Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/7.4.4
7.4.4 De stand van het huidige recht: het Nederlanderschap als ongedeeld burgerschap?
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181136:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Helsdingen 1957, p. 282.
Officiële Toelichting, onder art. 3 lid 1 sub c Statuut.
De memorie van toelichting voor Suriname van de Staatsregeling van 1950: “Het landsburgerschap is een inwendige aangelegenheid, met uitzondering voor wat betreft de verhouding tussen landsburgerschap en nationaliteit.” Van Helsdingen 1957, p. 280. In de Staten van de Nederlandse Antillen vond geen weerklank bij de invoering van het begrip ‘landsburgerschap’. Van Helsdingen 1957, p. 280-281: “Bij dit artikel [art. 3] wordt een nieuw begrip ingevoerd, t.w. dat van ‘landsburgerschap’. Aangezien van de zijde der Staten hierom nimmer is gevraagd en elke toelichting ontbreekt, tasten de Staten hieromtrent in het duister. Gaarne zouden zij dan ook het rapport van de door de Regering ingestelde commissie van de kwestie van de nationaliteit te regelen betreffende dit punt vernemen.”
Hindoestanen en Javanen waren hiervan uitgezonderd. Zij werden op grond van de Wet van 10 juni 1927, Stb. 1927, 175 Nederlands-onderdaan-niet-Nederlander. Met de inwerkingtreding van de Wet nadere regelen omtrent nationaliteit en ingezetenschap 1951, Stb. 1951, 593 veranderde hun status naar Nederlander.
Over het Nederlands nationaliteitsrecht, zie: G.R. de Groot, M. Tratnik, Nederlands nationaliteitsrecht (Monografieën privaatrecht), Deventer: Kluwer 2000.
Stb. 1983, 70.
Hoogers, Karapetian 2017, p. 25-26.
Art. 2 lid 3 Grondwet. Voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten is de geldende regeling inzake uitlevering een rijksregeling, namelijk een algemene maatregel van rijksbestuur (het Uitleveringsbesluit Aruba, Curaçao en Sint Maarten). Voor het land Nederland geschiedt uitlevering bij wet, namelijk de Uitleveringswet. Deze omstandigheid dat de uitlevering in Nederland een Nederlandse wet is, is in strijd met het Statuut dat uitlevering bestempelt als een Koninkrijksaangelegenheid.
Zie onder ‘Het kiesrecht voor vertegenwoordigende organen in het Koninkrijk’.
Art. 31 lid 2 bepaalt: “Aan de Staatsregeling is voorbehouden te bepalen, dat de dienstplichtigen, dienende bij de landmacht, zonder hun toestemming niet dan krachtens een landsverordening naar elders kunnen worden gezonden.”
Bovend’Eert e.a. 2018, p. 316. De Officiële Toelichting bij art. 31 Statuut vermeldt in klare taal: “Dit artikel verklaart het opleggen van dienstplicht tot Landszaak. Slechts bij landsverordening kan de dienstplicht in Suriname en de Nederlandse Antillen worden ingevoerd. Dit geldt niet alleen voor de militaire dienst, doch ook voor de burgerlijke dienst ten behoeve van de defensie. Wordt de dienstplicht bij landsverordening ingevoerd, dan hebben Suriname en de Nederlandse Antillen het nog in eigen hand, deze dienstplichtigen bij de landsmacht in eigen gebied te houden. De Landsregeling kan – doch dit behoeft niet – bepalen, dat deze dienstplichtigen niet dan krachtens een landsverordening naar elders kunnen worden gezonden.”
Bovend’Eert e.a. 2018, p. 316.
G. Karapetian, ‘De genesis van de Europese burger overzee. Over het personenverkeer van Nederlanders binnen het Koninkrijk’, TvCR 2016 (2). In 1956 schrijft Logemann het volgende over Nederlanderschap: “Ook van de wet op het nederlanderschap – rijksaangelegenheid volgens artikel 3 statuut – moet men zeggen, dat haar toepasselijkheid niet aan territoir gebonden is. Zij maakt overal ter wereld uit, of een persoon staatsburger van het koninkrijk is of vreemdeling. […] Toch lijdt het voor mij geen twijfel, dat zij slechts bij rijkswet zal mogen worden gewijzigd. Wie de status van Nederlander niet bezit, mist belangrijke rechten. Ook dit mag, naar de geest van het statuut niet buiten de Westindische rijksdelen omgaan.” Logemann, 1956, p. 144. Mijns inziens verdient Logemanns uitgangspunt dat aan het Nederlanderschap belangrijke rechten zijn gekoppeld, een kanttekening. Deze houdt in dat het de landen van het Koninkrijk zijn die deze rechten koppelen aan het Nederlanderschap, en niet zozeer het Koninkrijk zelf. De landen gaan derhalve zelf over de vraag welke rechten en plichten in het desbetreffende land zijn gekoppeld aan het Nederlanderschap.
Zie in dit kader ook Kamerstukken II 1953-1954, 3517, 2.
Een voorbeeld: Aruba kan niet rechtens de toegang van Sint Maartenaren tot Aruba gemakkelijker maken dan de toegang van Curaçaoënaars tot Aruba. Dat het voorgaande echter wel gebeurt, blijkt uit de verschillende Landsverordeningen Toelating en Uitzetting (LTU). Zo is de LTU van Sint Maarten niet van toepassing op Nederlanders geboren in Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Met betrekking tot het toepassingsbereik op Nederlandse staatsburgers is de LTU Sint Maarten derhalve van toepassing op Nederlanders uit Europees Nederland en Arubanen die na 1 januari 1986 in Aruba zijn geboren.
Landsverordening toelating en uitzetting, AB 1993, no GT 33.
Landsverordening toelating en uitzetting Sint Maarten.
Deze landsverordeningen van de overzeese landen zijn terug te voeren op de NederlandsAntilliaanse LTU uit 1962 (Landsverordening van de 24e april 1962 houdende regeling van de toelating tot en de uitzetting uit de Nederlandse Antillen). Uit de memorie van toelichting van deze regeling blijkt dat de redenen achter deze restricties waren om met name de (kwetsbare) economische positie van deze eilanden te beschermen en een mogelijke ontwrichting van de relatief kleine samenlevingen van de eilanden te voorkomen. De Nederlands-Antilliaanse wetgever achtte het onwenselijk als een grote groep niet-Antilliaanse Nederlanders zich op de eilanden zou vestigen, met als gevolg de ontwrichting van de kleinschalige economieën. De Hoge Raad heeft in HR 20 november 2000, NJ 2001, 376 geoordeeld dat de bescherming van de economische belangen van de eilanden een legitiem doel is en de ongelijke behandeling tussen Nederlandse staatsburgers rechtvaardigt.
Wel zijn in het verleden plannen geweest in de Tweede Kamer om dit te bewerkstelligen. Als voorbeeld kan het initiatiefvoorstel van VVD-Kamerlid Bosman worden genoemd, ingediend in 2011 (Kamerstukken II 2011-2012, 33 325, nr. 1). Dit initiatiefvoorstel voorzag in eisen voor Nederlanders uit Aruba, Curaçao en Sint Maarten indien zij zich voor een periode langer dan zes maanden willen vestigen in Nederland. Dit voorstel is in oktober 2016 verworpen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zie daarover meer G. Karapetian, ‘Burgers, tweederangsburgers en niet-burgers. Enkele observaties over ontwikkelingen rondom het begrip burgerschap’, JBplus, 2017(2); Karapetian 2016. Anders dan Besselink in zijn ‘De Binnengrenzen van het Koninkrijk, of: Het voorontwerp ‘Verbanning en inburgering”, Tijdschrift voor Antilliaans Recht, 2006, nr. 3, waag ik in dit proefschrift de stelling te verdedigen dat het opstellen van regelingen inzake de toelating en uitzetting van Nederlanders niet in strijd is met het Nederlanderschap. De wijze van vormgeving van dit burgerschapsbegrip binnen het Koninkrijk verschaft de landen deze bevoegdheid. Besselinks stellingname is mijns inziens naar constitutioneel Koninkrijksrecht onhoudbaar.
