Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/4.3.1
4.3.1 Mogelijke verklaringen
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS361939:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Opgemerkt zij hier dat art. 7:680 lid 5 BW de bevoegdheid geeft aan de rechter de gefixeerde schadevergoeding in geval van een onregelmatig ontslag te matigen, maar niet op minder dan het in geld vastgesteld loon voor de duur van de wettelijke opzegtermijn, noch op minder dan het in geld vastgesteld loon voor de duur van drie maanden.
HR 20 maart 1992, JAR 1992/11 ('schadevergoeding anders dan in geld').
Volgens onderzoek van E.F.V. Boot is in de periode 2000-2011 slechts 60 keer om herstel verzocht (E.F.V. Boot 2011, p. 94). Vgl. Houweling 2013, p. 84; Van der Kind & Jacz 2013.
In de gepubliceerde jurisprudentie in de periode 2000-2012 is de herstelvordering slechts zes keer toegewezen. Zie Ktr. Utrecht 8 februari 2012, JAR 2012/62; Ktr. Utrecht 13 juli 2011, JAR 2011/218; Ktr. Groningen 10 juni 2010, JAR 2011/47; Ktr. Haarlem 17 januari 2007, LJN AZ6499; Ktr. Groningen 27 juli 2005, JAR 2005/196; Ktr. Zutphen 25 februari 2003, JAR 2003/100. Vgl. E.F.V. Boot 2011, p. 95-96.
Art. 7:682 lid 3 BW.
SER 1970/09, p. 7.
Toelichting op het ontwerp Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, te raadplegen in het Nationaal Archief onder archiefinventarisnummer 2.15.73, nummer 63; wetsvoorstel 12 403; wetsvoorstel 10 335; wetsvoorstel 13 954; wetsvoorstel 15 400; wetsvoorstel 22 014; wetsvoorstel 25 263; wetsvoorstel 28 169; wetsvoorstel 28 170. De nietigheidssanctie in het kader van de bijzondere opzegverboden dateert overigens pas van 1976 (Kamerstukken II 1973/74, 12 403, nr. 5, 6 en 7). Voor die tijd leidde overtreding van een bijzonder opzegverbod tot schadeplichtigheid.
Opzegverboden kunnen worden onderscheiden in twee vormen: 'tijdens' en 'wegens' opzegverboden. Betreft het een 'tijdens' opzegverbod, dan mag er gedurende een bepaalde tijd niet opgezegd worden. Zo bepaalt art. 7:670 BW dat gedurende ziekte, zwangerschap, militaire dienst, en lidmaatschap van een medezeggenschapsorgaan niet mag worden opgezegd. Betreft het een 'wegens' opzegverbod dan mag er niet vanwege een bepaalde hoedanigheid of omstandigheid worden opgezegd. Art. 7:670 BW bepaalt dat niet mag worden opgezegd wegens vakbondslidmaatschap, politiek verlof, ouderschapsverlof, overgang van onderneming en weigering van zondagsarbeid. Vgl. Van Kempen & Ridderbroek 2006.
Van den Heuvel 1983, p. 93.
Van den Heuvel 1983, p. 272.
Kamerstukken II 1978/79, 15 400, nr. 6, p. 14.
Wet van 14 mei 1998, Stb. 1998, 300.
Kamerstukken II 1996/97, 25 263, nr. 3. De vernietigingsgrond was daarvoor al wel opgenomen in art. 8 AWGB. Ook daar bleef een nadere toelichting uit. Kamerstukken II 1991/92, 22 014, nr. 5, p. 92; Kamerstukken II 1991/92, 22 014, nr. 7.
Waarom kenmerken de preventieve ontslagprocedures zich wel door een vorm van verdund procesrecht en de repressieve procedures niet?
