Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.8.2.1
6.8.2.1 Multilateraal toezicht
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS450497:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 104 EEG-verdrag.
Artikel 105, eerste lid, EEG-verdrag.
Dit betreft het huidige artikel 121 VWEU.
Het stemmen met gekwalificeerde meerderheid houdt in dat een bepaald quotum bereikt moet worden. De lidstaten hebben ieder een bepaalde hoeveelheid stemmen, die, evenals het quotum, wordt aangepast bij de toetreding van nieuwe lidstaten. De oorspronkelijke verdeling van stemmen en het quotum is te vinden in artikel 148, tweede lid, EEG-verdrag. Deze bepaling is voor de ondertekening van het Verdrag van Maastricht voor het laatst aangepast bij de toetreding van Spanje en Portugal in 1986. Zie artikel 14 Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen, PbEG 1985, L 302/25.
Artikel 103, derde lid, EG-verdrag.
Artikel 103, vierde lid, EG-verdrag.
Al in artikel 103, eerste lid, EEG-verdrag was geregeld dat lidstaten hun conjunctuurpolitiek als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang zouden beschouwen. Het economisch beleid zou gericht zijn op het evenwicht van de betalingsbalans en het vertrouwen in de valuta, waarbij een hoge graad van werkgelegenheid en een stabiel prijspeil horen.1 Om deze doelen te bereiken zouden de lidstaten hun economisch beleid coördineren.2 De wijzigingen van het EG-verdrag op grond van het Verdrag van Maastricht, waarbij bovengenoemde artikelen zijn vervangen, veranderen niets aan deze uitgangspunten. Artikel 103, eerste lid, EG-verdrag3 herhaalt dat lidstaten hun economisch beleid beschouwen als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang, waardoor coördinatie wenselijk is. Deze bepaling geeft vervolgens echter ook methodes om dit uitgangspunt te effectueren, hetgeen in het EEG-verdrag, dat hiervoor werd besproken, niet gebeurde. Het tweede lid geeft aan dat de Raad na een omschreven procedure met gekwalificeerde meerderheid een aanbeveling kan aannemen, waarin globale richtsnoeren zijn vastgelegd voor het economisch beleid van de lidstaten en de gemeenschap.4 De Raad ziet vervolgens, aan de hand van door de Europese Commissie ingediende rapporten, toe op de economische ontwikkelingen in de lidstaten en in de gemeenschap en op de overeenstemming van het economisch beleid met de globale richtsnoeren.5 In het kader van dit zogeheten multilaterale toezicht verstrekken de lidstaten aan de Europese Commissie informatie over de belangrijke maatregelen die zij in het kader van hun economisch beleid hebben genomen. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid aanbevelingen tot een lidstaat richten indien het economisch beleid van die lidstaat niet overeenkomt met de globale richtsnoeren of indien dit beleid de goede werking van de EMU in gevaar dreigt te brengen.6