Karapetian 2017, paragraaf 3.
Zie Hoofdstuk VI van dit proefschrift.
De Rijksconferentie van 1948 was ingesteld bij KB van 23 december 1947. De opdracht van deze conferentie luidde als volgt: “de beginselen te formuleren voor de wenselijk geachte hervormingen in de tussen Suriname, Curaçao en Nederland bestaande betrekkingen als deel van de staatkundige herbouw van het gehele koninkrijk […]. Deze beginselen uit te werken in een of meer ontwerpen tot nadere regeling van de verhouding tussen deze staatsdelen en tot verwezenlijking van de nieuwe rechtsorde.” Van Helsdingen 1957, p. 22.
Van Helsdingen 1957, p. 46.
Van Helsdingen 1957, p. 47.
Van Helsdingen 1947, p. 47 e.v.: “Het lijkt echter nuttig vast te leggen met hoeveel zorg en moeite getracht is tegemoet te komen aan geuite verlangens, ten bewijze, dat niet onwil maar reëel inzicht in de doelmatigheid van het in het leven te roepen organisme er toe geleid heeft de in deze resolutie neergelegde constructie prijs te geven.”
Van Helsdingen 1947, p. 47.
Van Helsdingen 1957, p. 50.
Van Helsdingen 1957, p. 50.
Art. 46 Statuut luidt: “1. De vertegenwoordigende lichamen worden gekozen door de ingezetenen van het betrokken land, tevens Nederlanders, die de door de landen te bepalen leeftijd, welke niet hoger mag zijn dan 25 jaren, hebben bereikt. Iedere kiezer brengt slechts één stem uit. De verkiezingen zijn vrij en geheim. Indien de noodzaak daartoe blijkt, kunnen de landen beperkingen stellen. Iedere Nederlander is verkiesbaar met dien verstande, dat de landen de eis van ingezetenschap en een leeftijdsgrens kunnen stellen. 2. De landen kunnen aan Nederlanders die geen ingezetenen van het betrokken land zijn, het recht toekennen vertegenwoordigende lichamen te kiezen, alsmede aan ingezetenen van het betrokken land die geen Nederlander zijn, het recht vertegenwoordigende lichamen te kiezen en het recht daarin gekozen te worden, een en ander mits daarbij tenminste de vereisten voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn, in acht worden genomen.”
Niet alleen deze vertegenwoordigende lichamen, maar ook de decentrale vertegenwoordigende lichamen, zoals de Provinciale Staten en de gemeenteraden. Officiële toelichting bij art. 46.
Van Helsdingen 1957, p. 499.
Met betrekking tot het kiesrecht van de overzeese Nederlanders voor de vertegenwoordigende lichamen van de landen wordt na de Tweede Wereldoorlog opgemerkt: “Tot dat besluit heeft vooreerst bijgedragen de mening, dat er in deze Staatsdelen in het algemeen voldoende belangstelling voor de publieke zaak en een voldoende daarmee verband houdende mate van kennis en ontwikkeling aanwezig is om in beginsel aan iedere burger de bevoegdheid toe te kennen het kiesrecht voor de Volksvertegenwoordiging uit te oefenen. […]. Voorts heeft hierbij de overweging een rol gespeeld, dat het van zeer groot belang moet worden geacht dat juist in het stadium, waarin de staatkundige ontwikkelingen van Suriname en de Nederlandse Antillen thans verkeert, een phase, die voor de toekomst beslissend kan zijn, de te kiezen Volksvertegenwoordiging een zo volledig mogelijke afspiegeling dient te zijn van de onder de bevolking in al haar lagen en schakeringen levende wensen en denkbeelden. Ten slotte is de Regering van inzicht, en zij sluit zich op dit punt gaarne aan bij hetgeen vele leden dienaangaande opmerkten, dat in een samenleving, die voldoende rijp wordt geacht voor het toekennen van een mate van zelfstandigheid, zoals in deze wetsontwerpen is vastgesteld, elke burger op democratische wijze in de gelegenheid moet worden gesteld aan het staatkundig leven deel te nemen.” Handelingen II 1947-1948, 650, no 25, p. 77.
Bovend’Eert e.a. 2018, p. 339.
De leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal werden vanaf 1848 niet meer benoemd door de Kroon, maar door de leden van de Provinciale Staten, zoals blijkt uit art. 78 Grondwet-1848.
Wet van 4 juli 1850, Stb. 1850, 37
D.J. Elzinga, H.R.B.M. Kummeling, J. Schipper-Spanninga, Het Nederlandse kiesrecht (derde herziene druk), 2012, p. 5.
Deze Kieswet-Van Houten (Wet van 7 september 1896, Stb. 1896, 154) vervangt de Kieswet uit 1850. De Kieswet-Van Houten hanteerde een verfijnd stelsel met betrekking tot de geschiktheids- en welstandscriteria. Zo werden als kiesgerechtigd onder meer aangemerkt de Nederlanders die een aanslag in een van de directe belastingen betaalden; een bepaalde huur betaalden dan wel een vaartuig van een bepaalde inhoud bewoonden (de zogenoemde woningen vaartuigkiezers); een bepaalde dienstbetrekking hadden met als gevolg dat een zeker inkomen werd verworven (de zogenoemde dienstbetrekkingkiezers) en tot slot zij die f 100 in de grootboeken van de nationale schuld of f 50 op de rijkspostspaarbank inlegden (de zogenoemde grootboek- en spaarbankkiezers). Hiernaast was er een examen dat diende te worden afgelegd om te worden aangemerkt als kiesgerechtigde voor de leden van de Tweede Kamer.
Art. 80 Grondwet-1887 luidde: “De leden van de Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig mag zijn, hebben bereikt.” Voor de Eerste Kamer, zie art. 82 Grondwet 1887.
In 1917 werd het algemeen mannenkiesrecht verankerd in de Grondwet en werd het kiesstelsel gewijzigd van een districtenstelsel naar het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Het vrouwenkiesrecht werd in 1923 in de Grondwet verankerd, echter vanaf 1919 werd vrouwen bij Wet van 9 augustus 1919, Stb. 1919, 536, het actief kiesrecht verschaft voor de Tweede Kamer. Het passieve vrouwenkiesrecht is in 1917 ingevoerd.
Kamerstukken II 1984-1985, 18 694, nrs. 3, p. 10. De Kiesraad is het op dit punt eens met de regering, en gaat zelfs iets verder door voor te stellen dat het wellicht mogelijk is om bij de verkiezing voor de Tweede Kamer een onderscheid te maken tussen verschillende typen Nederlanders op de (destijds) Nederlandse Antillen: “De Kiesraad is het ermee eens, dat het onjuist zou zijn het kiesrecht voor de verkiezingen van de Tweede Kamer toe te kennen aan de op de Nederlandse Antillen woonachtige Antilliaanse Nederlanders. De Raad vindt het evenwel onbevredigend, dat in het voorstel eveneens worden uitgesloten de uit Nederland afkomstige Nederlanders die tijdelijk op de Nederlandse Antillen woonachtig zijn. Hij vraagt zich af of op grond van de Nederlands-Antilliaanse wetgeving de rechtspositie van uit Nederland afkomstige Nederlanders woonachtig op de Nederlandse Aantillen wel in alle opzichten gelijk is aan die van de aldaar woonachtige Antilliaanse Nederlanders. Zo dit niet het geval is, zou daarin wellicht een voldoende objectief aanknopingspunt kunnen worden gevonden om bij de verlening van kiesrecht voor de Tweede Kamer onderscheid te maken tussen de aldaar woonachtige autochtone Antillianen en de overige Nederlanders.” Zoals hieruit blijkt, staat de Kiesraad niet stil bij het ongedeelde karakter van het burgerschap binnen het Koninkrijk, zijnde het Nederlanderschap, wanneer wordt gesproken van ‘autochtone Antillianen’ enerzijds en de ‘overige Nederlanders’ anderzijds. Kamerstukken II 1984- 1985, 18 694, nrs. 1-3, p. 16 (Bijlage 1).
