Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.4.1
7.4.1 De betrokken goederenrechtelijke beginselen
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396153:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Fikkers 1999a, p. 56, Fesevur 2001, p. 505, Smelt 2003, p. 349, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 171 en L.P.W. van Vliet, ‘Sinaasappels. Beantwoording rechtsvraag (345) Goederenrecht’, AA 2015, p. 734.
Suijling 1940, nr. 78 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74. Zie ook – maar onder andere benamingen – V.J.M. van Hoof, Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2015, p. 354-359 en Tweehuysen 2016, passim.
Suijling 1940, nr. 54, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74 en Tweehuysen 2016, p. 8-10 en p. 26- 33.
Wichers 2002, p. 157 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 6.
Zoals blijkt uit HR 10 februari 1978, NJ 1979, 338 (Nieuwe Matex) m.nt. W.M. Kleijn. Zie voor het Oostenrijkse recht Bydlinski 1974, p. 32-36.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 117 en nr. 193, Rongen 2012, p. 980 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 230.
Het voorbeeld is ontleend aan Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 117.
Zo ook S.E. Bartels, ‘Zoals kennelijk ter plaatse aangeduid en afgepaald. Het bepaaldheidsvereiste bij overdracht van een gedeeltelijk perceel’, VrA 2004, p. 15-16 en Rongen 2012, p. 1006.
Vgl. Wichers 2002, p. 155-157. Anders: Houwing 1952, p. 203, Fesevur 2001, p. 505-506, Smelt 2003, p. 349-351 en Spath 2010, p. 346-347.
Wichers 2002, p. 155.
Zie bijv. Bürgermeister 1996, p. 34-35: ‘Alle Geschehnisse nach einer wirksamen, weil bestimmten Übereignung sind für den Eigentumsübergang ohne Bedeutung, auch wenn dabei ein unauflösbares Chaos entsteht. Dies ist auch folgerichtig, denn das einmal erworbene Eigentum bleibt bestehen. Deshalb sind alle Abgrenzungsprobleme, die (…) durch spätere Ereignisse verursacht werden, dem Bereich der Beweisfragen zuzurechnen.’ Zie ook over de bepaaldheid van de EinigungBGH 31 januari 1979, NJW 1979, 376: ‘Spätere Ereignisse, die auûerhalb des Vertrages liegen, können diesem nicht nachträglich seine Bestimmtheit nehmen.’ Zo ook Uhlenbruck/Brinkmann 2015, § 49 InsO, Rn. 20.
Anders: W.M.T. Keukens & R.M. Wibier, ‘Een waarschuwing voor banken: over stille pandrechten, informatierechten en (nogmaals) bepaalbaarheid’, WPNR 2007 (6729), p. 903-904 en W.M.T. Keukens, ‘Problemen rond stille verpanding van vorderingen’, TvI 2009, p. 35.
Deze problematiek speelde voornamelijk bij het zogenoemde ‘glijdende pandrecht’ op effecten of ‘pandrecht op vervangbare zaken’ in geval van herprolongatie. Zie daarover met name H.R. Hoetink, ‘Het voorwerp van het zakelijk recht’, Indisch Tijdschrift van het Recht 1932, p. 109-136. In werkelijkheid ging het daarbij meestal om een wat andere vraag, namelijk of en op welk moment de pandhouder eigenaar werd van het vervangbare stuk en of de pandhouder het nieuwe stuk dat hij in plaats van het oude stuk na aflossing van de herbelening ontving als vertegenwoordiger voor de pandgever verkreeg en of het pandrecht op dit nieuwe stuk kwam te rusten. Van een daadwerkelijk goederenrechtelijk recht op nader te bepalen zaken was derhalve geen sprake. Zie hierover m.n. L.W.R. van Deventer, ‘Herverpanding en terugvordering van effecten in verband met het begrip vervangbaarheid’, WPNR 1925 (2916-2920), p. 737 e.v., J. Eggens, ‘Oneigenlijk pandrecht’, WPNR 1929 (3118), p. 547-549, Suijling 1940, nr. 568 en Asser/ Scholten 1945, p. 430-432.
