De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.2.1.6:6.2.1.6 De eerste fase van het voortgezet onderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.2.1.6
6.2.1.6 De eerste fase van het voortgezet onderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949465:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
P.J.J. Zoontjens, ‘Omstreden onderwijsvernieuwingen, het onderwijsjuridisch onderzoek voor de commissie Dijsselbloem’, NTOR 2008, 2, p. 71.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na inwerkingtreding van de Wbo bleef het Besluit v.w.o-h.a.v.o.-m.a.v.o. ongewijzigd. Toelating tot de school voortgezet onderwijs vond op dat moment dan ook nog steeds plaats op basis van het rapport van het hoofd van de lagere school en op basis van een onderzoek naar de geschiktheid van de leerling voor voortgezet onderwijs, bestaande uit een toelatingsexamen, schoolvorderingtoets, proefklas of psychotechnisch onderzoek. In de memorie van antwoord van de Wbo schrijft de wetgever dat veel scholen de CITO-toets gebruiken om voor individuele leerlingen het gewenste niveau van voortgezet onderwijs te bepalen.1 Het kabinet schrijft dat de CITO-toets daarmee (onbedoeld) werkt als examen en dat deze functie van de CITO-toets verandert als één of meer jaren van ongedeeld voortgezet onderwijs tot stand komen. Na de totstandkoming van de Wbo heeft de wetgever verschillende onsuccesvolle pogingen ondernomen om de eerste schooljaren van het voortgezet onderwijs zodanig vorm te geven dat de keuze van de leerling voor een bepaalde vorm van voortgezet onderwijs niet gemaakt hoeft te worden op het moment dat de leerling doorstroomt van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs, maar pas op een later moment.
Een voorbeeld hiervan is het experiment met de middenschool.2 De middenschool was bedoeld om de aansluiting van het basisonderwijs tot het voortgezet onderwijs te verbeteren door onder andere de beslissing voor een bepaalde vorm van voortgezet onderwijs uit te stellen. Binnen dit experiment stroomden leerlingen van het lager onderwijs door naar de middenschool. Op de middenschool werden leerlingen nog 3 à 4 jaar algemeen gevormd, alvorens zij doorstroomden naar een onderwijsvorm in het voortgezet onderwijs. Het experiment met de middenschool is vanwege het ontstaan van politieke verdeeldheid niet doorgezet.3
In 1994 werd de basisvorming in het voortgezet onderwijs ingevoerd. Hiermee werd onder andere beoogd om de keuze van de leerling voor een bepaald schooltype uit te stellen.4 Met de basisvorming werden de eerste twee à drie jaar van het voortgezet onderwijs vormgegeven aan de hand van een verplicht vakkenpakket bestaande uit 15 vakken. De basisvorming werd aangeboden op twee niveaus. Per vak kon de leerling voor één van de twee niveaus kiezen. Aan het eind van de basisvorming werden de leerlingen getoetst en konden zij doorstromen naar een bepaalde vorm van voortgezet onderwijs. Ook de basisvorming heeft niet standgehouden. Na kritiek op, onder andere, de overladenheid en versnippering van het vakkenpakket verdween de basisvorming in 2006.5 Met de vervolgens ingevoerde regeling onderbouw VO heeft de wetgever beoogd ruimte te bieden aan de school voor voortgezet onderwijs om de onderbouw zelf in te richten.6 De wetgever is er echter niet in geslaagd om het moment waarop de leerling wordt geselecteerd voor een bepaalde vorm van voortgezet onderwijs te verschuiven naar een later moment. De afsluiting van het primair onderwijs blijft dan ook bepalend voor de onderwijsvorm in het voortgezet onderwijs waar de leerling terechtkomt.