De regering vervolgt haar redenering in dit kader in de memorie van antwoord: “In antwoord hierop merken wij op dat een belangrijk element hierbij is, dat de inwoners van de Nederlandse Antillen reeds kiesrecht hebben voor een parlementair vertegenwoordigend orgaan binnen het Koninkrijk. Zoals eerder al is gezegd, ligt het voor de hand binnen het Koninkrijk de wettelijke regelingen van de verschillende landen, waar mogelijk, op elkaar af te stemmen. Dat ligt anders waar het de verhoudingen tussen geheel soevereine staten betreft. Het zou ook te ver voeren alle inwoners van de Nederlandse Antillen die de Nederlandse nationaliteit bezitten, het kiesrecht toe te kennen voor de Tweede Kamer, evenals het te ver zou voeren alle in Nederland woonachtige Nederlanders kiesrecht te verlenen voor de Antilliaanse Staten. Dit zou toch niet goed te rijmen zijn met de staatkundige structuur van het Koninkrijk. Deze staatkundige structuur, waarin binnen het Koninkrijksverband aan elk der landen een eigen positie wordt toegekend, brengt ook mee dat het niet voor de hand ligt het kiesrecht voor het Europese Parlement toe te kennen aan de inwoners van de Nederlandse Antillen, waar Nederland en niet de Nederlandse Antillen tot de Europese Gemeenschap behoort.” Kamerstukken II 1984-1985, 18 694, nr. 5, p. 6. Ook aan deze passage schort een en ander. De staatkundige structuur van het Koninkrijk voorziet inderdaad niet in een parlement voor het gehele Koninkrijk. Niettemin functioneren de Nederlandse Staten-Generaal de facto als het vertegenwoordigende orgaan van het Koninkrijk, vanwege de hiervoor uiteengezete bevoegdheden die de Staten-Generaal op het niveau van het Koninkrijk bezitten. Het laatste deel van de passage, gedaan nog vóór de Eman & Sevinger-uitspraak van het Hof van Justitie is inmiddels, zoals de lezer zal zijn opgevallen, sterk achterhaald. De wijziging van de Kieswet in verband met het verlenen van het kiesrecht voor de verkiezing van de leden van het Europees Parlement aan Nederlanders in de overzeese landen, zal ter sprake komen in paragraaf 7.5 (‘Het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk’) van dit hoofdstuk.
Zie in dit kader het (negatieve) advies van de Raad van State van het Koninkrijk over de bevoegdheid aan Statenleden van Aruba, Curaçao en Sint Maarten om een voordracht tot een voorstel van Rijkswet te kunnen doen: Kamerstukken II 2016-2017, 27 570 (R 1672), nr. 20 (Advies W01.16.0217/I/Vo/K. De Raad van State staat in dit advies positief ten aanzien van de toekenning van de bevoegdheid aan de overzeese Staten om een voordracht tot een voorstel van Rijkswet te kunnen doen. Volgens de Raad van State zou een dergelijk alternatief beter passen in het systeem van het Statuut ‘waarin voor de organen van het Koninkrijk gebruik wordt gemaakt van de bestaande organen en procedures van het land Nederland’. Dit zou bovendien goed aansluiten bij de mogelijkheid dat naast de landsregeringen door tussenkomst van de Gevolmachtigde Ministers ook de parlementen van de overzeese landen het initiatiefrecht toekomt.
Een uitzondering daargelaten, namelijk in geval van consensusrijkswetten. Consensusrijkswetten komen tot stand op basis van art. 38 Statuut. Daarbij is noodzakelijk dat alle betrokken vertegenwoordigende organen instemmen met een voorstel.
ABRvS 21 november 2006, AB 2007, 121 m.nt. P.J. Stolk; ABRvS 25 januari 2017, JB 2017, 43 m.nt. J.L.W. Broeksteeg.
ABRvS 21 november 2006, AB 2007, 121, r.o. 2.3. Zie een kritische analyse van deze uitspraak: L.F.M. Besselink, ‘Nederlands post-koloniaal kiesrecht: Het Europees Parlement en de Tweede Kamer’, Nederlands Tijdschrift voor Europees Recht, afl. 4, 2007.
De Afdeling merkt in r.o. 2.3.2 op: “Het Statuut voorziet derhalve in democratisch gelegitimeerde inbreng van de ingezetenen van Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba op de rijkswetgeving door de vertegenwoordigende lichaamen van de verschillende landen, zij het dat de inbreng van de landen niet op dezelfde wijze is vormgegeven [cursivering van mij, GK].” Het is deze verschillende wijze van vormgeving die ervoor zorgt dat de overzeese Nederlandse burgers politiek niet vertegenwoordigd worden op het niveau van het Koninkrijk. Jammerlijk genoeg gaat de Afdeling daar niet op in. Onterecht gaat de Afdeling er dan ook van uit dat de inbreng van de Nederlandse staatsburgers van de overzeese landen democratisch gelegitimeerd is.
ABRvS 21 november 2006, AB 2007, 121, r.o. 2.4.1. De Afdeling vervolgt: “Ten aanzien van de ingezetenen van Aruba staat vast dat zij het kiesrecht hebben voor de Staten van hun land. De Nederlanders die niet of niet langer ingezetene zijn van Aruba, ontberen, dan wel verliezen kiesgerechtigdheid voor de Staten van Aruba.”
ABRvS 25 januari 2017, JB 2017, 43, r.o. 2.
ABRvS 25 januari 2017, JB 2017, 43, r.o. 3.1. Dit doet denken aan de discussie die is gevoerd in 1848 om de uitvoerdende macht in Nederland – de Koning – niet op te laten treden als wetgevende macht in de koloniën en bezittingen. Zie daarvoor paragraaf 7.2.1 (‘De koloniën en bezittingen vanaf 1814: enkele hoofdmomenten’).
ABRvS 25 januari 2017, JB 2017, 43, r.o. 4 e.v.
ABRvS 25 januari 2017, JB 2017, 43, r.o. 3.4.
ABRvS 25 januari 2017, JB 2017, 43, r.o. 3.4.
In het hypothetische geval dat de Gevolmachtigde Minister de overzeese Staten zou vertegenwoordigen, dan zou dat alsnog niet volstaan, en wel omdat de politieke representatie van overzeese Nederlanders in de statutaire rechtsorde getrapt zou zijn, terwijl de politieke representatie van alle andere Nederlandse staatsburgers zowel een rechtstreekse component (Tweede Kamer) als een getrapte component (Eerste Kamer) zou hebben.
De grondslag van de Paspoortwet – een Rijkswet over het vertrekken van reisdocumenten – is volgens de preambule van deze rijkswet te vinden in art. 2 lid 4 Grondwet en art. 3 lid 1 onder b Statuut. Het is opmerkelijk dat de Paspoortwet niet is gebaseerd op art. 3 lid 1 onder c (het Nederlanderschap) Statuut, maar onder sub b (buitenlandse betrekkingen) Statuut.
Paragraaf 2.5.2 (‘Politieke representatie, kiesrecht en vrij mandaat’).
Voordat wordt ingegaan op de huidige regeling ten aanzien van het Nederlanderschap, de Rijkswet op het Nederlanderschap uit 1985, wordt hieronder aandacht besteed aan de keuze in 1954 bij de inwerkingtreding van het Statuut om het Nederlanderschap te kwalificeren als een Koninkrijksaangelegenheid. In paragraaf 7.3.1 (‘Staatkundige verhoudingen in de nieuwe statutaire rechtsorde: kort begrip’) van dit hoofdstuk is stilgestaan bij de verschillende Koninkrijksaangelegenheden en de gevolgen van de kwalificatie van een bepaald domein als een Koninkrijksaangelegenheid. De aangelegenheden van het Koninkrijk worden, zo volgt uit paragraaf 7.3.1 van dit hoofdstuk, uitgeoefend in samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk. Zo ook met betrekking tot het Nederlanderschap, zou men denken. Uit dit onderzoek blijkt dat het Nederlanderschap slechts ogenschijnlijk uniform is geregeld.