De problematiek van de oneigenlijke vermenging wordt geregeld in verband gebracht met verschillende goederenrechtelijke beginselen, die in de weg zouden staan aan uitoefening van het eigendomsvoorbehoud in geval van oneigenlijke vermenging. Zo wordt opgemerkt dat de onmogelijkheid van (de uitoefening van) een eigendomsrecht op zaken die op een zodanige wijze door elkaar zijn geraakt dat, bij gebreke van individuele kenmerken, niet meer kan worden vastgesteld op welke zaak het eigendomsrecht betrekking heeft, verband houdt met het specialiteitsbeginsel of de onmogelijkheid van eigendom van uitsluitend naar soort en hoeveelheid bepaalde zaken.1
Het specialiteitsbeginsel heeft evenwel niets van doen met de problematiek die aan de orde is bij het dooreen geraken van soortzaken. Het specialiteitsbeginsel houdt in dat goederenrechtelijke rechten slechts bestaanbaar zijn op afzonderlijke zaken.2 Daarmee drukt het beginsel uit dat men niet één eigendomsrecht kan hebben op meerdere zaken. Men kan geen eigenaar zijn van een kudde van schapen, maar hoogstens eigenaar van elk schaap uit de kudde. Uit het specialiteitsbeginsel volgt dat in een dergelijk geval evenveel eigendomsrechten als schapen bestaan.3 Met oneigenlijke vermenging heeft dat niets te maken. Een verkoper die zijn eigendomsvoorbehoud geldend wenst te maken ten aanzien van soortzaken, pretendeert immers geen recht te hebben op een algemeenheid van zaken, maar maakt zijn eigendomsvoorbehoud geldend ten aanzien van afzonderlijke zaken, zij het dat er moeilijkheden bestaan bij het identificeren van die afzonderlijke zaken. Als de verkoper zijn eigendomsvoorbehoud uitoefent met betrekking tot meerdere oneigenlijk vermengde zaken, maakt de verkoper ook meerdere eigendomsrechten geldend.
De stelregel dat eigendom van uitsluitend naar soort en hoeveelheid bepaalde zaken niet mogelijk is, is – zoals hierna zal blijken – slechts in beperkte mate in het geding indien sprake is van oneigenlijke vermenging. De onmogelijkheid van eigendom van uitsluitend naar soort en hoeveelheid bepaalde zaken houdt echter vooral verband met het bepaaldheidsvereiste en soms met het ontbreken van zaakskwaliteit van de hoeveelheid. Dat laatste is het geval als het gepretendeerde eigendomsrecht betrekking heeft op een hoeveelheid die onderdeel uitmaakt van een grotere hoeveelheid en sprake is van eigenlijke vermenging. De onmogelijkheid van een eigendomsrecht op dit deel is een gevolg van het ontbreken van zaakskwaliteit. Als 50 liter benzeen is opgeslagen in een tank, kan de eigenaar niet 10 liter benzeen overdragen, omdat de 10 liter benzeen geen zaak is, maar bestanddeel van de 50 liter benzeen.4 Hij kan hoogstens een aandeel in de totale hoeveelheid overdragen, waarbij de omvang van het aandeel 10 liter is.5
Soms houdt de onmogelijkheid van eigendom die naar soort en hoeveelheid is bepaald verband met het bepaaldheidsvereiste. Het bepaaldheidsvereiste heeft betrekking op de vraag of iemand al dan niet een recht op een zaak heeft verworven. Daarvoor is vereist dat – al dan niet achteraf – kan worden vastgesteld of het voorwerp van de levering op het moment van die levering voldoende duidelijk was.6 Een recht op een goed kan slechts worden verkregen als op dat moment aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan. Soms zal de aanduiding van het voorwerp naar soort en hoeveelheid daarvoor voldoende zijn, namelijk in het geval dat geen twijfel bestaat over het voorwerp, omdat er niet meerdere identieke zaken zijn, waarop de levering betrekking heeft. Men zou ook kunnen zeggen dat van bepaling uitsluitend naar soort en hoeveelheid dan geen sprake is, nu de aanduiding naar soort en hoeveelheid tegelijkertijd duidelijk maakt welke specifieke zaak bedoeld is. Indien de vervreemder echter meerdere zaken heeft die voldoen aan de zaak die naar soort en hoeveelheid is omschreven, dan is aan het bepaaldheidsvereiste niet voldaan. De bepaling van het voorwerp van de levering ‘uitsluitend naar soort en hoeveelheid’ voldoet dan niet aan de eisen die het bepaaldheidsvereiste stelt. Als een rijwielhandelaar twee identieke fietsen verkoopt en door een constitutum possessorium levert, is niet aan het bepaaldheidsvereiste voldaan, als hij vijf van dergelijke identieke fietsen in zijn winkel heeft staan.7 Als hij op twee van die fietsen daarentegen een briefje plakt met de strekking dat die fietsen zijn geleverd, is wel aan het bepaaldheidsvereiste voldaan en verkrijgt de klant de eigendom van de desbetreffende fietsen.
