leiden uit de tekst van art. 3:119 lid 5 Wft:
1e De laatste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft regelt dat indien de (voormalige) werkgever in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer gebruik maakt van het Wft-verzetrecht, bij het berekenen van het aantal polishouders dat in verzet komt het aantal verzekerden van die collectieve levensverzekering wordt meegeteld. Deze volzin kan niet gelezen worden als het toekennen van het Wft-verzetrecht aan de verzekerden. Als dat de bedoeling zou zijn geweest, zou de laatste volzin anders geformuleerd zijn. Er zou dan hebben gestaan dat bij collectieve levensverzekeringen de verzekerden zich kunnen verzetten.
2e In de eerste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft wordt het verzetrecht toegekend aan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde. Deze volzin is zo geformuleerd dat indien het verzetrecht toekomt aan de tot de uitkering gerechtigde, dat de verzekeringnemer dan geen verzetrecht meer heeft. Bij een collectieve levensverzekering zal het echter meestal zo zijn dat er deelnemers zijn die al genieten van een uitkering, maar ook deelnemers die nog in het stadium zijn dat er alleen sprake is van een pensioenaanspraak. Voor die deelnemers zou de (voormalige) werkgever het Wft-verzetrecht moeten hebben, aangezien degenen met alleen een pensioenaanspraak zelf dat recht in ieder geval niet hebben. Dit lichtte ik hiervoor onder punt c toe. De meest logische uitleg van de eerste volzin is daarom dat het tweede deel daarvan niet van toepassing is bij collectieve levensverzekeringen. Bij een dergelijke levensverzekering kan worden gesteld dat deze nog niet volledig opeisbaar is, zodat het Wft-verzetrecht op grond van het eerste deel van de eerste volzin toekomt aan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger. Aan toepassing van het tweede deel van de eerste volzin komt men aldus niet toe.
3e Indien in het tweede deel van de eerste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft wél gelezen zou mogen worden dat deelnemers in een pensioenregeling die al een uitkering genieten zelf van het Wft-verzetrecht gebruik kunnen maken, dan had de laatste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft anders geformuleerd moeten zijn.
In de laatste volzin had dan immers tevens geregeld moeten worden dat zij12 niet meetellen bij het aantal verzekerden dat bij hem in aanmerking wordt genomen als de (voormalige) werkgever gebruik maakt van het verzetrecht. Of er had juist geregeld moeten zijn dat door deelnemers individueel ingediend verzet genegeerd wordt, indien de verzekeringnemer gebruik maakt van het verzetrecht. Er ontstaan anders “dubbeltellingen”.
Bovendien had dan in de laatste volzin geregeld moeten zijn, dat indien een deelnemer gebruik zou maken van het Wft-verzetrecht hij in de telling maar meegenomen wordt als één verzekerde die in verzet komt. Om een deelnemer die gebruik maakt van zijn Wft-verzetrecht mee te tellen voor “het aantal verzekerden” zou ongewenste consequenties hebben.
Om de laatste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft “In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt ingeval van een collectieve levensverzekering voor de toepassing van het tweede lid het aantal verzekerden in aanmerking genomen.” zo uit te leggen (1) dat indien een verzekeringnemer in verzet komt dit meetelt voor het totale aantal verzekerden van die polis; (2) dat indien een deelnemer in verzet komt hij dan juist alleen maar meetelt als één verzekerde, en (3) dat indien zowel de verzekeringnemer als deelnemers in verzet komen het individueel door de deelnemers ingediende verzet in de telling genegeerd wordt, dit alles om “dubbeltellingen” te voorkomen, vereist nogal wat interpretatie van deze volzin. Het lijkt dan logischer ervan uit te gaan dat met de eerste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft niet is bedoeld om deelnemers het Wft-verzetrecht toe te kennen. Anders gezegd, deze “tel-regel” (dat het aantal verzekerden geteld moet worden) als zodanig kan beschouwd worden als argument voor de gedachte dat het Wft-verzetrecht bij collectieve levensverzekeringen alleen aan de verzekeringnemer toekomt.