In 1954 is ervoor gekozen om binnen het Koninkrijk der Nederlanden te voorzien in een uniform burgerschap: het Nederlanderschap. Vanwege de eenheid van het Koninkrijk en vanwege de betere verzorging van de belangen van de verschillende landen van het Koninkrijk is het Nederlanderschap in 1954 aangemerkt als een Koninkrijksaangelegenheid.1 In de Officiële Toelichting op art. 3 lid 1 sub c Statuut wordt het volgende opgemerkt:
“Uitdrukkelijk wordt hier van Nederlanderschap en niet van nationaliteit gesproken, ten einde te doen uitkomen dat voor de drie Rijksdelen de gezamenlijke en enige nationaliteit is het Nederlanderschap. […] Een eventuele regeling van een burgerschap is aan de landen overgelaten.”2
Dit citaat uit de Officiële Toelichting is op zijn minst genomen ambigu te noemen. Er wordt expressis verbis aangegeven dat hier van Nederlanderschap wordt gesproken en niet van nationaliteit, om vervolgens te benadrukken dat het Nederlanderschap de enige nationaliteit is binnen het Koninkrijk voor de drie Rijksdelen, destijds bestaande uit Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Hoewel de Toelichting erkent dat het Nederlanderschap de enige ‘nationaliteit’ is binnen het Koninkrijk, wordt gesteld dat het aan de landen is om eventueel een eigen burgerschap in het leven te roepen. Een nadere toelichting op de verschillen volgens de Koninkrijksregering tussen het Nederlanderschap als een gezamenlijke nationaliteit’ en een eventueel burgerschap van de Rijksdelen ontbreekt. Bij het schrijven van deze Toelichting was de geldende regeling ten aanzien van het Nederlanderschap de Wet van 1892 op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap. Deze regeling was destijds de geldende regeling in het Koninkrijk inzake het staatsburgerschap van het Koninkrijk. Tot 1954 heeft het Nederlanderschap immers op grond van de Wet van 1892 de rechtsverhouding gereguleerd tussen de burger, zijnde de Nederlander, en zijn rechtsorde, zijnde het Koninkrijk der Nederlanden zoals opgericht in 1814 bij de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden. Dat in 1954 een nieuwe rechtsorde in het leven is geroepen in dit Koninkrijk – de rechtsorde van het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit drie Rijksdelen – deed daar niet aan af. De regeling uit 1892 bleef immers na de totstandkoming van dit Statuut gelden in het nieuwe Koninkrijk. Niettemin maakt het Statuut volgens de Officiële Toelichting het mogelijk dat de verschillende Rijksdelen een eigen burgerschap in het leven roepen. Dit lokale burgerschap zal logischerwijs de rechtsverhouding reguleren tussen de burgers van het desbetreffende rijksdeel enerzijds en de rechtsorde van het rijksdeel, thans zijnde Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, anderzijds.3De iure bestaat een dergelijk construct niet: Aruba kent de iure geen Arubaans burgerschap; Curaçao kent de iure geen Curaçaos burgerschap; Sint Maarten kent de iure geen Sint Maartens burgerschap – Nederland evenmin. Alle landen van het Koninkrijk kennen het Nederlanderschap als staatsburgerschap. Dat er de facto echter wel degelijk een Arubaans, Curaçaos, Sint Maartens en Nederlands burgerschap bestaat, zal blijken bij de behandeling van het vraagstuk van de mogelijke wederkerigheid van het Nederlanderschap. Hierover volgt nader in het navolgende.
Het Nederlanderschap wordt toegekend door het Koninkrijk der Nederlanden. De thans geldende regeling is de Rijkswet op het Nederlanderschap uit 1985. Deze rijkswet vervangt de Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap uit 1892. Overzeese ingezetenen waren, vanwege hun status als Nederlander op grond van het Burgerlijk Wetboek van 1838, volledige Nederlander op grond van de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap uit 1892.4 Deze omstandigheid bracht met zich dat de overzeese ingezetenen hun status als Nederlander behielden bij de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap. De hoofdregel ter verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege is vervat in art. 3 lid 1 Rijkswet op het Nederlanderschap, luidend: “Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.”5 De omstandigheid dat de ingezetenen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten sinds 1892 het volledige Nederlanderschap hebben en de Rijkswet op het Nederlanderschap uit 1985 daaraan niets verandert, brengt met zich dat Arubanen, Curaçaoënaars en Sint Maartenaren Nederlanders zijn volgens de huidige stand van zaken. Hoe valt de rechtsverhouding tussen de Nederlander (overzee) en de rechtsorde van het Koninkrijk te kwalificeren? Is deze rechtsverhouding ook wederkerig ingericht? Zo ja, welke rechten en plichten brengt de rechtsverhouding tussen de Nederlander (overzee) en de rechtsorde van het Koninkrijk met zich?
Bij bestudering van het Statuut blijkt dat dit document in beginsel met geen woord rept over rechten noch plichten van de staatsburgers van dit Koninkrijk, Nederlanders. In ieder geval één Rijksnorm in de Grondwet kan worden bestempeld als een Koninkrijksgrondrecht. Deze is te vinden in art. 2 Grondwet, dat bij rijkswet is vastgesteld.6 Op grond van deze bepaling heeft iedere Nederlander het recht om niet uit Nederland te worden uitgezet en is er een verbod in het Koninkrijk om een Nederlander lichtvaardig uit te leveren aan een vreemde staat.7 Deze rechten hebben in beginsel betrekking op de verhouding die iedere Nederlander, dus ook die uit de overzeese landen, heeft tot het land Nederland. Alleen de uitlevering van een Nederlander geschiedt binnen het gehele Koninkrijk krachtens verdrag, waarbij verdere voorschriften inzake de uitlevering bij wet worden geregeld.8 Daarnaast hebben alle Nederlanders het recht om te worden vertegenwoordigd in een vertegenwoordigend lichaam binnen het Koninkrijk, zo blijkt uit art. 46 Statuut. Op dit recht wordt verderop in dit hoofdstuk uitvoerig ingegaan.9
Met betrekking tot mogelijke plichten jegens het Koninkrijk kan worden geconstateerd dat Nederlandse staatsburgers weinig plichten hebben jegens het Koninkrijk. De enige plicht is dat de burgers zich dienen te houden aan verbindende voorschriften die van rijkswege worden uitgegeven. Ten aanzien van de klassieke militaire dienstplicht regelt art. 31 lid 1 Statuut dat personen die woonachtig zijn in Aruba, Curaçao en Sint Maarten niet dan bij landsverordening tot dienst in de krijgsmacht dan wel tot burgerdienstplicht kunnen worden verplicht.10 Dit heeft tot gevolg dat, hoewel de verdediging van het Koninkrijk een Koninkrijksaangelegenheid is, de dienstplicht een aangelegenheid van de landen van het Koninkrijk is.11 Louter bij Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense landsverordening kan de militaire dienstplicht van de personen die aldaar woonachtig zijn worden opgelegd.12 Dit geldt evenzo voor Nederland – alwaar de militaire dienstplicht wordt geregeld bij de Dienstplichtwet.
