Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/6.8.3.2
6.8.3.2 Redenen voor het optionele stelsel van rechtspersoonlijkheid in het Wetsvoorstel Titel 7.13
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS400254:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Maeijer, J.M.M. (2008), 'De personenvennootschap: enkele gedachten van de ontwerper van het eerste uur', in: J.M.M. Maeijer (2008), supra noot 67, blz. 2.
Maeijer in Verslag van de Vergadering van de Vereeniging Handelsrecht van 6 november 1998, in: J.M.M. Maeijer (1998) supra noot 94, blz. 39.
Kamerstukken II, 2002-2003, 28 746, nr. 3, blz. 5.
Vgl: Mohr, A.L. et al. (2003a), supra noot 211, blz. 61.
De leveringsvereisten gelden zowel voor levering aan de overige vennoten (artikel 3:186 BW) als voor levering aan een opvolgende vennoot (3:96 BW).
Artikel 7:821 lid 1 Wetsvoorstel Titel 7.13. Het van rechtswege overgaan van het aandeel van een vennoot bij uittreden uit een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid is bij de behandeling van het Wetsvoorstel Titel 7.13 in de Tweede Kamer geopperd door de CDA fractie (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 746, nr. 4, blz. 11-12). De minister heeft hierop gereageerd dat hij geen kans ziet om op verantwoorde wijze tegemoet te komen hieraan. Het zou op gespannen voet staan met de systematiek van verdeling van gemeenschappen (Kamerstukken II, 2003-2004, 28 746, nr. 5, blz. 19).
Artikel 7:821 lid 2 Wetsvoorstel Titel 7.13. Onenigheid bestaat over het antwoord op de vraag of dit betekent dat het niet langer mogelijk zal zijn om in de vennootschapsovereenkomst te bepalen dat de uittredende vennoot de door hem ingebrachte goederen zal krijgen toegedeeld en geleverd. Drion en Warmerdam geven aan dat dit niet tot de mogelijkheden behoort. De vennoot heeft volgens hen slechts een aanspraak op een vergoeding in geld (S. Drion en J.G.S. Warmerdam (2009), 'Reactie op 'Brandbrief MKB/VNO-NCW, zand in de raderen voor invoering titel 7.13 (vennootschap)' van prof. mr. M. van Olffen, WPNR 6782, p. 43/4', WPNR/6788, blz. 173-175). Van Olffen is van mening dat de vennoten afspraken kunnen maken over de toedeling van goederen bij uittreden. Volgens hem kan men in plaats van levering van goederen aan de uittredende vennoot na de verdeling van bepaalde goederen, deze goederen aan de uittredende vennoot laten toekomen bij de verdeling (M. van Olffen (2009), 'Naschrift', WPNR/6788, blz. 175-178). Tijdens het wetgevingsoverleg van 26 oktober 2009 heeft de minister van Justitie hierover het volgende gesteld: 'Het uitgangspunt is dat bij uittreding van een vennoot het aandeel in geld wordt afgerekend, maar partijen kunnen dat anders overeenkomen. Zij kunnen overeenkomen dat aan de verplichting tot betaling van een geldsom wordt voldaan door het in betaling geven van de ingebrachte goederen, conform artikel 645 van het Burgerlijk Wetboek Een vennoot kan zijn goederen inbrengen onder de ontbindende voorwaarde van zijn uittreding. Bij uittreding krijgt hij zijn inbreng dan automatisch terug. Ik vermoed dat bij de vorming van maatschappen door artsen ook door hun professionele organisatie een dergelijk advies zal worden gelardeerd'. Zie: het ongecorrigeerd stenogram van het wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Justitie van maandag 26 oktober 2009, blz. 60.
Artikel 7:823 lid 3 Wetsvoorstel Titel 7.13.
Artikel 7:823 lid 2 Wetsvoorstel Titel 7.13.
Artikel 7:821 lid 4 Wetsvoorstel Titel 7.13 en Kamerstukken II, 2003-2004, 28 746, nr. 5, blz. 3.
Artikel 7:823 lid 3 Wetsvoorstel Titel 7.13.
De heer Tuininga in het Verslag van de Vergadering van de Vereeniging Handelsrecht van 6 november 1998 in: J.M.M. Maeijer (1998), supra noot 94, blz. 27.
Zie: het artikel van Raaijmakers waarin hij uiteenzet dat het verschil tussen de OV en de OVR over het algemeen gelegen is in een gecompliceerd goederenrechtelijk regime voor de OV: M.J.G.C. Raaijmakers (2009), 'Vereenvoudiging titel 7.13 BW (personenvennootschappen)', Ondernemingsrecht 2009/2, blz. 70-81.
