Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.2.1.1
6.2.1.1 De Wet op het middelbaar onderwijs 1863
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949311:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1863, 50.
De polytechnische school te Delft is nu de Technische Universiteit Delft (TU Delft).
Bijlagen Handelingen II, 1862/63, XXXIX, 3, p. 325 (MvT).
Artikel 22 van de Wet op het middelbaar onderwijs en Bartels 1963, p. 92-107.
Koninklijk Besluit van 30 augustus 1864, Stb. 1864, 91.
Artikel 21 van het Reglement voor de Rijks-hoogere burger- en landbouwscholen (vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 30 augustus 1864, Stb. 1864, 91).
Artikel 22 van het Reglement voor de Rijks-hoogere burger- en landbouwscholen (vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 30 augustus 1864, Stb. 1864, 91).
Handelingen II 1871/72, 2, 426.
Handelingen II 1871/72, 2, 419.
Handelingen II 1871/72, 2, 426.
De overgang van het lager onderwijs naar het middelbaar onderwijs is voor het eerst bij wet geregeld in de Wet op het middelbaar onderwijs uit 1863.1 Hoewel met deze wet verschillende schooltypen werden ingesteld, wordt in deze paragraaf slechts ingegaan op de hoogere burgerschool. Van de burgerscholen zijn er namelijk slechts enkele opgericht, de polytechnische school2 werd in 1905 opgenomen in het hoger onderwijs en de landbouwscholen wijken sterk af van het voortgezet onderwijs zoals we dit nu kennen.
In de Wet op het middelbaar onderwijs – die onder leiding van Thorbecke tot stand is gebracht – werd een grote mate van vrijheid gegeven aan leerlingen en scholen. Deze vrijheid was ook zichtbaar in de wijze van toelating van de leerling tot de hoogere burgerschool. De wetgever wilde geen moeilijke voorwaarden van toelating tot de scholen voorschrijven.3 Er werd slechts een leeftijdsgrens gesteld als eis van toelating die bereikt was wanneer de leerling ongeveer het lager onderwijs zou hebben doorlopen. Voorafgaande ontwikkeling van de leerling op het lager onderwijs was volgens de wetgever wel nodig. In de Wet op het middelbaar onderwijs werd de toelating verder gedelegeerd naar een algemene maatregel van bestuur.4
Bij algemene maatregel van bestuur werd in 1864 het Reglement voor de Rijks- hoogere burger- en landbouwscholen vastgesteld waarin onder andere de toelating tot deze scholen werd geregeld.5 Uit dit reglement blijkt dat de leerling ingeschreven moest worden door de directeur om de lessen te kunnen bijwonen.6 Jaarlijks werd voor de aanvang van het schooljaar aan de aspirant-leerling de gelegenheid geboden tot het maken van een toelatingsexamen. Dit toelatingsexamen werd afgenomen door de school, maar was niet verplicht. De leerling die het toelatingsexamen niet haalde of niet aflegde, kon zich desgewenst alsnog inschrijven.7 De studievrijheid stond immers voorop.8
Bij de behandeling van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken in 1871 stelde Kamerlid Jongbloet dat sinds de inwerkingtreding van de Wet op het middelbaar onderwijs jaarlijks verslagen waren binnengekomen waaruit bleek dat leerlingen onderwijs volgden zonder het toelatingsexamen te hebben behaald.9 Ook haalde een derde van de leerlingen het overgangsexamen niet. Jongbloet wees erop dat de facultatieve toelatings- en overgangsexamens het niveau van het middelbaar onderwijs omlaag trokken. Ook wees hij erop dat het toelatingsexamen in de praktijk steeds strenger werd in een poging om de lagere scholen ertoe te bewegen het niveau van de leerlingen op te krikken. De lagere scholen waren immers verantwoordelijk voor de vooropleiding van de leerlingen die op de hoogere burgerschool terecht zouden komen. In 1871 was Thorbecke voor de derde en laatste maal aan de macht gekomen. Hij reageerde op Jongbloet en deed zijn beklag over de ontwikkeling van de toelatings- en overgangsexamens:
“Hoe kan het iemand bevreemden, dat ik noch toelatings- noch overgangsexamens wil, waartegen ik mij steeds verzet heb? Hetgeen ik niet wilde is ingeslopen; in de jongste jaren is de heerschappij wederom gekomen aan een schoolsch begrip van dwang, waardoor het onderwijs, met name het middelbaar onderwijs, waarmede wij nu te doen hebben, eene soort van fabriek zou worden.’’10