Indien men niet al op grond van art. 3:119 lid 5 Wft zou aannemen dat met betrekking tot pensioenrechten géén gebruik kan worden gemaakt van het Wft-verzetrecht dan volgt dit “alsnog” uit de Pensioenwet. In art. 6 van de Pensioenwet is namelijk bepaald:
“De Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op de verhouding tussen een verzekeraar of een premiepensioeninstelling en een aanspraak- of pensioengerechtigde, tenzij in deze wet anders is bepaald.”13
Het uitoefenen van het Wft-verzetrecht kan geacht worden plaats te vinden in de verhouding met de verzekeraar.14 In de Pensioenwet is niet bepaald dat pensioengerechtigden het recht van verzet van art. 3:119 Wft kunnen uitoefenen. De zinsnede “tenzij in deze wet anders is bepaald” heeft wat dit betreft dus ook geen consequenties. Dit artikel 6 is in de Tweede nota van wijziging15 toegevoegd aan het wetsvoorstel voor de Pensioenwet en luidde aanvankelijk: “De Wet financiële dienstverlening is niet van toepassing op de verhouding tussen een verzekeraar en een aanspraak- of pensioengerechtigde.”16 De Pensioenwet is voor het grootste deel per 1 januari 2007 in werking getreden. Ook art. 6 Pensioenwet trad op die dag in werking. Voor die datum was de Pensioen- en Spaarfondsenwet van toepassing. De verwijzing naar de Wet financiële dienstverlening in art. 6 Pensioenwet werd in de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet vervangen door een verwijzing naar de Wet op het financieel toezicht, die ook op 1 januari 2007 werd ingevoerd.17 Vanaf de inwerkingtreding van de Pensioenwet werd dus in art. 6 Pensioenwet bepaald dat de Wft niet van toepassing is op de verhouding tussen de verzekeraar en de aanspraak- of pensioengerechtigde. De consequentie daarvan is dat degene die al pensioenuitkeringen van de verzekeraar ontvangt geen gebruik kan maken van het Wft-verzetrecht.18 Overigens weet ik niet zeker of dat door de wetgever zo is beoogd. Ten tijde van de Wet financiële dienstverlening was ook de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 van toepassing. De regeling van de portefeuilleoverdracht was opgenomen in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 199319 en niet in de Wet financiële dienstverlening. Bij het vervangen van de verwijzing naar de Wet financiële dienstverlening door een verwijzing naar de Wet op het financieel toezicht is mogelijk over het hoofd gezien dat dit ook een “uitsluiting” van het recht om gebruik te maken van het Wft-verzetrecht bij portefeuilleoverdracht impliceert. Het is echter ook goed mogelijk dat de wetgever, op basis van de insteek dat art. 3:119 lid 5 Wft geen verzetrecht geeft aan degenen met een pensioenaanspraak en een pensioenrecht, als uitgangspunt nam dat aan dit verzetrecht in de Pensioenwet en het parlementair overleg daarover verder geen aandacht hoefde te worden besteed.20
Ook voor wat betreft degenen die al een pensioenuitkering genieten, is het dus de (voormalige) werkgever die in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer gebruik kan maken van het Wft-verzetrecht. Hem komt in ieder geval in verband met de nog niet opeisbare uitkeringen in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer het Wft-verzetrecht toe. Op grond van de laatste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft telt hij (de verzekeringnemer) mee voor “het aantal verzekerden”, indien hij inderdaad van dat Wft-verzetrecht gebruik maakt. Daar is immers bepaald dat ingeval van een collectieve levensverzekering “voor de toepassing van het tweede lid”21 van art. 3:119 Wft het aantal verzekerden in aanmerking wordt genomen. Degenen die al een pensioenuitkering genieten, worden dus in die telling meegenomen.
Het bijzondere van deze situatie is dat als de werkgever géén gebruik maakt van het Wft-verzetrecht, de deelnemer die al van zijn pensioenuitkering geniet dat strikt genomen niet op individuele basis alsnog zelf kan doen. DNB kan hem tegenwerpen dat hij geen Wft-verzetrecht heeft. Net zoals hun (voormalige) werkgever in het verleden voor deze verzekeraar als pensioenuitvoerder heeft gekozen, is het in feite nog steeds die (voormalige) werkgever die ten behoeve van de groep van verzekerden bepaalt om al dan niet in verzet te komen tegen de voornemens van de verzekeraar die optreedt als pensioenuitvoerder.