Het is van belang op te merken dat wanneer de briefjes nadien onverhoopt van de fietsen geraken, daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de eigendomsverkrijging van de klant die immers al heeft plaatsgevonden. Hoogstens kan dit aan uitoefening van het eigendomsrecht in de weg staan, omdat hij niet meer kan aantonen welke fietsen voorwerp zijn van zijn – bestaande – eigendomsrecht.8 Het bepaaldheidsvereiste is namelijk geen continuïteitsvoorwaarde. Het goederenrechtelijk recht bestaat niet slechts zolang de zaak waarop dit recht rust individueel bepaald en aanwijsbaar is. Het latere ontbreken van individualisering kan hoogstens in de weg staan aan de uitoefening van het – nog altijd bestaande – recht.9 De eigenaar die het object van zijn eigendomsrecht niet kan aanwijzen, is echter nog altijd eigenaar.10 Ook in de Duitse literatuur en rechtspraak wordt dit onderscheid benadrukt door erop te wijzen dat de rechtsgeldigheid van een rechtsverkrijging niet wordt aangetast door latere bewijsnood, die slechts tot gevolg kan hebben dat een recht niet kan worden uitgeoefend.11 Om deze redenen moet dan ook de opvatting worden verworpen dat oneigenlijke vermenging leidt tot eigendomsverlies.
Uit het voorgaande blijkt dat individualiseringsproblemen zich op verschillende momenten kunnen voordoen: op het moment van verkrijging van een goederenrechtelijk recht en op moment van uitoefening van een goederenrechtelijk recht. Beide typen individualiseringsproblemen echter verschillende rechtsgevolgen. Terwijl in het eerste geval bij gebreke van individualisering (bepaaldheid) überhaupt geen goederenrechtelijk recht wordt verkregen, kan in het tweede geval slechts een bestaand en reeds verkregen recht niet worden uitgeoefend. Slechts het laatste is aan de orde bij oneigenlijke vermenging. Het bepaaldheidsvereiste is in een dergelijk geval niet in het geding.12
Tot slot houdt de onmogelijkheid van eigendom van uitsluitend naar soort en hoeveelheid bepaalde zaken verband met de eis dat een eigendomsrecht altijd een voorwerp dient te hebben; een goederenrechtelijk recht rust immers altijd op een goed. Dat uitgangspunt staat in de weg aan het hebben van een eigendomsrecht op nog nader te bepalen zaken. Dat wil zeggen: het is niet mogelijk dat aan iemand een eigendomsrecht wordt toegekend dat aanspraak geeft op een aantal naar soort bepaalde zaken, terwijl pas wanneer dit recht wordt uitgeoefend, het voorwerp van dit recht daadwerkelijk wordt vastgesteld.13 Dat zou neerkomen op de erkenning van een soort latent recht, dat pas uitkristalliseert ten aanzien van concrete zaken op het moment dat het wordt uitgeoefend. Zoals hierna zal blijken, is enkel dit aspect van de onmogelijkheid van eigendom van naar soort en hoeveelheid bepaalde zaken bij de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud soms aan de orde, zij het slechts zeer sporadisch.