De rechtsverhouding die het Nederlanderschap met zich brengt tussen de staatsburger en het Koninkrijk kan derhalve niet worden aangemerkt als een wederkerige rechtsverhouding. Zoals naar voren is gekomen uit het vorige hoofdstuk ten aanzien van de werking van het Franse burgerschap, kunnen de rechten en plichten van de Franse burger (overzee) jegens de Republiek worden gevonden in het Charte des droits et devoirs du citoyen français. In dit document wordt onder andere de gelijke behandeling van burgers en het kiesrecht voor nationale vertegenwoordigende organen bestempeld als rechten die de Franse burgers (overzee) bezitten en de militaire dienstplicht als een plicht van de Franse burgers (overzee). Een dergelijk document ontbreekt in de rechtsorde van het Koninkrijk. Dit gemis heeft in combinatie met de afwezigheid van rechten en plichten van staatsburgers in het Statuut tot gevolg dat de Nederlandse staatsburger (overzee) geen wederkerige rechtsverhouding heeft tot het Koninkrijk. Het aspect van beloning – dat inherent is aan het Unieburgerschap en het Franse burgerschap zoals ter sprake gekomen in de Hoofdstukken V en VI – ontbreekt geheel in de statutaire rechtsorde. In de rechtsorde zoals die in het leven is geroepen door het Statuut beloont het Nederlanderschap de staatsburgers niet met rechten voor de plichten. Het staatsburgerschap van het Koninkrijk sluit daarmee naadloos aan bij de staatsrechtelijke en staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk, waarbij het Statuut de Koninkrijkslanden de nodige autonomie garandeert.
De vraag doet zich op grond van het voorgaande voor tussen welke actoren het Nederlanderschap dan wel een rechtsverhouding in het leven roept. Het Nederlanderschap brengt zoals hiervoor blijkt geen rechtsverhouding met zich tussen de Nederlander en het Koninkrijk, maar zoals in het navolgende zal blijken tussen de Nederlander en de rechtsorde van zijn land binnen het Koninkrijk. Hoewel het Nederlanderschap is toegekend door het Koninkrijk, zijn de rechten en plichten die hieraan worden gekoppeld namelijk een aangelegenheid van de landen.13 De stelling dat het Nederlanderschap een rechtsverhouding met zich brengt tussen de Nederlander en zijn Koninkrijksland, zal worden verdedigd aan de hand van de werking van twee rechten die bij zowel het Franse burgerschap als het Europees Unieburgerschap ter sprake zijn gekomen: ten eerste het reis- en vestigingsrecht binnen het Koninkrijk en ten tweede het kiesrecht voor het vertegenwoordigend lichaam van het Koninkrijk en de vertegenwoordigende lichamen van de landen.
Het reis- en vestigingsrecht in het Koninkrijk
Over het reis- en vestigingsrecht binnen het Koninkrijk kan het volgende worden opgemerkt. De Koninkrijksaangelegenheden zijn weergegeven in paragraaf 7.3.1 (‘Staatkundige verhoudingen in de nieuwe statutaire rechtsorde: kort begrip’) van dit hoofdstuk. Zoals uit art. 3 lid 1 sub f Statuut blijkt is enkel het toezicht op de algemene regels betreffende de toelating en uitzetting van Nederlanders binnen het Koninkrijk een Koninkrijksaangelegenheid. De Officiële Toelichting op deze bepaling stelt:
“In het toelatingsbeleid ook t.a.v. Nederlanders behoort aan het land een grote mate van vrijheid te worden gelaten. Slechts de mogelijkheid van toezicht op het stellen van algemene regelen moet aan het Koninkrijk verblijven. De landen behoren niet te discrimineren tussen Nederlanders, die niet uit het betrokken land afkomstig zijn.”14
Hieruit kan worden afgeleid dat het Statuut geen vrij reis- en vestigingsrecht erkent op het grondgebied van het Koninkrijk. Ieder land heeft de bevoegdheid daarbij regels uit te vaardigen. Wel dienen de landen hierbij Nederlanders van de andere landen in hun toelatingsbeleid gelijk te behandelen.15 Het voorgaande heeft geresulteerd in de omstandigheid dat de overzeese landen Aruba,16 Curaçao17 en Sint Maarten18 gebruik hebben gemaakt van deze bevoegdheid en het toelatingsbeleid van Nederlanders hebben onderworpen aan regelgeving.19 Ook het land Nederland heeft hiervan gebruik gemaakt voor de regulering van de toelating van Nederlanders tot de zogenoemde BES-eilanden.20 Voor het Europese deel van het land Nederland bestaat een dergelijke regeling vooralsnog niet.21 Vast staat in ieder geval dat de regeling van het reis- en vestigingsrecht van Nederlanders valt onder de bevoegdheid van de landen van het Koninkrijk. Een dergelijke regeling in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland is derhalve conform het Koninkrijksrecht. Het Nederlanderschap verandert in dit kader niets aan dit construct, omdat deze bevoegdheid toekomt aan de landen. Zij dienen bij de uitvaardiging van deze regeling niettemin alle Nederlandse staatsburgers gelijk te behandelen. In hoeverre dergelijke voorstellen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland conform het Europees Unierecht zijn, in het bijzonder het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht dat toekomt aan Unie burgers, wordt behandeld in paragraaf 7.5 van dit hoofdstuk. Het geschetste construct brengt het gevolg met zich dat de Nederlandse staatsburgers van alleen het desbetreffende Koninkrijksland betrokken zijn bij het uitvaardigen van regelingen aangaande het reis- en vestigingsrecht van Nederlanders tot het betrokken land. Het ongedeelde karakter van, bijvoorbeeld, het Franse burgerschap illustreert dat alle Franse burgers ongeacht de werkelijke woonplaats door middel van hun politieke representant betrokken zijn bij de vraag of het reis- en vestigingsrecht tot een bepaald gebied van de Republiek dient te worden beperkt.
Het kiesrecht voor vertegenwoordigende organen in het Koninkrijk
De rechtsorde die in het leven is geroepen door het Statuut voorziet de iure niet in een Koninkrijksparlement.22 Er is derhalve in de termen van Bodin, zoals behandeld in Hoofdstuk II geen burgerschapsinstituut binnen het Koninkrijk waarin alle Nederlanders zijn vertegenwoordigd. Dit is anders in de in Hoofdstuk V behandelde EU en in de in Hoofdstuk VI behandelde Franse Republiek. Zoals blijkt uit Hoofdstuk V vertegenwoordigt het Europese Parlement alle Unieburgers.23 Het Franse Parlement vertegenwoordigt volgens een vergelijkbare logica alle Franse staatsburgers.24 De in paragraaf 7.3 (‘Naar een nieuwe statutaire rechtsorde’) genoemde Rijksgrondwet voorzag in een Koninkrijksparlement. Resolutie X van de Rijksconferentie van 1948 heeft betrekking op het parlement van het Koninkrijk.25 In dit verband is het relevant enkele passages uit deze Resolutie op te nemen. De Resolutie vangt als volgt aan:
“De Conferentie Nederland-Suriname-Curaçao, overwegende de wenselijkheid van de instelling van een gemeenschappelijk vertegenwoordigend lichaam van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden als medewetgevend en controlerend rijksorgaan, is van oordeel:
1. Dat bij de rijksgrondwet behoort te worden ingesteld een rijksparlement, vertegenwoordigende de volkeren van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden;
2. dat het Rijksparlement zal bestaan uit een senaat en een kamer van afgevaardigden;
3. dat de Kamer van Afgevaardigden zal worden gevormd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Staten van Suriname en de Staten van de Nederlandse Antillen, welke optreden als afdelingen van de Kamer van Afgevaardigden, […];
4. dat de Senaat zal worden gevormd door de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, aangevuld met vijf leden uit Suriname en vijf leden uit de Nederlandse Antillen, buiten hun midden, met inachtneming van het beginsel van evenredigheid, aan te wijzen door de Staten dezer landen;
[…];
7. dat de rijkswetgevende macht gezamenlijk door de Koning en het Rijksparlement zal worden uitgeoefend;