Wel mag worden aangenomen dat de werkgever op grond van art. 7:611 BW22 ook ten behoeve van zijn voormalige werknemers, als een goed werkgever, een juridische verplichting heeft om aandacht te besteden aan de voorgenomen portefeuilleoverdracht of portefeuilleovergang, alsmede om eventueel gebruik te maken van het Wft-verzetrecht. Die opvatting baseer ik op jurisprudentie van de Hoge Raad. Bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst, of gedurende de looptijd daarvan, is een pensioenovereenkomst gesloten tussen de werkgever en de werknemer. Volgens art. 1 Pensioenwet is een pensioenovereenkomst “hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen.” De pensioenovereenkomst wordt geacht door te lopen na het einde van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad heeft in 2013 namelijk geoordeeld dat op het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt, de rechtsverhouding tussen partijen “met gewijzigde hoedanigheid van de partijen” wordt voortgezet in de pensioenovereenkomst.23 Recent heeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 7:611 BW, waarin de norm van goed werkgeverschap is neergelegd, van toepassing is “op de pensioenovereenkomst als onderdeel van de arbeidsovereenkomst, ook nadat de arbeidsovereenkomst voor het overige is geëindigd”.24 Dus ook al wordt er verschillend gedacht over de toepassing van de normen van goed werkgeverschap van art. 7:611 BW na afloop van de arbeidsovereenkomst,25 ten aanzien van de pensioenovereenkomst mag op grond van deze jurisprudentie van de toepassing daarvan worden uitgegaan. In een arrest van 2016 had de Hoge Raad ook al aangenomen dat de (voormalige) werkgever op grond van de (voormalige) arbeidsverhouding “een zekere verantwoordelijkheid heeft (behouden)”26 met betrekking tot de (opgebouwde) pensioenaanspraken van (gewezen) deelnemers. Gerlach merkt hierover in zijn proefschrift op dat de Hoge Raad in 2016 naar zijn mening ook al “eenvoudigweg op goed ex-werkgeverschap” doelde.27
Relevant lijkt mij in dit kader ook dat de kans bestaat dat de (voormalige) werkgever helemaal niet op de hoogte is van de voorgenomen portefeuilleoverdracht door de verzekeraar respectievelijk de juridische fusie of juridische splitsing. De verzekeraar heeft in beginsel geen wettelijke verplichting om de werkgever een individuele kennisgeving te sturen over de voorgenomen overdracht/overgang van de rechten en verplichtingen uit de door hem met de verzekeraar gesloten uitvoeringsovereenkomst (tevens levensverzekeringsovereenkomst). DNB schrijft de verzekeraar tot nu toe meestal voor om advertenties te plaatsen. De kans bestaat dat de (voormalige) werkgever de advertentie niet ziet, terwijl hij wat dat betreft eigenlijk de belangen van een substantieel aantal verzekerden in beschouwing zou moeten nemen.28
Kernpunten van deze vergelijkingen
Schematisch weergegeven ziet de vergelijking van Wft-verzetgerechtigden met de groep van Boek 2 BW verzetgerechtigden er dan naar mijn mening al met al als volgt uit:
Vergelijking groep van Wft-verzetgerechtigden met groep van Boek 2 BW verzetgerechtigden
Wft-verzetrecht
Boek 2 BW verzetrecht
1.
In geval van een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar
Alle verzekeraars
2.
Polishouders
Alle schuldeisers
3.
Bij een juridische fusie alleen de polishouders van de verdwijnende rechtspersoon.
Bij een juridische splitsing alleen de polishouders in de portefeuille die wordt afgesplitst.
Schuldeisers van alle te fuseren rechtspersonen respectievelijk alle partijen bij de splitsing.
4.a.
Voordat een uitkering uit de verzekering opeisbaar is:
de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger
De begunstigde derde van een individuele levensverzekering heeft géén Wft-verzetrecht want dat komt op grond van art. 3:119 lid 5 Wft toe aan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger.
Bij collectieve levensverzekeringen heeft de deelnemer voor wat betreft zijn pensioenaanspraak géén Wft-verzetrecht. De deelnemer wordt beschouwd als de begunstigde.
Zijn (voormalige) werkgever is de verzekeringnemer. De (voormalige) werkgever heeft het Wft-verzetrecht.
De verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger (*)
De begunstigde derde in plaats van de verzekeringnemer, indien de begunstigde derde de begunstiging op rechtsgeldige wijze heeft aanvaard (*)
4.b.
Nadat een uitkering uit de verzekering opeisbaar is:
de tot de uitkering gerechtigde.
Bij individuele levensverzekeringen betreft dit de begunstigde (art. 3:119 lid 5 Wft juncto art. 7:926 lid 2 BW).
Bij collectieve levensverzekeringen heeft de deelnemer die van zijn pensioenuitkering geniet geen Wft-verzetrecht. De (voormalige) werkgever heeft het Wft-verzetrecht.
Na verwezenlijking van het risico:
-de begunstigde derde waarvan de begunstiging op grond van art. 7:968 BW29 onherroepelijk is geworden
-de verzekeringnemer, tenzij er een begunstigde derde is waarvan de begunstiging op grond van art. 7:968 BW onherroepelijk is geworden.
(*) tenzij men ervan uitgaat dat de visie van Van Hees en Schuijling correct zou zijn (namelijk dat het recht op een verzekeringsuitkering in de fase voordat het risico zich heeft verwezenlijkt een toekomstige vordering is) en wij nemen dan vervolgens aan dat de visie van Koster en Roelofs (namelijk dat voor toekomstige vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen geen Boek 2 BW verzetrecht bestaat) de juiste is, dan heeft deze persoon geen verzetrecht.