Als voordeel van het optionele stelsel is genoemd dat niet iedere openbare maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap bij de invoering van de nieuwe wetgeving de rechtspersoonlijkheid wordt ingejaagd.1 Ook roept de toekenning van rechtspersoonlijkheid van rechtswege veel rechtsonzekerheid op bijvoorbeeld indien niet aan de oprichtingsformaliteiten is voldaan maar de vennootschap wel naar buiten optreedt. Hoe wordt deze vennootschap dan gekwalificeerd, gelet op het feit dat er alleen maar openbare vennootschappen met rechtspersoonlijkheid zouden kunnen ontstaan?2 Verder kunnen door het optiestelsel mogelijke overgangsproblemen worden voorkomen omdat al bestaande personenvennootschappen zonder formaliteiten kunnen worden omgezet in openbare vennootschappen.3 Het argument dat vanuit de praktijk een duidelijke behoefte bestond aan het behoud van een OV zonder rechtspersoonlijkheid en dat daarom gekozen moest worden voor een optiestelsel, bevond zich niet onder de argumenten tegen rechtspersoonlijkheid van rechtswege.4
Uit de argumenten voor het optiestelsel kan niet worden opgemaakt dat het stelsel een gevolg is geweest van de (mogelijk voor sommige vennootschappen ongewenste) rechtsgevolgen van rechtspersoonlijkheid of van een uit de praktijk opgekomen behoefte. Het optiestelsel is meer een gevolg van praktische voordelen. Maar welke rechtsgevolgen heeft de rechtspersoonlijkheid in dat opzicht? Uit de wetsgeschiedenis van het Wetsvoorstel Titel 7.13 volgt dat voornamelijk goederenrechtelijke aspecten aanleiding hebben gegeven tot de introductie van de rechtspersoonlijkheid in het personenvennootschapsrecht. Door de rechtspersoonlijkheid is bijvoorbeeld duidelijk wie rechtshebbende van het vennootschapsvermogen is. Goederen behoren toe aan de rechtspersoon en niet aan de vennoten gezamenlijk. Hierdoor worden de moeilijkheden rondom de uittreding, toetreding en opvolging van een vennoot opgelost. In de huidige wetgeving bestaat het probleem dat een vennoot bij het uittreden uit een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, zijn (goederenrechtelijke) aandeel in de gemeenschap moet leveren aan de overblijvende vennoten.5 Voor elk van de betrokken goederen dient hij de voor overdracht van dat goed geldende regels in acht te nemen.6 De vennootschap is gehouden om de uittredende vennoot een bedrag te betalen dat gelijk is aan de waarde van de economische deelgerechtigdheid in het vermogen van de vennootschap die bij of krachtens de vennootschapsovereenkomst kan zijn bepaald.7 Voor toetreding in een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid moet de toetredende vennoot deelgenoot worden in de vennootschappelijke gemeenschap. Hiervoor dient levering van aandelen in de afzonderlijke tot die gemeenschap behorende goederen aan de toetredende vennoot plaats te vinden.8 Bij opvolging dient het aandeel in de goederen van de uittredende vennoot te worden geleverd aan de opvolger overeenkomstig 3:96 BW.9 Bij een openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid zal nog steeds noodzakelijk zijn om de formele eisen voor levering van de onderscheiden goederen in acht te nemen. De opvolger is vervolgens uit hoofde van artikel 7:823 lid 4 Wetsvoorstel Titel 7.13 gehouden de hiervoor genoemde uittreedvergoeding gelijk aan de economische deelgerechtigdheid aan de uittredende vennoot te betalen. Heeft de vennootschap rechtspersoonlijkheid, dan blijft de gerechtigdheid van de vennootschap tot de goederen bij uittreding, toetreding of opvolging ongewijzigd. De uittredende vennoot zal zijn aandeel in de vennootschap aan de overblijvende vennoten of zijn opvolger dienen te leveren, waartoe een akte volstaat.10 Aan een toetredende vennoot dient een aandeel in de vennootschap geleverd te worden door een daartoe bestemde akte.11 Naast deze goederenrechtelijke aspecten heeft de OVR ten opzichte van de OV het voordeel dat de OVR kan worden omgezet in een BV. Voor een OV die de BV-vorm wil aannemen zou dit betekenen dat eerst een omzetting in een OVR is vereist om vervolgens deze OVR om te zetten in een BV.
De rechtsgevolgen van rechtspersoonlijkheid bij de openbare vennootschappen creëren dus hoofdzakelijk voordelen voor de vennoten en vormen geen reden om niet te kiezen voor rechtspersoonlijkheid. Voor de beantwoording van de vraag of de rechtspersoonlijkheid bij de OVBA wel of niet verplicht moet worden gesteld, is het daarom van belang vast te stellen welke andere redenen vennoten ertoe zouden bewegen niet te opteren voor rechtspersoonlijkheid. Deze redenen kunnen aanleiding geven om de rechtspersoonlijkheid ook voor de OVBA optioneel te maken. Voorafgaand aan de publicatie van het Wetsvoorstel Titel 7.13 is vanuit de praktijk een aantal redenen genoemd die een ondernemer er mogelijk van weerhouden te kiezen voor rechtspersoonlijkheid. Dit zijn onder andere (1) eventuele kapitaaleisen gerelateerd aan de rechtspersoonlijkheid, (2) een mogelijke aparte fiscale behandeling door de rechtspersoonlijkheid en (3) een verhoging van de oprichtingskosten door het verplicht stellen van een notariële akte voor de verkrijging van rechtspersoonlijkheid.12 Inmiddels is Wetsvoorstel Titel 7.13 uitgekristalliseerd en zal de rechtspersoonlijkheid niet leiden tot een andere fiscale behandeling en leidt de rechtspersoonlijkheid ook niet tot kapitaaleisen. Een notariële akte wordt wel verplicht gesteld. Indien de formaliteiten en de daaraan verbonden kosten van het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid gelijk zijn aan de formaliteiten en kosten van het oprichten van een OVBA of de verkrijging van beperkte aansprakelijkheid, zie ik niet waarom de ondernemers die een OVBA willen oprichten niet tegelijkertijd opteren voor rechtspersoonlijkheid. Het levert de ondernemers voornamelijk goederenrechtelijke voordelen op.13 In de volgende paragraaf ga ik hier nader op in.