8. dat een voorstel van rijkswet door de Koning gelijktijdig zal worden ingediend bij de drie afdelingen van de Kamer van Afgevaardigden;
11. dat bij de openbare behandeling het voorstel zal worden toegelicht en verdedigd door de Rijksregering en bij gescheiden behandeling door of namens de Rijksregering; […].”26
Deze resolutie komt tegemoet aan verschillende idealen, zoals dat er een vertegenwoordigend orgaan is dat de ‘volkeren’ van de verschillende delen van het constitutionele verband – het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden – vertegenwoordigt. De resolutie maakt het mogelijk dat iedere burger door middel van zijn representant deelneemt aan de totstandkoming van verbindende voorschriften die van toepassing zijn op de burgers. Niettemin is deze resolutie volgens Van Helsdingen de ‘meest ingewikkelde en de meest omstreden resolutie’ geweest.27 Er zijn namelijk verschillende langdurige debatten gehouden over de verschillende elementen van deze resolutie.28 Daarnaast heeft deze resolutie ervoor gezorgd dat een nieuwe opzet van de rechtsorde van het Koninkrijk nodig werd geacht.29 Gedurende de vergaderingen is gedebatteerd over de wijze van invulling van het vertegenwoordigend orgaan: diende dit unitarisch of federatief te worden vormgegeven? De bezwaren van een unitarisch systeem hadden onder meer betrekking op de moeilijkheid van de getalsverhouding van de vertegenwoordigers van Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederland.30 Een ander bezwaar was de constatering dat de overzeese delen moeilijk een groot aantal bekwame personen kunnen missen die zich ‘louter’ inzetten voor de rechtsorde van het Koninkrijk. Tegen een federatief parlement van het Koninkrijk bestond het bezwaar van een zogenoemd ‘deadlock’: indien één van de parlementen tegenstander is, dan vindt geen doorgang plaats van een bepaald voorstel.31 Deze resolutie werd echter, zoals hiervoor is opgemerkt, niet verwezenlijkt in het Statuut. Wel kent het Statuut een bepaling die in hoofdlijnen vereisten stelt aan de regeling van het kiesrecht in de landen van het Koninkrijk. Deze bepaling is te vinden in art. 46 Statuut.32 Deze bepaling heeft betrekking op de vertegenwoordigende lichamen van de landen, dat wil zeggen de Staten-Generaal, de Staten van Aruba, de Staten van Curaçao en tot slot de Staten van Sint Maarten.33 Een fundamenteel principe dat deze bepaling omarmt is dat het kiesrecht voor algemeen vertegenwoordigende lichamen wordt gekoppeld aan het Nederlanderschap.34 Dat wil zeggen dat iedere Nederlander in een vertegenwoordigend lichaam dient te zijn gerepresenteerd.35 Indien een Nederlander uit Nederland naar Aruba verhuist, dan bezit hij aldaar het kiesrecht voor de Staten. Andersom evenzo. Indien een Nederlander uit Aruba verhuist naar Nederland, dan bezit hij het kiesrecht voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De vuistregel van lid 1 van art. 46 Statuut is derhalve dat de algemeen vertegenwoordigende organen van de landen worden gekozen door Nederlanders die tevens ingezetenen zijn van het betrokken land.36 Lid 2 van deze bepaling is ingevoerd bij Rijkswet van 11 januari 1985, Stb. 1985, 148. Dit lid 2 maakt het mogelijk dat landen ook niet-ingezeten Nederlanders en ingezeten niet-Nederlanders het actief dan wel passief kiesrecht verschaffen voor algemeen vertegenwoordigende organen van het betrokken land. Als gezegd is dit lid 2 de grondslag voor het kiesrecht van niet-ingezeten Nederlanders in vreemde staten om het kiesrecht uit te oefenen voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Art. 46 Statuut illustreert dat in de statutaire rechtsorde wordt aanvaard dat iedere Nederlander vertegenwoordigd dient te zijn in de vertegenwoordigende lichamen van het betrokken land. Hiermee wordt het kiesrecht voor de vertegenwoordigende organen van een land van het Koninkrijk gekoppeld aan het Nederlanderschap. Opvallend is dat deze bepaling geen betrekking heeft op het vertegenwoordigende lichaam van het Koninkrijk als geheel. Het Koninkrijk heeft namelijk de iure geen eigen parlement. Zoals blijkt uit paragraaf 7.3.1 (‘Staatkundige verhoudingen in de nieuwe statutaire rechtsorde: kort begrip’) van dit hoofdstuk functioneren de Staten-Generaal van Nederland evenwel de facto als het vertegenwoordigende orgaan van het Koninkrijk. In het navolgende zal een blik worden geworpen op de vraag wie vertegenwoordigd zijn in de Staten-Generaal. Daartoe zal worden stilgestaan bij het kiesrecht voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Kiesrecht overzee en de Tweede Kamer der Staten-Generaal: de uitzondering van art. B1 Kieswet
Zoals hiervoor opgemerkt werden in 1848 voor het eerst rechtstreekse verkiezingen uitgeschreven voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Art. 76 Grondwet-1848 luidde:
“De leden der Tweede Kamer worden in de kiesdistricten, waarin het Rijk verdeeld wordt, gekozen door de meerderjarige ingezetenen, Nederlanders, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten, en betalende in de directe belastingen eene som, die, overeenkomstig met de plaatselijke gesteldheid, doch niet beneden het bedrag van f 20, noch boven dat van f 160, in de kieswet zal worden vereischt.”37
Het is de Kieswet van 1850 die een eerste nationale regeling omvatte van rechtstreekse verkiezingen.38 Dit kiesrecht was niet algemeen, maar gebonden aan census – naar de wens zoals die blijkt uit Thorbeckes bijdrage inzake het Nederlanderschap, zoals aangehaald in paragraaf 7.4.3 (‘Nederlanderschap en toekenning ervan overzee’). Het heeft geduurd tot de jaren zestig van de negentiende eeuw voordat de wens werd geuit in de Tweede Kamer om het censuskiesrecht te herzien.39 De verschillende debatten die hebben plaatsgevonden in het parlement, onder meer met betrekking tot het censuskiesrecht, leidden op den duur tot de herziening van de Grondwet in 1887 en de daarop volgende Kieswet-Van Houten uit 1896.40 Volgens de Grondwet van 1887 waren de kenmerken van geschiktheid en maatschappelijke welstand de beslissende factoren bij de toekenning van het kiesrecht voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.41 Zoals blijkt uit dit hoofdstuk werd door de Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap het stelsel van het dubbele Nederlanderschap dat was verankerd in het publiekrecht en het privaatrecht geünificeerd. Deze wet maakte het mogelijk voor overzeese Nederlanders dat zij, indien zij zich vestigden in het Rijk in Europa en aan de andere vereisten voldeden, konden worden aangemerkt als kiesgerechtigd voor de verkiezingen van de Tweede Kamer.42 Nadien is voor de overzeese Nederlander uit Aruba, Curaçao en Sint Maarten het principe op grote lijnen hetzelfde gebleven: indien zij zich vestigen in Nederland, en voldoen aan de andere gestelde vereisten, dan kunnen zij worden gekwalificeerd als kiesgerechtigd voor de verkiezingen van de Tweede Kamer.
De huidige regeling van het kiesrecht voor de Tweede Kamer vindt men in art. B1 Kieswet:
De leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling Nederlander zijn en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, met uitzondering van degenen die op de dag van de kandidaatstelling hun werkelijke woonplaats hebben in Aruba, Curaçao of Sint Maarten.
Deze uitzondering geldt niet voor:
de Nederlander die gedurende ten minste tien jaren ingezetene van Nederland is geweest;
de Nederlander die in Nederlandse openbare dienst in Aruba, Curaçao of Sint Maarten werkzaam is, alsmede zijn Nederlandse echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel en kinderen, voor zover dezen met hem een gemeenschappelijke huishouding voeren.”
