De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.2.1.2:6.2.1.2 Van verplicht toelatingsexamen naar verklaring van de lagere school
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.2.1.2
6.2.1.2 Van verplicht toelatingsexamen naar verklaring van de lagere school
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949567:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het facultatieve karakter van de toelatingsexamens was in 1873 onhoudbaar geworden. Het Reglement voor de Rijks- hoogere burger- en landbouwscholen werd daarom aangepast.1 Een leerling kon in het vervolg slechts worden toegelaten tot de hoogere burgeschool indien hij voor het toelatingsexamen een voldoende had behaald. Het toelatingsexamen bleef verplicht tot 1902. Daarna kon een leerling van het toelatingsexamen vrijgesteld worden door de directeur van de hoogere burgerschool als de directeur van zijn lagere school een verklaring overlegde waaruit bleek dat de leerling geschikt was bevonden om het onderwijs te volgen. Deze verklaring lijkt sterk op wat nu het schooladvies genoemd wordt. Vanaf 1920 kwam de bevoegdheid om vrijstelling van het toelatingsexamen te verlenen niet langer toe aan de directeur van de hoogere burgerschool. De directeur werd in het vervolg verplicht om een vrijstelling te verlenen wanneer de leerling beschikte over een verklaring van het hoofd van zijn lagere school.2 De facto kwam de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen van het toelatingsexamen van de hoogere burgerschool vanaf dat moment dan ook toe aan het hoofd van de lagere school. Dit lijkt sterk op de huidige situatie waarbij de school van voortgezet onderwijs de toelaatbaarheid van een leerling dient te baseren op het schooladvies van de basisschool.
Doordat leerlingen met een verklaring van het hoofd van de lagere school toegelaten moesten worden verdween in de praktijk het toelatingsexamen.3 Dit kwam het niveau van de leerlingen niet ten goede. De hoogere burgerscholen klaagden dat hen de verantwoordelijkheid voor de toelating van de leerling tot de eigen scholen ontnomen was. Het hoofd van de lagere school zou deze verantwoordelijkheid niet kunnen dragen, omdat een objectieve maatstaf voor de beoordeling van de bekwaamheid en de geschiktheid van de leerling ontbrak.