Een verklaring zou allereerst kunnen liggen in het verschil in uitkomst van de procedures. De uitkomst van de preventieve UWV- of ontbindingsprocedure is beslissend voor het geldig1 kunnen opzeggen van de arbeidsovereenkomst respectievelijk het ontbinden van de arbeidsovereenkomst. Dit is een uitkomst van geheel andere orde dan in de repressieve procedures die leiden tot schadevergoeding bijvoorbeeld vanwege de onregelmatigheid en/of kennelijke onredelijkheid van de opzegging. In die procedures procedeert men slechts over de vraag of er aanleiding is tot schadeplichtigheid van de werkgever en zo ja, hoe hoog het te betalen bedrag aan schadevergoeding is.2 Het risico op veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst (art. 7:682 BW) – een bijzondere vorm van schadevergoeding3 – is slechts theoretisch: herstel wordt in de praktijk weinig gevorderd,4 en slechts zeer zelden door de rechter toegewezen5 en kan bovendien altijd door de werkgever worden afgekocht.6 De SER meldde reeds in 1970 dat herstel van de dienstbetrekking praktisch van geen betekenis is, 'daar een herstel in het algemeen geen zinvolle oplossing is – te bedenken valt hierbij dat het vonnis tot herstel eerst zal worden gewezen geruime tijd nadat de dienstbetrekking is verbroken – en bovendien altijd op verzoek van een der partijen kan worden omgezet in een afkoopsom'.7
De uitkomst van deze categorie repressieve procedures heeft, in tegenstelling tot de preventieve ontslagprocedures, geen invloed op het al dan niet kunnen beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Alleen omtrent dit laatste vond de wetgever het blijkbaar nodig om in snelle duidelijkheid te voorzien. Dit is ook de opvatting van de vaste Kamercommissie bij de wijziging van het ontslagrecht in 1953. In de parlementaire geschiedenis overweegt zij in het kader van een discussie over de rechtspraak in arbeidsgeschillen, meer specifiek over de duur van een dergelijk proces:
'Betreft het geschil nu voornamelijk een geldkwestie, dan moge het voor partijen onaangenaam zijn indien de eindbeslissing nog geruime tijd uitblijft, onoverkomelijk is dat niet'.8
Voorgaande verklaring gaat evenwel niet op voor de repressieve ontslagprocedure die kan volgen na een beroep op een vernietigingsgrond van de opzegging door de werknemer. De uitkomst van die repressieve procedure geeft een oordeel over het al dan niet beëindigd zijn van de arbeidsovereenkomst. Dit is een gelijksoortige uitkomst als in de preventieve procedures, met dien verstande dat het niet gaat om de vraag of beëindigd kan worden, maar om de vraag of beëindigd is. Waardoor kan het verschil in verdund procesrecht tussen de preventieve en de repressieve procedures na een beroep op een vernietigingsgrond van de opzegging dan verklaard worden? Dit blijft gissen. De wetsgeschiedenis bij het algemeen opzegverbod van art. 6 jo. 9 BBA en de bijzondere opzegverboden verschaffen op dit punt geen duidelijkheid.9
Wellicht ligt de verklaring in het karakter van de vernietigingsgronden. De opzegverboden, die van oudsher alleen zogenoemde 'tijdens' verboden10 betroffen, zou men kunnen opvatten als duidelijk omschreven normen die weinig afwegingsmogelijkheden aan de werkgever laten. Zo omschrijft Van den Heuvel in 1983 de opzegverboden als normen 'die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaten'.11 Ontslagverboden die ruimte voor dubio laten moesten volgens hem niet van een nietigheidssanctie worden voorzien, maar van schadevergoeding naar billijkheid.12 In gelijke zin redeneert de regering in de memorie van antwoord bij wetsvoorstel 15 400 tot aanpassing van de wetgeving naar aanleiding van de EU richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Zij merkt op dat bewust in art. 1637ij BW (thans art. 7:646 en 647 BW) niet de bepaling is opgenomen dat een ontslag in strijd met dat artikel nietig is. De nietigheid van het ontslag komt aldus de regering alleen voor in verband met ontslag gegeven wegens een aantal concrete feiten zoals huwelijk, zwangerschap en dergelijke (cursief BdV). In het kader van art. 1637ij BW gaat het volgens de regering uitdrukkelijk niet om dergelijke concrete feiten, zodat een nietigheidssanctie onwenselijk zou zijn.13 Overigens is met de Wet flexibiliteit en zekerheid wel voorzien in een nietigheidssanctie in het kader van een opzegging in strijd met het verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen.14 De wetsgeschiedenis geeft geen nadere toelichting op deze wijziging.15