Volgens deze bepaling is ingezetenschap in Nederland geen verplicht element voor het actief kiesrecht ten aanzien van de Tweede Kamerverkiezingen. Bij de criteria voor deze verkiezingen die hiervoor ter sprake zijn gekomen, was het ingezetenschap dat wel. Tot de Grondwetsherziening van 1983 bepaalde de Grondwet namelijk dat de kiesgerechtigden voor de Tweede Kamerverkiezingen ingezetenen dienden te zijn van Nederland. Daar veranderde in 1983. Hierbij werd in de Grondwet verankerd dat in beginsel alle Nederlanders, overal ter wereld, aanspraak kunnen maken op het kiesrecht voor de Tweede Kamerverkiezingen. In beginsel, vanwege de clausulering in art. 54 Grondwet-1983 ‘behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn’.43 In de jaren tachtig van de vorige eeuw is getracht deze clausulering uit te werken door middel van een wijziging van de Kieswet.44 Aangezien het criterium van het ingezetenschap uit de Grondwet verdween, ontstond daarmee de mogelijkheid om de Nederlandse staatsburgers van de overzeese gebieden deel te laten nemen aan het politieke verkeer in het Koninkrijk. De verlening van het kiesrecht voor de Tweede Kamer werd snel van de hand gewezen door de regering. De redenering van de regering was als volgt:
“Dat de verlening van kiesrecht voor de Tweede Kamer aan de autochtone Antillianen woonachtig in de Nederlandse Antillen ongewenst is, behoeft nauwelijks betoog. Deze Nederlanders hebben, zoals gezegd, in de Antilliaanse Staten een eigen parlementair vertegenwoordigend orgaan binnen het Koninkrijk. Verlening van kiesrecht voor de Tweede Kamer aan deze Antillianen zou in feite even merkwaardig zijn als de verlening van het kiesrecht voor de Antilliaanse Staten aan in Nederland wonende Nederlanders.”45
Deze redenering bevat enkele constitutionele misslagen en maakt het daarmee de moeite waard om hierbij stil te staan. Allereerst merkt de regering op dat de Nederlandse staatsburgers van de (destijds) Nederlandse Antillen politiek worden vertegenwoordigd in de Staten. Er wordt echter onterecht niet stilgestaan bij de mogelijke zeggenschap van dit parlementair landsorgaan in de statutaire rechtsorde. Zoals blijkt uit paragraaf 7.3.2 (‘De rijksregelgevingsprocedures: rijkswet, algemene maatregel van rijksbestuur en ministeriële rijksregelingen’) van dit hoofdstuk, hebben de parlementen van de overzeese landen louter adviserende bevoegdheden in de totstandkoming van rijksregelgeving. Vanuit het burgerschapsdenken zoals blijkt uit Hoofdstuk II, volstaan vergelijkbare adviserende bevoegdheden van vertegenwoordigende organen niet. In het verlengde hiervan wordt ongefundeerd een vergelijking gemaakt tussen het verlenen van het kiesrecht van overzeese Nederlanders bij de Tweede Kamerverkiezingen en het verlenen van het kiesrecht van de in Nederland wonende Nederlanders aan de Staten van de (destijds) Nederlandse Antillen. Deze vergelijking slaat de plank mis om dezelfde reden als hiervoor genoemd: de constitutionele positie van de Staten is onvergelijkbaar met die van de – van de Staten-Generaal deel uitmakende – Tweede Kamer. Zo heeft de Tweede Kamer, anders dan de overzeese Staten, het recht om rijksregelgeving te initiëren, te amenderen en natuurlijk aan te nemen dan wel te verwerpen. De leden van de Staten komt het recht toe om amendementen in te dienen.46 Daarnaast heeft de Gevolmachtigde Minister het initiatiefrecht.47 De Staten hebben in de rechtsorde van het Koninkrijk, met andere woorden, louter vrijblijvende bevoegdheden. De politieke representanten van de Nederlandse staatsburgers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten besluiten op het niveau van het Koninkrijk nimmer namens de kiezers48 – hetgeen regelrecht ingaat tegen het ongedeelde karakter van het burgerschapsdenken zoals uitgezet in Hoofdstuk II.
Dit burgerschapsdenken is evenmin te herkennen in de twee nationale rechtszaken, die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn afgehandeld, tot verlening van het kiesrecht voor de verkiezing van de Tweede Kamer aan overzeese Nederlandse staatsburgers.49 Beide rechtszaken hebben betrekking op het hiervoor geciteerde art. B1 Kieswet. Appellanten, woonachtig in Aruba, ondernemen juridische stappen nadat hun verzoek om te worden geregistreerd als kiesgerechtigde voor de verkiezingen van de Tweede Kamer, wordt afgewezen door het college van Burgemeester en Wethouders van Den Haag. Daartoe voeren zij aan dat de Tweede Kamer functioneert als het parlement van het Koninkrijk ‘zodat de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal tevens betekent van het Koninkrijksparlement’.50 De Afdeling oordeelt dat de door de appellant aangevoerde gronden ongegrond zijn, en wel om de volgende redenen. De Afdeling refereert aan de verschillende bevoegdheden die vertegenwoordigende lichamen van de overzeese landen hebben in het rijkswetgevingsproces. Zoals hiervoor betoogd, voldoet de loutere adviserende rol die de vertegenwoordigende organen van de overzeese landen spelen in het rijkswetgevingsproces niet aan de voorwaarde die inherent is aan een ongedeeld burgerschap dat iedere burger vertegenwoordigd dient te zijn in het wetgevende orgaan. De representanten van de overzeese Nederlandse burgers – de enigen die bevoegd zijn hiertoe – hebben geen zeggenschap in dit rijkswetgevingsproces. Het gevolg van het voorgaande is dan ook dat in de rechtsorde van het Koninkrijk, de overzeese Nederlandse staatsburgers politiek niet worden gerepresenteerd. De leden van de overzeese Staten hebben immers louter adviserende en geen meebeslissende bevoegdheden in de statutaire rechtsorde.51
Mager aan de redenering van de appellanten is dat zij, op hun beurt, voorbijgaan aan de omstandigheid dat de Staten-Generaal de iure het parlement zijn van het land Nederland. Indien alle Nederlandse staatsburgers het kiesrecht zouden krijgen voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, dan zouden hun representanten meebeslissen indien beslissingen worden genomen die naar Koninkrijksrecht worden aangemerkt als landsaangelegenheid. Dit heeft tot gevolg dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de Staten-Generaal als parlement van Nederland enerzijds en de Staten-Generaal als parlement van Nederland dat in de statutaire rechtsorde de facto het vertegenwoordigende lichaam is anderzijds. De overzeese Nederlandse staatsburgers van de overzeese landen hebben geen aanspraak op politieke representatie in de Staten-Generaal als de Staten-Generaal functioneren als het parlement van Nederland, en dus betrokken zijn bij landsregelgeving inzake aangelegenheden van Nederland. Wel maken zij aanspraak om politiek te worden gerepresenteerd in de Staten- Generaal, indien dit Nederlandse orgaan als vertegenwoordigend orgaan van het Koninkrijk optreedt. Uit het geschetste kader in Hoofdstuk II van dit proefschrift blijkt immers het uitgangspunt in het burgerschapsdenken dat de burger gebonden is aan het recht vanwege het feit dat hij auteur is daarvan. Hiermee wordt in de constitutionele structuur van het Koninkrijk voorbij gegaan aan deze oorspronkelijk van Locke afkomstige gedachte.
De Afdeling besluit haar oordeel in de hiervoor aangehaalde zaak met de opmerking dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. B1 Kieswet blijkt dat de wetgever van oordeel is dat een verblijf in Nederland van minstens tien jaar of langer een zodanige band met Nederland schept, dat het kiesrecht wordt toegekend voor de verkiezing van de Tweede Kamer. Vermeldenswaardig in dit kader is mijns inziens dat dit kiesrecht, ongeacht een eventueel verblijf in Nederland, wel toekomt aan Nederlanders die in vreemde mogendheden verblijven. Volgens de Afdeling heeft de wetgever op deze wijze beoogd te verzekeren dan alle Nederlandse staatsburgers het kiesrecht hebben voor een vertegenwoordigend orgaan binnen het Koninkrijk.52
Ook bij deze redenering geldt dat de Afdeling nauwelijks rekening houdt met de omstandigheid dat het ene vertegenwoordigende orgaan in Koninkrijk meebeslissende bevoegdheden heeft in de statutaire rechtsorde en het andere niet. Waar de overzeese Staten, de Provinciale Staten en de gemeenteraden vertegenwoordigende organen zijn in het Koninkrijk in de zin van art. 46 Statuut, kunnen alleen de Staten-Generaal de facto worden aangemerkt als een vertegenwoordigend lichaam van het Koninkrijk vanwege de bevoegdheden van de Staten-Generaal in de rijksregelgevingsprocedure.
De tweede rechtszaak inzake het kiesrecht van overzeese staatsburgers deed zich voor in 2017. Appellant had in deze zaak in oktober 2016 de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzocht om te worden geregistreerd als kiesgerechtigde voor de verkiezing van de Tweede Kamer in maart 2017. Om vergelijkbare redenen als in de vorige zaak, wees de minister dit verzoek af – appellant had namelijk volgens de minister zijn werkelijke woonplaats in Aruba en was niet voor een periode van tien jaar ingezetene geweest van Nederland.53 De appellant had in deze zaak enigszins andere gronden aangevoerd. Zo stelde hij dat de Rijksministerraad een wetgevend orgaan is in de zin van art. 3 Eerste Protocol EVRM, omdat de rijksministerraad door middel van regelgeving de rechtsorde van Aruba beïnvloedt. Aangezien de rijksministerraad verantwoording is verschuldigd aan de Tweede Kamer, ontbeert appellant ten onrechte het kiesrecht voor de verkiezing van de Tweede Kamer, aldus de appellant. Deze grond is volgens de Afdeling ongegrond, vanwege de omstandigheid dat de rijksministerraad niet rechtstreeks wordt gekozen en dus niet kan worden aangemerkt als een wetgevend orgaan in de zin van de voornoemde bepaling.54 Daarnaast wordt met betrekking tot het beginsel van gelijke behandeling door appellant geen vergelijking gemaakt tussen overzeese staatsburgers in de overzeese landen en de Nederlandse staatsburgers in vreemde staten, zoals het geval was in de vorige zaak, maar tussen Arubaanse Nederlanders enerzijds en Nederlanders uit de BES-eilanden anderzijds. Deze vergelijking gaat volgens de Afdeling niet op, omdat de BES- eilanden sinds de herziening van het Statuut in 2010 integraal deel uitmaken van het bestel van het land Nederland.55
De Afdeling brengt ook in deze zaak naar voren dat het Statuut voorziet in waarborgen en voorzieningen ten behoeve van de inbreng van de landen in de rijksregelgevingsprocedure.56 Net als in de vorige rechtszaak vermeldt de Afdeling dat het Statuut voorziet in ‘democratisch gelegitimeerde inbreng van de ingezetenen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten op de rijkswetgeving door de vertegenwoordigende lichamen van de verschillende landen’.57 Ook hier geldt dat de Afdeling geen rekening houdt met de omstandigheid dat deze vertegenwoordigende organen verschillende bevoegdheden hebben in de statutaire rechtsorde – variërend van adviserend, zoals het geval is bij de overzeese Staten, tot medebeslissend, zoals het geval is bij de Staten-Generaal. De aandacht die de Afdeling besteedt aan de staatkundige positie van de Gevolmachtigde Minister van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in het rijksregelgevingsproces is geen rechtvaardiging van de status quo, vanwege de omstandigheid dat de Gevolmachtigde Minister niet de Staten, maar de overzeese landsregering vertegenwoordigt, en ook verantwoording verschuldigd is aan de landsregering en niet aan de overzeese Staten.58
Beide uitspraken illustreren dat er sprake is van een constitutionele spraakverwarring in de rechtsorde van het Statuut. Aan de ene kant streven overzeese Nederlanders van de overzeese landen ernaar het kiesrecht voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te kunnen uitoefenen, maar gaan zij daarbij voorbij aan de omstandigheid dat daarmee hun representanten zullen meebeslissen in landszaken van Nederland. Laatstgenoemde is in strijd met het Statuut, omdat het Statuut de autonomie garandeert van de verschillende Koninkrijkslanden bij landsaangelegenheden. Aan de andere kant houdt de Afdeling vol dat op grond van art. 46 Statuut iedere Nederlandse staatsburger aanspraak maakt om te worden vertegenwoordigd in een vertegenwoordigend orgaan binnen het Koninkrijk. De Afdeling besteedt evenwel geen aandacht aan de omstandigheid dat de vertegenwoordigende organen binnen het Koninkrijk geen gelijkwaardige positie innemen in de statutaire rechtsorde. Waar de overzeese Staten adviserende bevoegdheden bezitten in de statutaire rechtsorde, functioneren de Staten-Generaal de facto als het vertegenwoordigende orgaan van het Koninkrijk alwaar rijksregelgeving kan worden geïnitieerd, geamendeerd, aangenomen en/of verworpen.
Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies aangaande het Nederlanderschap. Dit burgerschap, zoals thans geregeld is bij de Rijkswet op het Nederlanderschap, wordt toegekend door het Koninkrijk der Nederlanden.59 Niettemin brengt dit burgerschap geen rechtsverhouding, laat staan een wederkerige rechtsverhouding, met zich tussen de Nederlandse staatsburger en het Koninkrijk. Dit van Koninkrijkswege toegekende burgerschap veronderstelt een rechtsverhouding tussen de Nederlandse staatsburger en het betrokken Koninkrijksland waar de burger zijn werkelijke woonplaats heeft. Deze stelling is verdedigd aan de hand van enkele argumenten. In de eerste plaats is naar voren gebracht dat de militaire dienstplicht niet vanwege het Koninkrijk, maar vanwege het Koninkrijksland kan worden gevorderd. Met betrekking tot de rechten is aandacht besteed aan het reis- en vestigingsrecht en het kiesrecht voor vertegenwoordigende lichamen van/in het Koninkrijk. Beide rechten vallen onder de bevoegdheid van de landen van het Koninkrijk. Gesteld kan derhalve worden dat het Nederlanderschap slechts ogenschijnlijk uniform is gereguleerd. Hoewel uit art. 3 lid 1 sub c Statuut blijkt dat het Nederlanderschap een Koninkrijksaangelegenheid is, is merkwaardig dat de rechten en plichten die aan dit burgerschap zijn gekoppeld, vallen onder de bevoegdheden van de landen. Een direct gevolg hiervan in het Koninkrijk is dat er geen vrij reis- en vestigingsrecht bestaat binnen het Koninkrijk. Daarnaast kan de wil van de Koninkrijksburgers niet worden vastgesteld, vanwege de omstandigheid dat in het de facto vertegenwoordigend orgaan van het Koninkrijk, de Staten-Generaal, niet alle Nederlandse staatsburgers politiek worden gerepresenteerd wanneer dit orgaan beraadslaagt over Koninkrijksaangelegenheden.
Binnen het denkkader van menige in Hoofdstuk II behandelde auteurs kan niet anders worden gevonden dan dat Arubanen, Curaçaoënaars en Sint Maartenaren louter ‘onderdanen’ zijn van rijksregelgeving en geen ‘bezitters’. Deze terminologie gebruikten verschillende auteurs indien onderdanen, niet burgers, zich dienen te houden aan recht dat tot stand is gekomen door toedoen van burgers.60
Dat de notie van het Nederlanderschap zoals dat hiervoor is uiteengezet schrijnend is, wordt in de volgende paragraaf aan de hand van de toepassing van het Europees Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk inzichtelijk gemaakt. Hieruit zal blijken dat de EU in haar burgerschapsdenken volgroeider is dan het Koninkrijk der Nederlanden. In paragraaf 7.6 wordt een voorstel gedaan voor het uniformer vormgeven van het burgerschapsbegrip in het Koninkrijk.